Het heile zauitje op dictei

Eerst waren het de Clichémannetjes en daarna de Vrije Jongens van Van Kooten en De Bie die het plat Haags landelijk populair maakten. De Nederlandse jeugd probeerde het, tot in Friesland toe, te imiteren, meestal zonder veel succes. Vooral die gifgroene ui's en ij's kunnen er alleen goed uitkomen bij een geboren en getogen Hagenaar.

Zelfs de prinsen maakten er ten paleize een spogt van, tot ongenoegen van de kaunegin. Ze staken met hun taaltje naar verluidt de ergste lakei naar de kroon.

De fakkel van Jacobse en Van Es is enkele jaren geleden overgenomen door Haagse Harry, de inmiddels populaire stripfiguur van Marnix Rueb. Afkomstig uit het hoog-Haagse Benoordenhout kwam deze tekenaar in de Schilderswijk te wonen, waar hij zijn oren en ogen goed openhield. Het resulteerde in zijn held Haagse Harry, een rondborstige, snel aangebrande bolle Haagse jongen in glinsterpak die elke denkbare situatie te baat nam om zijn in een apart taaltje gegoten verontwaardiging uit te braken. Rueb stond met zijn strip voor de noodzaak de taal fonetisch weer te geven. Hij kon daarbij steunen op een populair boekje 'Kèk mè nåh' dat in 1985 was verschenen van de hand van twee Hagenaars die in Leiden op het onderwerp plat Haags waren afgestudeerd. De strips verschenen aanvankelijk in het uitgaansblad Doen. Ze werden al gauw zo populair dat nieuwe afleveringen op dringend verzoek direct werden gefaxt naar Hagenaars, verspreid over de wereld. Toen de strips werden gebundeld stond men er letterlijk voor in de rij. De twee afleveringen hebben ieder een oplage bereikt van boven de honderdduizend.

Het plat Haags is opnieuw een cult geworden, afgelopen zaterdag culminerend in het Haags dictei, waar in de Nieuwe Kerk aan het Spui bijna driehonderd mensen meededen. Organisator was de performer Sjaak Bral, die via gesproken columns op Radio West, hoorspelen en cabaretvoorstellingen het taaltje exploiteert. De bedoeling was een schriftelijke toets van het Haags met als Groene Boekje het taaltje van Rueb annex Haagse Harry. Toute La Haye, of liever 'het heile zauitje', was erop afgekomen, inclusief een enkel Kamerlid en een paar wethouders. Van Kooten en De Bie en Paul van Vliet, mensen aan wie het plat Haags zoveel te danken heeft - en andersom - kwamen niet opdagen, evenmin als Philip Freriks, die als geen ander weet dat dictees opgeven gemakkelijker is dan ze zelf maken. Persoonlijk leek het mij een goede gelegenheid me te revancheren voor de smadelijke dertig fouten van het laatste Groot Dictee. Heb ik als jongen niet jarenlang op straat gevoetbald en hebben onze knechten - een woord dat toen nog mocht - mij niet als kind vaak de oren doen klapperen met hun taaltje? Hier mócht ik niet alleen fouten maken, nee het moest. Enige bestudering van de bundels moest alles bijeen een voldoende basis zijn. Alhoewel, wij Hagenaars zijn volgens Bart Chabot in staat “een tram de rails uit te lullen, maar hoe schrijf je het?”

Rueb was op wintåhspogt maar een afbeelding van Haagse Harry stond op de kansel. We kregen het gelijk van dicteeër Bral voor onze kiezen: “Begtus, een hageneis, ging zau blâh as een dùinkaunèn naah het Èspelès om te solliciterûh.” Zo luidde de zin die zoals het hier staat moest worden opgeschreven. Plat Haags: voor menige Nederlander moet het vreemder voorkomen dan Swahili, zelfs als men zou weten dat met IJspaleis het nieuwe stadhuis wordt bedoeld.

Het werd wel netjes gehouden. Er werd door Begtus in de kerk slechts matig gevloekt (“Ik la me ège nie afzèke”, “Krèg ma 'n vet hagt” en “ut zal me de båht haggele, schåhtmajoâh, båhtebak”) zodat de Bond tegen het Vloeken, die eerder geprotesteerd heeft tegen de 'God-onterende uitlatingen' van Harry, zich stil kan houden.

Bij de uitslag bleek dat plat Haags nog moeilijker is dan gewoon Nederlands. De voorlopige indruk van de jury was dat er gemiddeld niet minder dan zo'n honderd fouten waren gemaakt. Zelfs de winnares, Cathalijne Dommerholt, had er meer dan twintig. Twee van de drie prijswinnaars waren vroegere buurmeisjes, uit de Emmastraat in het Bezuidenhout. Dat is toch een zeer nette straat. Al is het maar omdat ik er woon.