Strafrecht hoeft niet gewijzigd

Waarom is het openbaar ministerie in de zaak- Tjoelker zo zuinig geweest met het voorleggen van andere tenlasteleggingen, vraagt Tom Schalken zich af. Dat had veel onrust over de rechtspleging kunnen voorkomen.

Moeten de straffen voor straatgeweld al of niet omhoog? Minister Sorgdrager van Justitie gaat op verzoek van het kabinet daarover een notitie opstellen. Het vonnis in de zaak-Tjoelker is als erg mild ervaren. En kan en passant de individuele aansprakelijkheid in het strafrecht niet worden afgeschaft? Want het kan toch niet zo zijn dat groepjes jongeren iemand doodschoppen en dat daarvoor dan niemand verantwoordelijk is?

Het onbegrip over het Tjoelker-vonnis is groot. Leijten betoogde in deze krant (8 januari) dat de rechter ondanks de publieke verontwaardiging de belangen van de verdachte terecht heeft laten prevaleren. Maar hoe lang duurt het dan nog, vroeg Hofland zich eerder af, dat het publiek ermee instemt als het slachtoffer zelf ertoe overgaat zijn aanvaller te lynchen? De criminoloog Hoefnagels voegde daar in de Volkskrant (10 januari) aan toe: kan de rechter zijn bezwaar tegen eigenrichting nog wel legitimeren als de politie het, zoals in de Groningse Oosterparkwijk, laat afweten?

De maatschappelijke druk op het strafrecht neemt toe. Toch zijn de mogelijkheden van het strafrecht beperkt. Volgens vele geleerde rapporten 'helpt' het strafrecht niet. Daarmee wordt doorgaans bedoeld dat zwaardere straffen niet leiden tot minder criminaliteit. Internationale statistieken tonen dat aan. Ook de Nederlandse situatie bewijst dat. Want ondanks de hogere straffen neemt het geweld onder jongeren niet af.

Maar er is met het strafrecht nog iets anders aan de hand wat wetenschappelijke statistieken moeilijk boven tafel kunnen krijgen. Het gaat dan om de werkelijke kracht van het strafrecht die in een samenleving onzichtbaar maar onmiskenbaar zijn werk doet. Het meest effectieve middel om ervoor te zorgen dat mensen zich aan de wet houden, ligt in het vertrouwen dat zij hebben in de manier waarop het strafrechtsysteem functioneert.

In een zojuist gepubliceerd Leids onderzoek is dat nog eens bevestigd: een negatief oordeel van burgers over het strafrechtsysteem - en dan vooral onvrede over het functioneren van de politie - kan inderdaad normvervaging in de hand werken. Ontevreden burgers schatten de pakkans lager in, zijn eerder geneigd de wet te overtreden, overtreden de wet ook vaker en staan in het algemeen minder afkeurend tegenover normovertredend gedrag van anderen.

Als premier Kok het recente straatgeweld een symptoom noemt van algehele normvervaging, dan is meteen duidelijk wat er moet gebeuren: de overheid dient na te gaan waarom de burger ontevreden is over het functioneren van het rechtssysteem en hoe het verloren vertrouwen onder de burgers kan worden herwonnen.

Die vraag voert ons terug naar de meest primaire functie van het strafrecht: die van de normbevestiging. Daadwerkelijke handhaving van het strafrecht - door een aanwezige politie en een aansprekende bestraffing - scherpt de norm in het rechtsbewustzijn van burgers aan. Zichtbare rechtshandhaving versterkt het vertrouwen van burgers in de overheid die de norm moet handhaven. In die zin 'helpt' het strafrecht dus wel.

Wat betekent dit nu voor de hoogte van de straffen? Waarop moet de overheid zich richten? Op het rechtsgevoel van de meerderheid van de Nederlandse bevolking, ook als die (zoals nu het geval is) zelfs voor invoering van de doodstraf blijkt te zijn? Nee, in het strafrecht geeft de meerderheid nooit de doorslag. Het gaat tenslotte in het strafrecht ook nog om andere waarden die de overheid heeft te behartigen, zoals rechtsgelijkheid in de bejegening, humaniteit in de bestrafffing, rechtvaardigheid in de juridische beslissing en eerlijkheid in de procesvoering. Die waarden lenen zich niet voor het gemak van het grote getal.

Dat het strafrecht ook nog een andere kant heeft, blijkt pas goed als de burger zelf met het strafrecht te maken krijgt. Op heel wat verjaardagsfeestjes wordt grote verontwaardiging uitgesproken over het onrecht dat iemand is aangedaan doordat hij in het verkeer weer eens een bekeuring heeft gekregen. Dan blijkt de burger ineens erg solidair met de verdachte te zijn. En dan hebben we het nog niet eens over gevangenisstraf.

Het rechtsgevoel blijkt dus erg wispelturig. Welke maat moet de overheid dan als uitgangspunt nemen? De wetgever brengt in het wettelijke strafmaximum de algemene ernst van het delict tot uitdrukking, de politie probeert bij een gepleegd delict zoveel mogelijk bewijs te verzamelen, het openbaar ministerie bepaalt wat aan de rechter wordt voorgelegd en uiteindelijk beslist de rechter in onafhankelijkheid of de verdachte wordt veroordeeld en, zo ja, tot welke straf. Ieder overheidsorgaan heeft dus zijn eigen oriëntatiepunt. Dat bepaalt het spectrum van de straftoemeting.

In dit stelsel van op elkaar volgende en uitdunnende verantwoordelijkheden neemt het openbaar ministerie een regiefunctie in: het moet leiding geven aan een zo goed mogelijk onderzoek door de politie, eventueel met inschakeling van speciale deskundigen, en op basis daarvan een keuze maken in datgene wat het aan de rechter zal presenteren. Daar wringt in de Tjoelker-zaak al meteen de schoen.

Want ondanks de uitleg die het Leeuwarder parket heeft gegeven, blijft toch de vraag waarom het openbaar ministerie, gelet op de bewijsproblemen in deze zaak, zo zuinig is geweest met het aan de rechter voorleggen van andere tenlasteleggingen. De ernst en het groepskarakter van wat gebeurd is rechtvaardigden een ruimere selectie van alternatieven, ook al bestond er tevoren twijfel over het succes daarvan. Twijfel is nog geen reden om de beoordelingsruimte van de rechter te beperken. Om dit probleem op te lossen is in elk geval geen wetswijziging nodig.

Daarnaast lijkt ook de rechter niet geheel vrijuit te gaan. Want ondanks de beperking in het karakter van de tenlastegelegde en de bewezen verklaarde geweldpleging, had de rechter zwaarder kunnen straffen (tot 4 jaar en zes maanden). De rechtbank wekt nu in haar vonnis de indruk dat zij wel erg nadrukkelijk afstand heeft genomen van de publieke verontwaardiging. Natuurlijk mag de rechter zich nooit daarmee vereenzelvigen - dan kan de rechterlijke macht net zo goed worden afgeschaft - maar hij dient er in zijn beslissing wel degelijk rekening mee te houden. Ook daarvoor hoeft de wet niet te worden gewijzigd.

Kritiek op de rechter is altijd precair, omdat het op afstand moeilijk is te oordelen over hetgeen in het vooronderzoek en op de zitting is voorgevallen. Als een straf echter opvallend de aansluiting lijkt te missen met hetgeen in een rechtsgemeenschap leeft, is het goed dat de zaak met het oog op een nieuwe beoordeling aan een hogere rechter wordt voorgelegd. Daarbij dienen opnieuw de nadelen van een zwaardere bestraffing - zijn de daders door hun geweten niet reeds tot levenslange gevangenis veroordeeld? - te worden afgewogen tegen de gerechtvaardigde belangen van een grote groep in de samenleving die het vertrouwen in de strafrechtspleging dreigt op te zeggen. Die afweging is niet eenvouding. Maar het strafrecht is ook niet uitgevonden omdat het een makkelijk vak is.

Het nieuwe oordeel zal ook nu weer aan diverse beperkingen onderworpen zijn. Geen enkele straf kan ooit het aangerichte verdriet compenseren. Bovendien zal elke rechter vasthouden aan het uitgangspunt dat niemand zwaarder kan worden gestraft dan door de mate van zijn schuld wordt aangegeven. Ook dat zegt iets over de beperkte mogelijkheden voor de wetgever.

Natuurlijk kan de wetgever de in het strafrecht heilige barrière overschrijden door een collectieve aansprakelijkheid in te voeren. Dat zou een jammerlijke beslissing zijn, maar voor de rechter zou dat weinig uitmaken. Hoe ruimer de wettelijke norm, hoe meer rechters geneigd zijn die beperkt uit te leggen. De relatie tussen schuld en straf kan nooit tot op de laatste vezel worden verbroken.

Wat dient er dan wel te gebeuren? Het tegenwoordige groepsgeweld moet een oorzaak en een oplossing hebben. Men hoeft geen pedagogisch deskundige te zijn om vast te stellen dat het gedrag van jongeren sterk bepaald wordt door de overdracht van normen en waarden. Maar de overdracht van welke normen en waarden? In onze ontzuilde samenleving is het normatieve kader waaraan jongeren zich kunnen spiegelen niet erg coherent en duidelijk.

Jongeren zouden onverschillig zijn, hun leven individualistisch inrichten en te makkelijk gericht zijn op materiële zaken. Van wie zouden ze dat toch hebben? De generatie die haar verworvenheden in de jaren zestig en zeventig heeft bevochten, profiteert er nu zelfzuchtig van. Democratische instellingen, dus ook de inspraak van jongeren, worden links en rechts afgebroken. Het normbesef van de oudere generatie heeft, met het eigenbelang als richtsnoer, voornamelijk een relatie met de stemming op de beurs. Met behulp van agressieve methodes dienen de doelstellingen van een op prestatie gerichte maatschappij te worden gerealiseerd. De schijn van normaliteit die film en video aan 'volwassen' geweld geven, draagt ook niet bij tot matiging van een agressief maatschappijbeeld.

En hoe staat het met het normbesef van de overheid? De normen en waarden van de grote politieke partijen zijn geleidelijk verbasterd tot enkele uniforme en grijze principes die een waarden-loze marktgerichte aanpak van maatschappelijke problemen mogelijk moeten maken. De overheid, die ten opzichte van haar burgers toch een voorbeeldfunctie heeft te vervullen, kan ongestraft strafbare feiten plegen. Zelfs de Hoge Raad vond dat te gortig. Blijkens een recente uitspraak moeten ook (lagere) overheden vervolgd kunnen worden. Intussen gedoogt de overheid dat het een lieve lust is.

De wetenschap dat aan de overdracht van normen en waarden het nodige schort, helpt de politiek op de korte termijn niet veel verder. Daarin zal ook geen verandering komen zolang de overheid de neiging vertoont om jongeren in de beeldvorming voortdurend als een zielloze groep in de hoek te zetten. Eerst worden jongeren ontideologiseerd tot de generatie Nix, vervolgens gemarginaliseerd tot een stel relschoppers en daarna, als ze het durven tegen deze behandeling te demonstreren, massaal als lid van een criminele organisatie afgevoerd. Het is duidelijk wat er gebeurt als de overheid in het strafrecht de beschikking krijgt over de mogelijkheid om in naam van een collectief daderschap tot arrestatie over te gaan.

De uitkomst van de notitie van minister Sorgdrager staat eigenlijk al vast: de wet hoeft niet te worden gewijzigd. Als de overheid in al haar geledingen haar werk goed doet, zijn er binnen de bestaande wetgeving voldoende mogelijkheden om het vertrouwen van burgers in het functioneren van het rechtssysteem vast te houden. Voor snelle en goedkope oplossingen moet men niet bij het strafrecht zijn.