Middelmatig niveau op zesde editie van Internationaal Choreografen Concours; Dansende armen en handen zijn in de mode

GRONINGEN, 12 JAN. De eerste prijs van het Internationaal Choreografen Concours 1998 in Groningen is toegekend aan de Hongaarse Galina Borissova voor haar werk Never Ending Story. Ze wordt door deze prijs in staat gesteld in 1998 een choreografie te maken, onderzoek te verrichten, een studie te volgen of haar werk te laten registreren. De tweede prijs (ƒ 5000,-) van deze zesde editie van het concours ging naar de Deense Karen-Margrethe Jensen voor En Postmodernistik Folkedans.

Veertien werken van choreografen uit tien landen vulden zaterdag de twee voorstellingen voorafgaande aan de finale, die zondagavond werd gehouden. Ze waren door een internationale commissie geselecteerd uit 105 inzendingen.

Het niveau van de selecties was middelmatig en de toekenning van de tweede prijs aan de Deense choreografe zelfs onbegrijpelijk. Toch is en blijft het interessant om in een kort tijdsbestek te kunnen zien waar hedendaagse choreografen uit verschillende Europese landen mee bezig zijn en hoe ze aan hun ideeën vorm geven. En een plezierige bijkomstigheid is, dat de werken beslist niet langer dan twaalf minuten mogen zijn!

Dit jaar viel op hoeveel er gewerkt wordt met grillige, geïsoleerde bewegingen, waarvan het leeuwendeel voor rekening van armen en handen komt,; dat er in half duister gedanst wordt of in lichtbundels die niet het totale lichaam laten zien en dat een fragmentarische aanpak voorkeur heeft. Zelden is er sprake van een compositorische opbouw met een duidelijke lijn van begin naar eind. Muziek lijkt in de meeste gevallen een decoratieve functie te hebben en zeker geen inspirerende bron te zijn geweest.

Voorbij is de tijd van zwarte flodderige kostuums, grove stevige stappers , hooggehakte pumps en De Keersmaeker-zwaaien en -vallen. Eenzaamheid en gebrek aan communicatie zijn de voornaamste thema's. Althans van deze veertien geselecteerden. Het maakt dan weer nieuwsgierig naar wat die andere 91 choreografen te vertellen hadden.

Een ander opvallend element in dit concours is dat er veel bewogen wordt maar heel weinig gedanst en dat er nauwelijks melodische lijnen gebruikt of gevolgd wordt, hoeveel die ruggen en torzo's ook golven en draaien. Een aantal deelnemers toonde een fragment uit een door hen gemaakte avondvullende productie en ook daaruit valt een artistieke visie af te lezen: hoe presenteer je dat fragment als een zelfstandige eenheid?

De uit Bulgarije afkomstige Galina Borissova, eerste prijs-winnares, gaf een goed antwoord op die vraag met haar Never ending story, waarin ze met precieuze, bijna schuwe en onhandige bewegingen in een compacte opbouw een sfeer weet op te roepen van een benauwende over-gereguleerde maatschappy waarin het individu zich met kleine vrijheden tevergeefs tracht te profileren. Istvan Juhos uit Hongarije kwam met zijn tengere partner Panje Fladerer met een sober, sfeervol en sterk uitgevoerd duet, CSendes Dal (Stil Lied), dat hem de publieksprijs (f.2500.-) opleverde en Willi Dorner (Oostenrijk) maakte een interessant mannenduet, Intertwinning, met als goed uitgewerkt thema het onontkoombare spiegelbeeld dat zo vaak niet weergeeft wat je zou willen.

Terecht werden ook deze laatste twee choreografen door de jury - Andrea Leine en Henk van der Meulen (Nederland), Sasha Walz (Duitsland), Helena Katz ( Brazilie), Simon Dove (Groot Brittannië), onder voorzitterschap van Carel Alphenaar - tot de finale toegelaten. Heel wat minder terecht vond ik de keuze voor Frauke Havemanns (Duitsland) Tripping on the tongue, gedateerd, theatraal gedoe dat flink tegen Pina Bausch aanleunt maar niet in staat is over te brengen wat verteld wil worden.

Ook het in opzet wel aardige, maar in de uitwerking zo povere en in herhalingen vallende van de Deense Karen-Margrethe Jensen was met de net niet leuke knullige hupsjes en klapjes in mijn ogen geen finaleplaats waard. De prijstoekenning stemt dan ook verdrietig. Maar het meest onbegrijpelijk vond ik de keuze voor Rock 'n Roll van de uit Kroatië afkomstige, als mimer opgeleide Emil Matesic, een onopwindend nachtcubnummer met twee heren en éen, later twee dames, die vastgenageld op hun plaats hun ontblote bovenlichamen zonder enige variatie laten zwiepen en kronkelen. Aldus verwijzend naar martelaarschap en extase, eindigend met de mannen in de houding van een Pieta, liggend in de schoot van de vrouwen. Een werk dat de naam choreografie niet verdient en niet eens tot de voorrondes had moeten worden toegelaten.

Datzelfde gold voor de bijdrage van de uit Groot-Brittannië afkomstige Maria Castilho die een hysterisch stuk presenteerde dat helemaal niets met dans van doen had.

Er waren betere kandidaten voor een finaleplaats: Christine & Gilles Schamber (Frankrijk) met een bescheiden maar boeiend, heel goed opgebouwd en uitgevoerd duet (Die Fahrt) of het speelse, zich op en rond een sofa afspelende Things from Above, van het Oostenrijkse paar Roderich Madl en Doris Ebner. Ook het razendsnelle benenwerk van Marguerite Donlon in haar pretentieloze choreografie We three Sheep had in de finale niet misstaan. Hoog scoorde bij mij het gelukkig wel tot de finale toegelaten Quartert van de bij Scapino Rotterdam werkende Ederson Rodrigues Xavier. Het is zijn eerste choreografie - gemaakt voor de Scapino workshop. Er wordt een grote variatie aan beweging gebruikt, er zijn dynamische verschillen, er is een nauwe samenhang met de muziek van John Cage en hij weet de ruimte goed te verdelen. Voor mij een potentiële prijswinnaar.De jury besliste anders.