Wintergezeik

De winterstop moet ooit uitgevonden zijn door religieuzen. Het zijn weken van een behaaglijke stilte. Geen geknetter van dialoogjes, geen salvo's van misverstanden, geen gehannes met transfers en contracten. Nu pas besef ik dat voetbal ook de sport van de kakofonie is. Gedoe te land, ter zee en in de lucht. Stront en lawaai.

Het land is oneindig stiller geworden. Alsof het is teruggegeven aan de koekjestrommel op zondag. De treinen rijden fluitend door het landschap, de weilanden zijn weer van de koeien, en voor het eerst sinds lang gaat het in Studio Sport eens niet over geld. Voetballoos en intens gelukkig. Zelfs de hooligans lijken bedwelmd in hun interactieve eenzaamheid.

We zijn even van het agressieve gekakel af. Voetbal, zo merk ik nu, leidt tot ruige linguïstiek. Andere sporten hebben dat veel minder. Schaatsers denken in tijden, niet in woorden. Schakers zijn zo ingetogen dat ze zelfs het kuchen hebben verleerd. Van Karpov kan ik mij geen menselijk geluid herinneren. Zwemmers en zwemsters juichen nog steeds iets te uitbundig, maar Perth is de andere kant van de wereld. Ze doen maar. Bovendien, zij zomeren en wij miezeren - mensen vallen samen met het weer, daar kan geen satelliet tegenop. De bobo's zijn op wintersport, hun ruzies en statusgevechten zijn ook even aan het landelijke oog en oor onttrokken.

Kijken naar schaatsen, zwemmen, schaken is leven op het ritme van een ansicht. Ik voel me dan zo ontlichaamd. Alsof ik in een mis met drie Heren zit te luisteren naar het Requiem van Mozart. Rintje Ritsma: ik weet dat hij groot en sterk is, van snelle auto's houdt en zich ook dagelijks moet scheren, maar de naklank van zijn naam blijft angeliek. Zo doods als een versleten hengel.

Marathonzwemster Edith van Dijk stond gisteren in deze krant te juichen voor haar zilveren medaille op de vijf kilometer. Aan haar spieren, oksels en dijen kon je zien dat we met een wreed mens te maken hadden. En toch deed ze mij denken aan een uitgewoonde jazz-zangeres in Benidorm. Misschien kwam het door die hoed en die zonnebril. Of meer nog door de rode vlekken in haar gezicht. Te gestempeld door de zon. Te veel zomergeluk. Topsporters horen het wit van de dood in zich te dragen. Dat een enkele homofiele arbiter er zonnebankbruin bijloopt is treurig maar niet ernstig. De schoonheid van Karpov, Ritsma, Zandstra, Ronald de Boer is de skeletachtige melaatsheid die hen tijdens en na de wedstrijd vergezelt. Een gebruinde Joop Zoetemelk zou nooit de wereldkampioen van de nationale verbeelding zijn geworden.

Over verbeelding gesproken. Ik lees dat de zwemmers in Perth vrezen voor de aanwezigheid van haaien. Bedreigd worden door haaien, dat is andere koek dan de hongerklop van Miguel Indurain. Het bericht deed me quasi ter plekke versterven. Je zit lekker aan de open haard te kijken naar Den Haag Vandaag. Mevrouw Borst houdt een verhaal over genetische machteloosheid. De woorden die ze uitspreekt, met hun balsem van jaren, grijze haren en eeuwige wijsheid nemen je mee naar een comateuze schemering. En je voelt en juicht: kwispelend doodgaan, het bestaat, het bestaat. Op datzelfde ogenblik zwemt onze landgenote Edith van Dijk voor de haaien uit. In mijn verbeelding zwem je dan de verschrikkelijkste dood tegemoet.

Lieve Edith, wat ik daarnet schreef over die hoed en die zonnebril en over de Benidorm-flora om je nek neem ik gaarne terug. Het was de cabareteske taal van een sneeuwzwarte lelie op pantoffels. Wintergezeik. Geniet meid van je succes, en meer nog van je overleving. Ik beken schuld. Als het niet door Louis van Gaal, Leo Beenhakker of Dick Advocaat geformuleerd wordt, ontgaat mij meestal de extase van het drama. Gier je medaille uit, daar in Perth, en bedenk dat het triomfantelijke onthaal in Nederland altijd zal lijken op de afgrond voor lelies in de regen.

Misschien komt het niet eens zo ver want onze nationale postbode Barney heeft de halve finale bereikt van het WK darts. En omdat in iedere Nederlander een onvermoeibare caféganger schuilt vrees ik dat Raymond van Barneveld de echte held van deze winter wordt.