Rens Knegt vreest: Wijers' stroomplan regelt te veel

Minister Wijers wil dat de Nederlandse distributiebedrijven van energie hun activiteiten splitsen in enerzijds handel en levering van elektrische stroom en anderzijds transport. Aan de gassector stelt hij die eis niet. Een ongerijmde keuze die schadelijk is voor de stroomsector, vindt adviseur drs. L. Knegt.

DEN HAAG, 10 JAN. Drs. Rens Knegt was begin jaren '90 als plaatsvervangend directeur-generaal Energie (Economische Zaken) een grote voorvechter van liberalisering van de Europese energiemarkt. Twee jaar geleden stapte hij over naar het bedrijfsleven. Hij werd partner van Boer & Croon Management Consultants en kijkt nu verbaasd aan tegen een kernpunt in de wettelijke voorschriften die minister Wijers nodig acht om de liberalisering in Nederland in goede banen te leiden.

“Ik ben nog steeds even sterk vóór vrijmaking van de energiemarkt”, beklemtoont de econoom Knegt. “Maar de gedetailleerde regelgeving die Wijers nu voorstelt gaat me veel te ver. Ik adviseer een aantal energie-distributiebedrijven en dan krijg je meer oog voor de organisatorische en economische consequenties van een bestuurlijk-juridische splitsing in twee bedrijven die de minister wil. Deze wet regelt gedetailleerd alle middelen, en niet alleen het doel. Dat gaat in tegen de trend naar deregulering die het kabinet verdedigt. Want dit leidt alleen maar tot meer bedrijven, meer overheadkosten, meer regulering en overheidstoezicht.”

Knegt stond aan de wieg van de Derde Energienota die minister Wijers in december 1995 uitbracht. “Daarin is terecht een omslag gemaakt naar meer marktwerking. Maar de wetgeving die eruit voortvloeit zou ik toch heel anders hebben ingericht.”

In de internationale literatuur zijn praktisch alle deskundigen het erover eens: als je de vrije handel in energie en de gemeenschappelijke markt ruim baan wil geven, moet je het beheer van pijpleidingen en elektriciteitsnetwerken losmaken van de handel en levering van gas en stroom. Want de netwerken geven de traditionele monopoliebedrijven, ook in Nederland, extra kennis van de markt en dat leidt tot een dominante positie. Dat wil Wijers doorbreken door een scheiding.

Maar Knegt is onvermurwbaar: “De minister gaat veel verder dan de Europese richtlijn voor elektriciteit. Waarom zou je dat doen? Nederlandse energiebedrijven komen door de verplichte tweedeling in een ongelijke concurrentiepositie ten opzichte van de buurlanden. Ze moeten hogere kosten maken. Het is niet zo dat je hier met een schone lei begint: er is in de distributiebedrijven veel kennis en ervaring opgedaan met de netwerken.”

Aan de transportfunctie is allerlei dienstverlening gekoppeld met gespecialiseerd personeel, legt adviseur Knegt uit. “Neem bijvoorbeeld de advisering over energiebesparing en de toenemende rol van kleine warmte-krachtcentrales bij particuliere ondernemingen die op hetzelfde regionale netwerk zijn aangesloten. En neem de noodzaak om dat decentrale vermogen meer te gaan regelen. Daar zie je een sterke samenhang tussen de levering van het product en de techniek die nodig is om het goed bij de klant te brengen en zekerheid van levering te garanderen.”

Om die redenen vindt Knegt ook de verplichte scheiding van landelijk Grootschalig Productiebedrijf en landelijk hoogspanningsnet nodeloos ingewikkeld en duur. Ook daar wil de minister een bestuurlijk-juridische splitsing.

“Er gaat veel ondernemerschap in het netwerk verloren omdat de transporttarieven straks worden vastgesteld door een Dienst onder verantwoordelijkheid van de minister. In het netwerkbedrijf krijg je dus weinig invloed van de markt, die nodig is om zo efficiënt mogelijk te werken”, meent Knegt.

Wat hem het meest verbaast is dat de scheiding wèl voor elektriciteit zal gelden, maar niet voor aardgas. In de recente notitie Gasstromen wringt het ministerie zich in allerlei bochten om de Gasunie het synergievoordeel van één bedrijf dat zowel handel als netwerk beheert te laten behouden. Hetzelfde geldt voor de gas-activiteiten van de regionale distributiebedrijven.

“Het synergievoordeel van productie, inkoop, levering en transport door één bedrijf geldt bij gas, maar ook bij stroom”, onderstreept Knegt. “Je kunt tussen de regels door duidelijk lezen dat hier het grote belang van de staatsinkomsten uit de aardgaswinning en -verkoop voorop staat en niet door extra beslommeringen doorkruist mag worden. Bij gas wordt volstaan met een administratieve scheiding van activiteiten en transparantie van alle kosten voor de marktpartijen door publicatie van tarieven. Een ongerijmde asymmetrie. Ik ben het eens met de redenering van Wijers voor de gassector, maar voor stroom kun je dezelfde conclusie trekken.”

Op 19 januari voert de Tweede Kamer 'wetgevend overleg' met minister Wijers over diens ontwerp-Elektriciteitswet. Knegt hoopt dat de Kamer de stroomsector zal ontzien door flink het mes te zetten in de vloed van nieuwe regulering. “Het meest logisch is de juridische scheiding in aparte bedrijven voor elektriciteit te laten vallen en net als bij de gassector uit te gaan van boekhoudkundige scheiding. Je omschrijft het doel van de liberalisering duidelijk in de wet en laat het aan de Nederlandse Mededingsingsautoriteit over om te controleren of dat goed gebeurt door op klachten uit de markt te reageren. De NMa kan dan ook geschillen beslechten. Zo regelt Duitsland het ook. Dan voldoe je aan de eisen van de Europese richtlijn, net als verreweg de meeste lidstaten.”

De wet van Wijers zit de distributiebedrijven zo hoog, weet Knegt, dat de sector een testcase zal uitvoeren als er geen wijzigingen komen. Men zal pogen een marginaal netwerkbedrijf op te richten (een vennootschap met alleen een directeur en een raad van commissarissen), dat het feitelijke werk aan de holding (het distributiebedrijf) uitbesteedt. De minister moet dan de retorische vraag juridisch laten toetsen of zo'n bedrijf in lijn is met de intenties van de wetgever, maar daar kan hij het nog knap moeilijk mee krijgen, denkt Knegt. “Een ander uiterste is dat men juist heel veel personeel en werk in het netwerkbedrijf onderbrengt. Dan krijg je dus een groot bedrijf dat nauwelijks onder de tucht van de markt valt, en een klein, maar efficiënt en flexibel handelsbedrijf.”