Reden tot bitterheid voor erven Goudstikker; De advocaten van de nazaten zeggen dat Dési Von Saher is stukgeprocedeerd

De erven van kunsthandelaar Jacques Goudstikker hebben de Nederlandse Staat gisteren formeel gesommeerd alle na de oorlog gerecupereerde schilderijen aan de familie te retourneren. In het juridische steekspel dat zich daarover zal gaan afspelen zal de na-oorlogse schikking met de weduwe een cruciale rol spelen. In hoeverre is zij door de Staat tot die schikking gedwongen?

AMSTERDAM, 10 JAN. De erfgenamen van de in de oorlog omgekomen kunsthandelaar Jacques Goudstikker en staatssecretaris Nuis (cultuur) staan diametraal tegenover elkaar. De advocaten van de nazaten hebben de Staat nu ook formeel gesommeerd alle na de oorlog gerecupereerde oude schilderijen te retourneren. Nuis heeft zich daarentegen vast op het standpunt gesteld dat de rechten op de kunstvoorwerpen berusten bij de Staat 'als rechtsopvolger van vijandelijk vermogen'.

De Staat kan zich beroepen op een schikking (vroeger bekend als 'dading') waarmee de weduwe van Jacques Goudstikker, Dési Von Saher-Halban, in 1952 een streep zette onder de affaire. Kern van zo'n schikking is, in de woorden van het handboek-Asser, de verplichting 'de oude strijdvragen te laten rusten'. De nazaten betwisten deze overeenkomst. Typerend voor een dading-oude-stijl is dat beide partijen iets inleveren. Als één van de partijen volledig toegeeft, is er geen dading, zei de Hoge Raad in 1923 in het geval van een reder die een betaald schip alleen van de werf kon krijgen als hij afstand deed van zijn aanspraak op schadevergoeding voor te late levering.

De dading-Goudstikker is volgens de nazaten slechts 'een eenzijdige afstand van rechten door de kunsthandel, zonder dat de Staat er iets tegenover stelt'. De collectie verviel immers geheel aan de Staat. Strikt genomen is dit standpunt echter aanvechtbaar. Mevrouw Von Saher beklaagde zich in de acte van dading dat van haar een 'uitermate onredelijke opoffering' werd gevraagd, maar zij betoogde niet dat daar niets tegenover stond.

Zij kreeg alle rechten op de naam van de kunsthandel terug, kon een oud schilderij van de Herengracht terugkopen, was van een ingewikkelde rechtsstrijd verlost en behield bovendien alle rechten op zaken die buiten de omstreden transacties vielen. Dit laatste is niet zonder belang omdat nog steeds niet helemaal duidelijk is wat er in de oorlog nu precies was verkocht. Voor een dading-oude-stijl gold bovendien niet de eis dat de wederzijdse 'opofferingen', zoals dat heette, beperkt blijven tot het concrete geschilpunt. Toch waren de concessies van de Staat vergeleken met het belang van de gerecupereerde collectie - waarvan Nuis erkent dat hij van 'Europese faam' was - natuurlijk kruimels.

De erven-Goudstikker hebben helemaal reden zich te beklagen over de voorgeschiedenis. Goudstikker was voor de oorlog de belangrijkste kunsthandelaar in Nederland, en bezat behalve sculpturen een omvangrijke schilderijencollectie, met vele zeventiende-eeuwse Hollandse en Vlaamse meesters en vijftiende- en zestiende-eeuwse Italiaanse doeken en panelen. Na Goustikkers vlucht na het uitbreken van de oorlog, die uitliep op zijn tragische dood bij een ongeval, werd de kunsthandel overgenomen door het personeel. Dit verkocht de zaak vervolgens door aan de Duitser Alois Miedl die vervolgens circa 770 oude meesterwerken voor (toen) twee miljoen gulden overdeed aan Hitler's rechterhand Hermann Göring, waarop hij de kunsthandel 'actief' (Nuis) voortzette.

De manier waarop de oorspronkelijke kunsthandel in de oorlog werd ontmanteld wordt in het novembernummer van het maandblad voor ondernemingsrecht en rechtspersonen TVVS kritisch besproken door S.H.M.A. Dumoulin. Hij komt tot de conclusie dat 'de besluiten ten gevolge waarvan de bezittingen van de kunsthandel aan Miedl en Göring zijn verkocht om verschillende redenen non-existent, nietig of vernietigbaar zijn'. Hij betoogt met name dat van de cruciale Göring-transactie niet kan worden gezegd dat hij uit vrije wil werd gesloten. Toch werd dit door de beheersinstantie nu juist aan Dési Von Saher tegengeworpen toen zij na de oorlog aanspraak maakte op rechtsherstel.

Nuis herhaalt namens de Staat dit argument op subtiele wijze. Hij herinnert er aan dat de achtergebleven bejaarde moeder van Goudstikker gedurende de bezetting in haar huis kon blijven wonen en dat het kapitaal niet is geconfisceerd door de Duitsers. Dat was nu juist een van de grieven in het uitvoerige, zij het niet erg heldere Overzicht dat de nieuwe echtgenoot van Dési, de advocaat mr.A.E.D. von Saher, in april 1952 opstelde: 'Het moge waar zijn dat de verkoop niet afgedwongen was met een revolver of door bedreiging met een ander wapen. Miedl werkte met gelijke wapens'.

Toch heeft Dési na de oorlog alleen de relatief beperkte transactie met Miedl aangevochten en de grote doorverkoop van oude meesterwerken aan Göring laten passeren. Dat is vooral opmerkelijk omdat de tegenpartij, het Beheersinstituut, zich op het standpunt stelde dat beide transacties onverbrekelijk met elkaar waren verbonden. Een argument voor deze laatste stelling was dat de regering in Londen alle tranascties met de vijand nietig had verklaard.

De tegenhanger was dat Dési bij rechtsherstel voor de teruggehaalde Göring-schilderijen dan ook een evenredig deel van de ontvangen twee miljoen had moeten terugstorten. Daarvan zag zij af, volgens de advocaten van haar nazaten omdat zij op het verkeerde been was gezet. Dit slaat op de opinie van dr.A.B. de Vries, destijds hoofd van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) die over de teruggehaalde kunst ging en later directeur van het Mauritshuis, dat Göring een 'exorbitante' prijs had betaald.

De SNK was niet onpartijdig, zo blijkt wel uit de serie 'Kunstroof en recuperatie' in het Cultureel Supplement van deze krant eind oktober/begin november van vorig jaar. Dat verklaart echter nog niet waarom Dési Von Saher-Halban, met de faam van haar omgekomen echtgenoot in de kunsthandel achter de hand, een aanvechtbare uitspraak van De Vries zomaar zou accepteren.

De advocaten van de nazaten zeggen dat zij is 'stukgeprocedeerd'. Het handboek-Asser zegt dat iedere partij bij een dading geacht wordt 'te weten dat hij het risico loopt méér prijs te geven dan juridisch nodig is. Partijen zullen hun kansen hebben berekend en verdisconteerd'. Dat is strenge taal. De betekenis van een aangegane dading is dan ook te vergelijken met een vonnis van de rechter.

De advocaten van haar nazaten brengen daar nu tegen in dat Dési door de Staat in de hoek was gedreven door omvangrijke belastingaanslagen en hoge kosten voor rechtsbedeling terwijl er weinig over was van de oorspronkelijke koopsom. Onduidelijk blijft of zij zelfs in de benarde omstandigheden van de naoorlogse jaren niet een lening had kunnen afsluiten op een reële kans uiteindelijk althans een deel van een onmiskenbaar waardevolle collectie terug te krijgen. In elk geval is 'laesio enormis' - de klassieke term voor ernstige benadeling - achteraf geen reden voor vernietiging van een dading, leert het handboek-Asser.

Dat maakt de benadeling er natuurlijk niet minder bitter op. Een informele raadpleging onder professoren leert echter dat de kansen van de nazaten op daadwerkelijk rechtsherstel na zoveel jaren precair zijn. Niet in de laatste plaats doordat Dési in haar strijd om rechtsherstel de bijstand heeft gehad van rechtsgeleerde raadslieden.

Achteraf kan de vraag worden gesteld of zij verstandig hebben geopereerd. Zij hebben in elk geval niet alleen Dési maar ook haar rechtsopvolgers gebonden. Er is nog een ander, fataal juridisch obstakel voor de vordering van haar nazaten: de verjaring. Volgens de maximale termijn is elke vordering na twintig jaar verlopen. Dat is in geval van de aangevochten dading-Goudstikker dus 1972.

Er is echter een caveat: verjaring geldt alleen indien de tegenpartij er een beroep op doet. De Nederlandse regering maakt zich op het ogenblik sterk voor aanvaarding van het zogeheten Unidroit-verdrag dat voorziet in de teruggave van illegaal verkregen kunstvoorwerpen zelfs na zeventig jaar. Kan Nuis dan nog in gemoede een beroep doen op verjaring in de affaire-Goudstikker? Het Undidroit-verdrag is echter juist om zijn exorbitante verjaringstermijn zeer omstreden. Nog eenmaal het handboek-Asser over de dading: 'partijen laten het verleden het verleden'. Het boek maakt geen uitzondering voor de oorlog.