Begin bij de buurt

WAT ZOU ER IN de Groningse Oosterparkwijk zijn gebeurd als Rooie Gerrit niet was weggegaan? Het is een vraag die niet geheel zonder betekenis is. Sinds het vertrek van deze jeugdleider is het klimaat in de buurt verslechterd, zo bleek uit een reportage in de krant van afgelopen zaterdag. Vroeger kon je hem bellen als je klachten had, tegenwoordig is de Jeugdontmoetingsplaats waar hij de scepter zwaaide een centrum van onrust.

Het is maar een klein feit, en het verbleekt bij alles wat bekend is geworden over het falende overleg tussen de burgemeester, de korpschef en de hoofdofficier in Groningen. Maar de oudejaarsrellen in de Oosterparkwijk vestigen er nog eens de aandacht op hoe cruciaal de kwaliteit van het sociale weefsel is dat wij wijk of buurt noemen. De buurt is het eerste dat de burger van de samenleving merkt als hij de buitendeur achter zich dichttrekt, en voor te veel mensen is dat steeds weer een harde confrontatie. Staat mijn fiets er nog? Is de vuilnis opgehaald? Ken ik de buren? Voel ik mij veilig? Het zijn vragen die voor veel mensen bepalend zijn voor welbevinden en levensgeluk. En als te veel van die vragen met nee moeten worden beantwoord, als te veel mensen elkaar niet kennen, als niemand zich verantwoordelijk voelt, als drugsdealers en tasjesdieven de dienst uitmaken en als de bewoners alleen nog maar willen verhuizen, dan is een buurt een hel geworden en heeft het woord samenleving een cynische bijklank gekregen.

IN DE SPECIALE bijlage over buurten die deze krant een maand geleden publiceerde, en ook in de reportages die naar aanleiding daarvan zijn gemaakt, is die grote betekenis van de onmiddellijke leefomgeving nog eens naar voren gekomen. Tegelijkertijd is ook weer eens duidelijk geworden hoe doorslaggevend de rol is van de instellingen en personen die de buurt tot werkterrein hebben. Het zijn woningbouwverenigingen, sportclubs en wijkcentra, maar ook leiders van jeugdontmoetingsplaatsen, maatschappelijk werkers, huismeesters, wijkagenten en stadswachten.

Er is heel wat gewonnen als een woningbouwvereniging haar sociale taak serieus neemt, renoveert en herstelt waar dat nodig is en in samenspraak met de huismeester de bewoners aanspreekt op hun gedrag. En er kan heel wat verbeteren als wijkagenten en maatschappelijk werkers contact zoeken met de jeugd, als ze namen kennen en als ze proberen een verstandhouding met de jongeren op te bouwen. Steeds weer blijkt dat op individueel niveau best wat met lastige bewoners of met reltrappende jeugd te bereiken valt. Samenhang of solidariteit zal in veel gevallen een illusie blijven, maar het ontstaan van een sociaal netwerk, van een patroon van relaties en informele verantwoordelijkheden, kan voor een buurt het verschil tussen dag en nacht uitmaken.

IN HET POLITIEKE debat komen buurten vooral ter sprake als het ergens flink mis gaat. En meestal vervullen ze daar een rol als decor. Als plaatsbepaling van het burgerlijk ongenoegen, of als toelichting bij pleidooien voor een herziening van de Politiewet. Maar de buurten verdienen meer, ze zijn misschien wel de belangrijkste aangrijpingspunten voor sociaal beleid. 't Is waar, erg glamorous zal dat beleid nooit zijn en verkiezingen worden er niet mee gewonnen. De strijd tegen het verval is taai, hij moet op vele fronten worden gevoerd en hij wordt bovendien nooit beslecht. Maar de overheid - gemeente, deelgemeente of minister - die woningbouwverenigingen steunt, wijkagenten aanstelt en met de jongeren in gesprek probeert te komen, kan zich vleien met de gedachte dat zij werkelijk bijdraagt aan een betere samenleving.