Negers en niggers

De moeilijkste gevoelens zitten soms in kleine hoekjes. Zoals in het artikel van Amerika-correspondent Juurd Eijsvoogel, enkele weken terug, over de première van Quentin Tarantino's film Jackie Brown. Tarantino laat de zwarte boef in zijn film herhaaldelijk het woord 'nigger' in de mond nemen en prominente figuren als Spike Lee hebben daar onmiddellijk bezwaar tegen aangetekend.

Het woord is taboe, al gebruiken zwarte jongeren het wel tegen elkaar, met kameraadschappelijke bedoelingen. Daarom is het gebruik van de term in de film juist zo levensecht, meldt Eijsvoogel, de urban street coolness van het personage wordt erdoor benadrukt. Het bezwaar vindt hij dus overdreven, maar dan komt het slot van zijn verslag: hij zat in een bioscoop in Washington, met een hoofdzakelijk blank publiek. En elke keer als het beladen woord eruit kwam, barstte de zaal in schaterlachen uit. Het gaf hem een ongemakkelijk gevoel, schrijft hij.

Het woord, de lach, het ongemakkelijke gevoel; ze zijn alle drie even raadselachtig. Men kan zich voorstellen dat zwarten geen 'niggers' willen worden genoemd, omdat het ze herinnert aan alles wat hun misdaan is. Slavernij, lynchpartijen in het zuiden, politiemishandelingen in het noorden, racisme in alle uithoeken. Het laten verbieden van het woord is dan een kleine, maar belangrijke overwinning.

In Suriname, herinner ik me, gebruikten de zwarten ook het woord 'neger' niet. In hun eigen taal spraken ze wel van 'nengre', maar in het Nederlands was het altijd keurig 'creool'. Zelfs wij hindoestanen, die geacht werden de zwarten te haten, durfden het woord niet uit te spreken. 'Kafrie', vloekten we als ze ons niet konden horen, maar 'neger'? Nooit. Pas toen de creolen naar Nederland kwamen werden ze hier aangesproken als 'neger' en dat schokte hen zo dat sommigen in navolging van Amerika meteen 'Afro-Surinamers' wilden worden genoemd. Volgens mij zijn ze eerder 'Afro-Nederlanders', maar goed.

Het enige wat ik niet begrijp is waarom in Amerika de zwarte jongeren onderling het woord wel mogen gebruiken. Het is alsof niet het woord op zichzelf pijnlijk is, maar het pas pijnlijk wordt als iemand van een bepaald ras het uitspreekt. Het is voor blanken verboden, en dat heeft iets onrechtvaardigs. Een scheldwoord is een scheldwoord en het is onlogisch het in het ene geval te horen als een geuzenterm en in het andere als een racistische uitlating. Spike Lee zou het misschien niet denken, maar ook blanken kunnen kameraadschappelijke bedoelingen hebben.

Dan het schaterlachen in de bioscoop in Washington. Het lijkt op een ervaring van de schrijver Stephan Sanders, toen die ergens in Alabama een restaurant binnenliep waar een feestje aan de gang was. Hij zat daar, als enig gekleurd persoon, en een van de aanwezigen vroeg aan het orkestje om het clan-lied Move them niggers north te spelen. De zanger van het orkest bloosde en de gastheer van het feest redde de situatie door een gewone polka te laten spelen. Pas later, nadat Sanders de zaal had verlaten, hoorde hij dat de tonen van het clanlied werden ingezet.

De mentaliteit van de blanken in het zuiden van de Verenigde Staten was niets veranderd, schreef hij naar aanleiding van het voorval, maar hij vroeg zich tegelijk af of dat wel kon en sterker: of dat wel nodig was. Hoe moet je een persoonlijke houding veranderen? Hoe kun je een opvatting die eeuwen lang van generatie op generatie is overgedragen in één klap uitroeien? Geen ingreep, geen gedragstherapie en geen lobotomie zal een nieuwe mens creëren die vrij is van vooroordelen en waanideeën. Het enige waarom je kunt vragen is een beetje zelfbeheersing. En dat werd in het restaurant in Alabama inderdaad opgebracht. Men had de beleefdheid te wachten totdat de 'nigger' vertrokken was, alvorens hem te beledigen. Het was geen geweldig offer, noteerde Stephan, maar het volstond. Meer moest je niet eisen.

Deze redenering gaat uit van een onderscheid tussen een persoonlijke en een publieke sfeer, in de trant van: doe in eigen kring wat je wilt, als je je in het openbaar maar gedraagt. Die eigen kring moet zo ruim, vrij en onaantastbaar mogelijk zijn, opdat het openbare leven gevrijwaard blijft van onbetamelijkheden.

Het lastige is alleen dat dat onderscheid niet altijd even strikt is: een restaurant of een bioscoop gaat niet ineens tot het privé-domein behoren omdat er toevallig alleen blanken aanwezig zijn. Bovendien schrijft Eijsvoogel dat in de bioscoop in Washington 'hoofdzakelijk' blanken waren. Wie waren de anderen? Al zat er maar één zwarte in de zaal, dan nog was er een minimale beleefdheidsgrens overschreden - zoals je in een gezelschap geen Nederlands blijft spreken als er ook een Engelsman bij staat.

Maar Eijsvoogel gaat in feite een stap verder: zelfs als er uitsluitend blanken in de bioscoop waren geweest, was het niet gepast om zo te schaterlachen bij het horen van het racistische scheldwoord. Hij was er toch? Waarom maakte men het hem zo ongemakkelijk, waarom werd er geen rekening met zijn gevoelens gehouden? Ook al kon men niet aan hem zien dat hij ervoor koos zich buiten de joelende meute te plaatsen, hij had er recht op. Hij weigerde zich te laten rekenen tot de 'eigen kring' die om hem heen werd gevormd, hij bedankte voor de hartelijke eensgezindheid, hij verstoorde de gezelligheid door ongemakkelijk voor zich uit te blijven kijken; het was allemaal zijn goed recht.

Hiermee komt de gedachtegang van Sanders in een ander licht te staan. Want hij gaat er stilzwijgend van uit dat al die blanken in het restaurant in Alabama het maar best vonden dat er clan-liederen werden gezongen en dat men alleen hèm als kleurling niet openlijk had willen kwetsen. Maar er had een Juurd Eijsvoogel in dat restaurant kunnen zijn, zoals hij ook in de bioscoop in Washington ongemakkelijk had zitten wezen. We zouden het misschien niet denken, maar ook blanken kunnen zich gekwetst voelen.