Gloeiende lava en spreuken van as

Raster nr. 80 'In den beginne'. Uitg. De Bezige Bij, prijs ƒ 29,50; jaarabonnement (4 nrs.) ƒ 87,50

De bijbel. “Waarom zit daar raadselachtig in het midden van onze culturele erfenis dat kolossale, vormloze, tactloze boek, en waarom kan men er niet om heen?” schreef Northrop Frye. Nicolaas Matsier citeert hem in het laatste nummer van Raster dat 'In den beginne' heet en vrijwel geheel aan de bijbel gewijd is, dat wil zeggen, aan het boek dat de bijbel is, niet aan het geloof dat eraan verbonden is. Raster doet voor de gelegenheid alsof we hier gewoon met literatuur te maken hebben en verder niets. Dat is een manmoedige poging, want er kleeft zoveel theologie aan dit boek, zoveel leestraditie, dat de tekst zelf, als literair werk, niet altijd meer zo makkelijk te zien is.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit het soort moeilijkheden die de vertalers ondervinden van de op handen zijnde Nieuwe Bijbelvertaling voor het Nederlands taalgebied, een project dat in 2002 afgerond moet worden. Arend-Jan Bolhuis, neerlandicus en Kees Verdegaal, hebraïcus, praten over hun vertaling van Prediker, een bijbelboek dat nu, in plaats van met het beroemde 'ijdelheid der ijdelheden', zo begint: “Lucht en leegte, zegt Prediker, lucht en leegte, alles is maar leegte.”

“Mijn allereerste vertaling,” vertelt Verdegaal, “had als weergave '(v)luchtigheid der (v)luchtigheden'. (-) Dat deed ik juist om die dubbele betekenis, die toch elke keer weer beoogd wordt bij Prediker, weer te geven.” Zijn collega, die als taak heeft de letterlijke vertaling uit het Hebreeuws in levend Nederlands om te zetten, vertelt dat hij niet de bedoeling had om zo'n traditionele vertaling als 'ijdelheid der ijdelheden' te vervangen. Maar dat hij zich daartoe wel gedwongen zag: “het past namelijk niet bij die hele reeks natuurbeelden in Prediker - waar het bij hoort”.

Het lijkt misschien weinig, lucht en leegte, maar het is een grote stap, want de bijbel is zo vaak vertaald dat er een zekere overgevoeligheid is ontstaan ten aanzien van elke nieuwe vertaling. Moet Prediker bij voorbeeld Prediker blijven heten? Of De Wijze, of De Spreker of zelfs Kohelet, de letterlijke Hebreeuwse naam? Welke mate van gemeenzaamheid is toegestaan tussen mensen onderling of tussen mensen en God? Moet men duisterheden duister laten óf aannemen, zoals de vertalers doen, dat het origineel voor de oorspronkelijke lezers geen onduidelijkheden bevatte maar herkenbare metaforen of eufemismen gebruikte en dat er dus vergelijkbare Nederlandse uitdrukkingen gebruikt moeten worden.

Het gesprek met deze heren is technisch-inhoudelijk, zoals ook het leerzame stuk van Jan Fokkelman, eveneens hebraïcus, over de poëzie in het Oude Testament. Dat stuk gaat niet over betekenis en schoonheid, het gaat over vormgevingsprincipes in de klassieke Hebreeuwse poëzie.

Elders in Raster staan veel minder technische stukken. De reeks stukken die Nicolaas Matsier op de achterpagina van deze krant over Genesis schreef, is erin opgenomen en verschillende dichters en schrijvers laten zich uit over een bepaalde passage of een bepaald bijbelboek. Dat doen ze soms kritisch, soms inlevend, soms buitengewoon grappig, zoals Tonnus Oosterhoff die zich het verhaal van Jakobs gevecht met de engel verkeerd herinnert maar wel nog goed weet hoe hij er als kind tegenaan keek: “Waarom vochten ze eerst een hele nacht en raakte de engel toen pas de heup? Had Jakob zijn heup zo goed weg weten te houden? Ik stelde me een soort duw- en trekpartij met de kont naar achteren voor. Maar dan had de engel toch makkelijk iets anders kunnen ontwrichten?”

Schitterend is het stuk van Sem Dresden over het boek Job. Hij heeft het over de onbereikbaarheid van Job in zijn ellende, hoe de woorden van zijn vrienden voor hem als 'spreuken van as' zijn geworden: “Ook al zou hij vroeger zelf net zo gedacht en gehandeld hebben, binnen de algehele onttakeling waarin hij nu verkeert hebben erkende maar niet doorleefde opvattingen geen vat meer op zijn gesteldheid.” Job is zo wanhopig en ellendig dat hij niet meer de orde der dingen aanvaarden kan “zijn woorden komen als gloeiende lava voort uit een naakt bestaan”. Job wil de zin van zijn lijden vinden, maar op die vraag is geen antwoord. “Misschien,” schrijft Dresden, “is Job als een symbool voor ieder individu dat zijn aardse werk serieus verricht maar dat ook deelgenoot blijkt in een hoger en ernstiger spel dat hem ontgaat en onbekend blijft maar waarvan hij het bestaan desondanks vermoedt.” De enige mogelijkheid tot zin geven die Dresden ziet is gelegen in de literatuur die “ dat elke keer opnieuw en op andere wijze” mogelijk maakt.