Roken tijdens het concert

In de kerstvakantie herlas ik zomaar, ik weet niet waarom, De klop op de deur. Een mooi boek van vroeger.

Dat mooi bleek te zijn gebleven. Nu zijn goede familiekronieken aan mij wel besteed, als ze heldere, kloppende karakterontwikkelingen beschrijven. En die kon mevrouw Boudier geven.

Scherp observerend hoe uit kinderen met een bepaalde aanleg en met door de jaren heen bepaalde ervaringen, in een niet tegen te houden wetmatigheid volwassenen ontstaan in wie het menselijk tekort vele gedaanten aanneemt. Heerszucht, levenangst, bedillerigheid, eenzaamheid, wantrouwen, weemoed, prikkelbaarheid, wispelturigheid, wrok, spot. En ach heden, wat een moed en uithoudingsvermogen zijn nodig als zulke mensen met elkaar samen moeten leven in familie, huwelijk en gezin.

Dat alles zich afspeelt in een zo heel andere tijd - met de nadruk tussen 1870 en 1920 - maakt niets uit. Het verrijkende van literatuur zit niet in een herkenbare werkelijkheid, maar in herkenbare gedragingen en emoties. Dat geldt van Shakespeare tot Jane Austen en van Couperus tot Voskuil.

Dat geldt ook voor Ina Boudier-Bakker. De verbijstering waarmee de ouderen zagen hoe de jongeren zich stortten op de nieuwe sport van het velocipède rijden en hoe handig zij waren met de telefoon vind ik, kijkend naar mijn kleinkinderen, in mezelf weerspiegeld. Die volkomen vanzelfsprekendheid waarmee zij hun interactieve spelletjes zitten te spelen achter de computer. Zelfs die van drie bedient feilloos de muis en ook de tweejarige geeft al aanwijzingen over wat er op het scherm moet gebeuren. Bij hen geen verwondering te bespeuren.

Maar ook als het gaat om belangrijker zaken zijn de breuklijnen tussen generaties vergelijkbaar. Het eerste nummer in 1998 van HP/De Tijd heeft als omslagverhaal het thema De happy homo: “Strijd moeten leveren, gediscrimineerd worden, moeilijk uit de kast komen - de homojongeren van nu weten niet wat het is. Homo zijn is leuk, punt uit, dus waarom zouden ze nog zeuren? [...] Die jaren zeventig potten met benauwde ideeën over hoe een lesbo eruit moest zien.” Het nummer ligt op dezelfde tafel als De Klop te wachten tot ik weer zal gaan lezen.

Op de tentoonstelling 'Vrouwenarbeid' in 1898 spreekt Catharina van Tussenbroek over het ideaal van de nieuwe vrouw, die een vak zal leren en haar eigen brood zal kunnen verdienen. Deftige Truida Leedeboer, wegens haar feminisme in haar milieu een mikpunt van spot, is een van de organisatoren. Tien jaar later is zij toch wat gekrenkt als Mies Melgers opgewekt medicijnen gaat studeren en 's avonds alleen over straat loopt en fietst met haar zusje Jenny. “Ja,” zei Truida, “dat hebben wij tenminste bereikt onder alle spot en schimp: voor het jonge geslacht staan alle wegen thans open.” Maar Mies, Jenny en hun neven en nichten lachten ongelovig dat hun altijd zo hoffelijke grootvader vroeger fel en hatelijk te keer was gegaan tegen suffragettes: “Alleen omdat vrouwen een baantje wilden? [...] Die brave oude juffrouw Leedeboer met haar kort geknipte grijze haren. Mocht dat ook al niet? [...] om je dood te lachen, en altijd maar over dat vrouwenkiesrecht.”

Maar misschien is dat wel het moment waarop emancipatie een feit is, als de nieuwe generatie zich niet langer schatplichtig voelt aan de oudere die het allemaal voor hen heeft bevochten.

Behalve als psychologische roman is De klop op de deur ook boeiend als tijdsbeeld. In de eerste plaats voor Amsterdammers. De verontwaardiging over het dempen van wat nu het Damrak is: “Het schilderachtige Water, wat is er van geworden? Een stoffige, zonnige straat, een woestenij waar de achtergevels van de Warmoesstraat dwaas op neerkijken.” De stugge reacties op de bouw van het nieuwe Concertgebouw: “'t Stond zo ver buiten de stad, zo ongezellig.” Maar de eerste dirigent, Willem Kes, had het tot vreugde van de muziekliefhebbers met inzet van veel overredingskracht voor elkaar gekregen dat er tijdens het concert niet mocht worden gedronken, noch gerookt. Wat een andere groep Amsterdammers weer belachelijk vond. “Als dit Concertgebouw kans wou hebben te blijven bestaan, moesten ook al die malle nieuwerwetse fratsen worden afgeschaft! Dan moest er weer bediend worden onder de muziek dan moest zacht praten en roken toegestaan worden. De muziek mocht niet, zoals nu, hoofdzaak worden. Gezelligheid niet waar, dààr kwam je voor, en anders bleef hij weg.”

Ook nu denk ik in het Muziektheater wel eens dat sommige mensen toch vooral een abonnement hebben genomen op de pauzes.

Door de verslagen van de persoonlijke levens heen speelt het algemene sociaal culturele leven. De opkomst van het socialisme en de bijeenkomsten met Domela Nieuwenhuis als spreker. De eerste opvoeringen van de toneelstukken van Ibsen en de oprichting van de Wagnervereniging. Heftige discussies na lezingen van Multatuli. De aanvankelijke bevreemding bij de muziek van Ravel en Debussy. Na de fiets en de auto werd het vliegtuig uitgevonden. Een nieuwe held was geboren, iemand met oliejas en bril. Maar een paar jaar later, in de oorlog van '14-'18 bleek het vliegtuig een nieuw moordwerktuig, de bommenwerper.

Voor de zoveelste keer realiseer ik me wat een hybris het is om van de huidige tijd te denken dat hij zo uitzonderlijk bijzonder is. Ieder tijdperk is voor degenen die het beleven nieuw, onbekend, onvoorspelbaar van afloop en daarmee onzeker. Dat gaat voor de mensen van 1898 net zo op als voor die van 1998. Zij hoorden net als wij hoe een andere tijd aan de deur klopte, en wisten evenmin precies hoe de nieuwkomer te begroeten.