Schuld en boete

Recente vertalingen van Fjodor Dostojevski's roman over de tragische moordenaar Raskolnikov heten Misdaad en straf, een letterlijke weergave van de Russische titel. De ouderwetse Nederlandse titel, Schuld en boete, vind ik nog altijd mooier. In deze woorden klinkt naar mijn gevoel beter het (christelijke) thema door van de schuldbelijdenis en boetedoening als enige redding voor de door zonden geteisterde menselijke ziel.

Aan de andere kant betekent deze monumentale roman natuurlijk veel meer dan een mooi geformuleerde uitleg van de christelijk moraal. Dostojevski toonde, in een meesterlijke psychologische analyse van zijn hoofdpersoon, aan dat overschrijding van wetten die de één goddelijk en de ander menselijk noemt, onvermijdelijk tot zelfvernietiging leidt. Ontsnapping daaraan is slechts mogelijk door het besef en de delging van de zonde.

Het verhaal gaat dat in de tijd dat de roman verscheen (1866) mensen met stalen zenuwen er ziek van werden en mensen met zwakke zenuwen de lectuur moesten staken.

Wat je ook van de romantische, gekwelde figuur Raskolnikov kunt denken, een burgermannetje was hij niet. Dostojevski's protagonist pleegde zijn dubbele moord op de woekeraarster en haar dochter, met voorbedachten rade, welhaast bij wijze van gedachtenexperiment. Uiteindelijk gaf hij zich vrijwillig aan, uit een diepgevoelde behoefte zijn straf - acht jaar dwangarbeid in Siberië - te ondergaan.

Peter de W. noemt zichzelf een burgermannetje. Hij verscheen dinsdag in NOVA, nadat de rechtbank in Leeuwarden hem wegens openlijke geweldpleging tegen Meindert Tjoelker een straf van twee jaar, waarvan acht maanden voorwaardelijk, had opgelegd: volgens hem eerder te veel dan te weinig. Wat is dan toch de overeenkomst met Raskolnikov?

Wroeging.

Hij is bang, zei hij op de televisie, dat hij de rest van zijn leven te boek zal staan als een van de moordenaars van Tjoelker. In een Dostojevskiaanse setting zou het burgermannetje De W. niet zijn thuisgebleven toen het vonnis werd geveld. Hij zou verschenen zijn in de rechtszaal, het woord hebben gevraagd en van zijn rechters hebben verlangd hem zwaarder te straffen dan met wat miezerige maanden. Je hoeft tenslotte geen diep-christelijke vriendin te hebben, zoals Raskolnikovs Sonja, om te beseffen dat een gerechtvaardigde straf het de dader mogelijk maakt als een gewetensvol mens verder te leven en de last van de schuld te dragen.

Ik weet niet of het wel eens voorkomt dat een veroordeelde zijn rechter om een zwaardere straf vraagt. De rechter zou zich daar niets aan gelegen laten liggen, maar een dergelijk gebaar van wroeging en verzoening had in Leeuwarden de miserabele indruk van de rechtspleging kunnen wegnemen en mogelijk zelfs de in hun rechtsgevoel geschokte nabestaanden van Tjoelker enige verlichting kunnen schenken.

Maar De W., het burgermannetje, dráágt toch geen schuld aan de dood van Tjoelker? Er kón toch geen bewijs worden geleverd van individueel daderschap? En dat bewijs ís toch volgens de Hoge Raad vereist als bij groepsgeweld een dodelijk slachtoffer valt? Een Raskolnikov zou van dergelijke juridische spitsvondigheden niet hebben willen profiteren. Hij zou zijn rechters dat andere juridische adagium in het gezicht hebben geslingerd: Ik was erbij, dus ik ben erbij! Ik heb geschopt, ik heb mijn mededaders niet belet te schoppen, en Tjoelker is dood: daarvoor verdien ik de volle maat van de strafrechtelijke vergelding.

Raskolnikov zou zich niet achter het collectief verschuilen, vermoed ik. Het is logisch dat wegens alle commotie over het milde Leeuwardense vonnis nu de discussie is opgelaaid over de mogelijkheid om medeplegers van groepsgeweld collectief voor de gevolgen aansprakelijk te stellen. De jurisprudentie verlangt individueel bewijs ten aanzien van de gevolgen van groepsgeweld, terwijl het doorgaans feitelijk onmogelijk is na te gaan welk aandeel elke geweldpleger afzonderlijk heeft gehad. Daarom pleiten de PvdA en CDA-fractievoorzitter De Hoop Scheffer voor nieuwe wetgeving.

De rechterlijke macht schrikt er namelijk voor terug de gevolgen van groepsgeweld aan de deelnemers afzonderljk te verwijten. Ook al is de delictsomschrijving van openlijke geweldpleging daar wel voor bedoeld. Nieuwe wetgeving heeft weinig zin, lijkt me, want die zou in de rechtspraak met even grote terughoudendheid kunnen worden uitgelegd als de nu al geldende strafbepalingen.

Die terughoudendheid is op zichzelf begrijpelijk. Collectief daderschap is iets heel griezeligs. Het roept herinneringen op aan bloedwraak, vetes tussen clans, repressailles tegen onschuldige verwanten, zelfs tegen stads- of landgenoten van daders, tegen omstanders. Kortom: collectieve schuld hoort in het arsenaal van de Middeleeuwen of van politiestaten. Individueel daderschap is een kwestie van beschaving.

Allemaal waar, maar het is even waar dat groepen idioten, dronkemannen, zogenaamde voetbalfans, losgeslagen burgermannetjes en randcriminelen een vorm van geweld uitoefenen waartegen afdoende bescherming moet worden geboden. En het is even waar dat wie er zelf voor kiest zich bij een groep of een collectief aan te sluiten, daarmee ook kiest voor de mogelijke gevolgen van het gezamenlijk 'uit de bol gaan'. Waarom zou het behoren tot een groep een vrijbrief moeten zijn voor de consequenties van collectief wangedrag?

Zo beschouwd is het helemaal niet zo'n primitieve gedachte: je was erbij, dus je bent erbij. Het zijn juist gewelddadige burgermannetjes die zich achter het collectief verschuilen. Dat voegt een laffe uitvlucht aan een laffe daad toe - en die uitvlucht wordt gehonoreerd door de rechtspraak.

Pas als de verdwaasde schopper met de gevolgen wordt geconfronteerd, als zijn daad wordt vergolden, de schuld gedelgd, de boete gedaan, de wroeging vertaald in een passende straf, ja dan wordt zo'n groepslid weer een individu met een individueel geweten en een individuele verantwoordelijkheid. Dan kan de Raskolnikov in het burgermannetje opstaan.