Claude Wathey (1926 - 1998); Absoluut vorst

DEN HAAG, 12 JAN. Bewondering zowel als felle kritiek oogstte de gisteren overleden oud-politicus 'Claude' (Albert Claudius) Wathey gedurende zijn lange politieke loopbaan op het Antilliaanse eiland Sint Maarten.

Meer dan veertig jaar beheerste hij achter de schermen als een ongekroonde maar absolute vorst het bestuur van 'zijn' eiland tot 1995. Op 71-jarige leeftijd bezweek hij gisteren aan een hartaanval.

In 1950 ging de Methodist Wathey al de lokale politiek in toen het Nederlandse deel van Sint Maarten nog maar 1.500 inwoners telde. Wathey was een van de weinige blanken onder hen. Het Bovenwindse eiland was een oase van rust en telde slechts één eenvoudig houten hotelletje. Vandaag staan er vele tientallen hotels en appartementencomplexen en leeft het eiland met zijn veertig witte strandbaaien van het toerisme.

Wathey was de zoon van een rijke ondernemer en erfde van zijn vader grote belangen in de olie-import, de scheepvaart, een verzekeringsbedrijf en reparatiebedrijven. Toen het toerisme goed ging lopen, zette hij zelf een reisbureau op.

Wathey regelde vaak persoonlijk en zonder rompslomp de bouwvergunningen voor ondernemers die snel een hotel of winkel wilden beginnen. Veelal ging het om Amerikaanse ondernemers, van wie Henry Ford II een van de eerste was. Sint Maarten was aantrekkelijk voor investeerders, want belasting werd er nauwelijks betaald.

In 1951 begon Wathey met een afdeling van de Democratische Partij (DP) , een politieke groepering die op Curaçao, het hoofdeiland van de Antillen, een behoorlijke invloed had maar die op Sint Maarten een marginaal bestaan leidde. Tientallen jaren was Wathey zo populair dat de DP bij verkiezingen telkens de meerderheid verwierf en de beste posten in het eilandbestuur bezette. Hij was een actief beoefenaar, zoniet de uitvinder van het 'cliëntelisme': met financiële bijdragen en cadeautjes als een ijskast, ee stofzuiger of een airconditioning wist hij de kiezers aan zich te binden.

Meestal was Wathey behalve lid van de Eilandsraad en lid van de Antilliaanse Staten (parlement) ook adviseur van het Bestuurscollege van Sint Maarten en enkele malen ook gedeputeerde (wethouder). Pas in de jaren '80 veranderde het politieke klimaat en kregen oppositiepartijen een kans.

In de landspolitiek was Wathey gevreesd, want bij kabinetsformaties wist hij een sleutelrol te spelen en zijn positie als coalitiepartner met vaak één of enkele ministers in de Antilliaanse regering goed uit te buiten. Als Wathey ontevreden werd, dreigde er gevaar voor het zittende kabinet.

Op Sint Maarten werd geen enkel belangrijk besluit buiten hem om genomen en oppositie duldde hij niet. Van Nederlandse invloed op de Antilliaanse politiek en op het bestuur van Sint Maarten moest hij niets hebben. Tot verdriet van Haagse politici koketteerde hij herhaaldelijk met de onafhankelijkheid.

Ook de Antilliaanse regering en invloedrijke particuliere ondernemers op Sint Maarten zagen daar niets in. Begin jaren '90 werd zijn machtspolitiek hem fataal. Toen bleek dat hij gesjoemeld had met grote projecten op zijn eiland, zoals de uitbreiding van de haven en vernieuwing van het vliegveld. Italiaanse aannemers hadden opdrachten gekregen met geheime financiële transacties.

Wathey belandde op zijn oude dag in de gevangenis op Curaçao en uiteindelijk werd hij voor corruptie veroordeeld tot 18 maanden cel, een straf die in hoger beroep werd bevestigd.

Een gratieverzoek bij de gouverneur van de Antillen liep nog toen hij gisteren overleed.