WAT, ALS EEN KIND GAAT STERVEN

'DAT EEN KIND doodgaat is vreselijk, maar als een kind wordt doodgezwegen is dat nog veel erger.” Dat mocht haar zoon Peter niet gebeuren, vond Anneke Vriens. “Ik heb hem goed op de wereld gezet, ik wilde hem er ook goed afhelpen. Die taak was me heilig.” Drie jaar geleden overleed Peter aan de gevolgen van een hersentumor.

Twee maal werd hij geopereerd en hij onderging verschillende chemokuren. Tot enkele weken voor zijn dood is Peter naar school gegaan. Soms alleen tot de ochtendpauze, soms alleen de middag. Hij mocht het zelf bepalen. Af en toe nam Peter een snipperdag. “Hij ging heel graag naar school, hij hoorde erbij”, zegt Anneke Vriens. “Hij zat met zijn kale hoofd met het litteken van de operatie in de klas, terwijl het jongetje naast hem een pet op had. Hij vond het heel vanzelfsprekend.” Peter moest ondanks zijn ziekte zo gewoon mogelijk deel uit blijven maken van de groep van leeftijdgenootjes vonden zijn ouders. “Wij wilden dat zijn vertrouwde omgeving in stand bleef, dat gaf hem een gevoel van veiligheid.”

Ook Carla Versteeg, directeur van de Roald Dahlschool in Sliedrecht wilde dat Peter tot het laatst toe, maar ook na zijn dood, bij de schoolbevolking bleef horen. Totdat de groep waarin Peter zat naar de middelbare school ging, stond er een foto van hem in de klas. Soms werd er door een van de kinderen een kaarsje bij aangestoken. Tussen de ouders en de school ontstond tijdens de ziekte van Peter een vruchtbare en hechte samenwerking. Zijn ziekte en dood werden niet doodgezwegen, maar vormden een belangrijke, ingrijpende gebeurtenis. “Dat Peter dood ging was het ergste, maar het was niet eng”, zei een jongetje uit zijn klas toen hij aan het eind van groep acht terugkeek op zijn basisschooltijd.

Dat het ook heel anders kan, hoorde Anneke Vriens regelmatig in het Rotterdamse Sophiakinderziekenhuis waar Peter behandeld werd. Verpleegkundigen en oncologen vertelden soms hartverscheurende verhalen over kankerpatiëntjes die weinig meer van school hoorden of zelfs geheel 'uit beeld verdwenen'. Te griezelig. De medewerkers van het Sophiakinderziekenhuis vroegen aan directeur Versteeg of ze haar nummer mochten doorgeven, zodat ouders en leerkrachten haar konden raadplegen. Een flink aantal basisscholen moet te maken krijgen met ernstige, levensbedreigende ziekten en overlijden van leerlingen. Per jaar wordt alleen al bij ongeveer vierhonderd kinderen de diagnose kanker gesteld.

“Niemand belde, hoewel het Sophiaziekenhuis mijn nummer regelmatig doorgaf. De stap was blijkbaar te groot”, stelt Carla Versteeg vast. Daarom hebben Carla Versteeg en Anneke Vriens samen een boekje geschreven: 'Vandaag neem ik een snipperdag'. Het werd uitgegeven door CPS, een instelling voor onderwijsontwikkeling en -advies. 'Een ervaringsverhaal', zoals ze het zelf noemen. In eerste instantie bedoeld voor leerkrachten en andere onderwijsmedewerkers, maar ook voor ouders is het een heel handzaam verhaal geworden, zo weet Anneke Vriens inmiddels. Versteeg en Vriens willen de boer op met hun verhaal. Voorlichting geven aan scholen en begeleidingsdiensten, teams ondersteunen, workshops geven en ouders informeren op ouderavonden. “Er is veel werk aan de winkel”, zegt Anneke Vriens. “Bovendien helpt het me als ik een positief element kan halen uit Peters dood. Anders is het helemaal zo zinloos geweest.”

Binnen het team van de Roald Dahlschool was directeur Carla Versteeg de contactpersoon voor de ouders van Peter. Haar vertelde ze als eerste dat Peter niet aan epilepsie leed, zoals aanvankelijk werd gedacht, maar een kwaadaardige tumor in zijn hoofd had. Versteeg fungeerde ook als 'beschermer' van de leerkracht bij wie Peter in de klas zat, want die vond het heel moeilijk om met deze emotionele situatie om te gaan. “Ik had zo'n situatie als deze nog nooit eerder meegemaakt”, zegt Carla Versteeg, “maar door goed naar de ouders te luisteren en voortdurend met hen te overleggen wat er gebeuren moest, heb ik achteraf het gevoel dat we het goed gedaan hebben. We moesten het allemaal zelf bedenken. Informatie over situaties als deze was er niet. Daarom hebben we het boekje geschreven.”

Naast de leerprestaties moet de school ook de emotionele ontwikkeling van de leerlingen in de gaten houden, vindt Versteeg. Dat betekent een vanzelfsprekende en zo gewoon mogelijke plek voor een kind dat een ernstige ziekte heeft, maar ook aandacht voor de broertjes en zusjes op school en voor de klasgenootjes die vol vragen zitten en hun verdriet moeten kunnen uiten. “Van de kinderen hebben we zoveel geleerd”, zeggen Carla Versteeg en Anneke Vriens, “ze vinden niks gek.” Ze bewaakten Peters kapstok toen hij onregelmatig op school kwam en kwamen met het idee van een 'Peter-dag', toen hij door zijn ziekte alle leuke evenementen op school moest missen. Speciaal voor hem werd een dag georganiseerd met dingen die hij leuk vond: tennis, bingo en een videofilm. Ze gaven hem een collage met pasfotootjes van alle kinderen uit de klas. Voor zijn begrafenis maakten ze tekeningen en gedichten en lieten ballonnen op. Op zijn verjaardag kwamen ze naar zijn graf waar Anneke Vriens raketjes uitdeelde.

“Kinderen bedenken de prachtigste symbolen en rituelen”, zegt de moeder van Peter, “als volwassenen zijn we dat een beetje kwijtgeraakt.” Peter overleed eind september, maar al voor de zomervakantie hadden de ouders en het schoolhoofd besproken wat er moest gebeuren als Peter in de grote vakantie zou dood gaan. “We maakten een soort draaiboekje”, vertelt schoolhoofd Versteeg. “Daar hebben we toen Peter dood ging veel houvast aan gehad, want op zo'n moment is het allemaal zo emotioneel en zo hectisch.” De ouders wilden dat de klasgenootjes een actieve rol zouden hebben bij de begrafenis. “Ze moesten vrolijke kleren dragen, want daar was Peter dol op”, zegt Anneke Vriens. Met de dominee had ze afgesproken dat hij de dienst zou afstemmen op de kinderen en dat de klasgenootjes bij elkaar zouden blijven tijdens de begrafenis. Ook kwamen er kinderen afscheid nemen toen Peter thuis lag opgebaard. Er lag een boek klaar waar ze in konden tekenen en schrijven.

Op de dag van Peters dood vertelde de leerkracht een verhaal in de klas waaruit de kinderen zelf langzamerhand concludeerden dat Peter was overleden. “Een meisje begon te huilen”, herinnert Versteeg zich nog goed, “ze zei: 'Dit gaat over Peter'. Ook andere kinderen begonnen te huilen. Voor de leerkracht was dit een heel moeilijk moment, maar hij wilde het zelf doen. Hij liet ze praten, vragen stellen en tekenen. Voor de kinderen was het heel prettig om te zien dat wij ook verdrietig waren. Ze hoefden zich niet groot te houden.”

Versteeg belde die dag alle ouders op om te vragen of ze zelf hun kind tussen de middag wilden afhalen. 's Avonds was er een bijeenkomst waar de vaders en moeders werden geïnformeerd over het afscheid van Peter. Ze waren er allemaal en reageerden erg emotioneel. Carla Versteeg: “Sommigen omdat ze Peter goed gekend hadden, anderen uit angst dat hen zelf ooit zoiets zou kunnen overkomen. Een eng sfeertje, erg moeilijk.”

“We stonden als ouders niet alleen”, concludeert Anneke Vriens. “Het team stond open voor onze wensen, ze hadden respect voor ons verdriet.” Ook het zusje van Peter die in een hogere groep zat werd niet vergeten. “Zij kreeg van haar klasgenootjes een lieve brief. Of ze gauw weer naar school kwam en dat ze best mocht huilen, want dat hadden zij zelf ook gedaan.” Directeur Carla Versteeg: “Het is al heel wat waard als de ziekte en de dood van een kind op school besproken worden. Nee, ik ben nooit huiverig geweest, het beheerste me wel.”

'Vandaag neem ik een snipperdag'. ƒ 19,95. Uitgave CPS, tel: 033-4534.344