PROBLEMEN IN STIEFFAMILIES ZIJN EVOLUTIONAIR BEPAALD

In stiefgezinnen komen gemiddeld meer problemen voor dan in 'biologisch intacte' gezinnen: incest, geweld, (nieuwe) scheiding. Waarom? De evolutionair bioloog Stephen T. Emlen van de New-Yorkse Cornell University breekt een lans voor een evolutionaire interpretatie ('The evolutionary study of human family systems' in Social science information 36/4, december 1997, 563-589).

Stieffamilies zijn een relatief modern verschijnsel. Honderdduizenden jaren hebben de moderne mens en zijn voorouders als de homo erectus geleefd in familieverband: jagende groepen van nauw verwante individuen, waarbij beide ouders zorg dragen voor de kinderen. Door natuurlijke selectie heeft de mens daardoor wat Emlen noemt aangeboren 'beslissingsregels', waardoor de mens zijn naaste familieleden goed gezind is: Onderlinge hulp bij opvoeding van kinderen, vermijding van seksuele concurrentie met naaste familieleden, en geringe onderlinge agressie zijn genetisch bepaald.

Emlen onderbouwt deze stelling door vergelijking met het gedrag van zo'n 300 vogelsoorten en meer dan 80 zoogdiersoorten (zoals honden, wolven, mangoesten en sommige knaagdieren) die ook in zo'n familieverband leven, waarbij beide ouders nauw betrokken zijn met de opvoeding van de jongen. Niet-menselijke primaten zoals chimpansees en gorilla's die cognitief veel dichter bij de mens staan, leven in andere, haremachtige verbanden. Bij de qua familieverband vergelijkbare diersoorten constateert Emlen dezelfde 'familieproblemen' als bij mensen in geval van stieffamilies: meer agressie tussen de nieuwe partners en tussen stiefbroers/zusters, meer incest, bevoordeling van 'eigen' kinderen boven stiefkinderen.

Wat te doen? Volgens Emlen wordt dit evolutionaire perspectief niet weersproken door andere ideeën over de problemen bij stieffamilies, zoals de conflicttheorie, de feministische theorie, het symbolisch interactionisme, etc. Het enige alternatief voor een evolutionaire 'motor' van de problemen is volgens hem de zogenoemde neofunctionalistische theorie. Volgens die sociologische theorie onstaan de problemen doordat de 'rollen' nog niet duidelijk zijn, zoals alleen al: 'hoe noemen we de 'nieuwe' ouder?' Als het verschijnsel maatschappelijk beter zal zijn ingebed en de omgangsnormen helderder zijn, zal het probleem verminderen. Maar volgens Emlen zijn stieffamilies al lang genoeg 'normaal' om zo'n inbedding te veroorzaken. Dat kan het probleem niet zijn.

De vraag is overigens wat het in de praktijk uitmaakt. Want Emlens suggesties om de problemen in de families te verminderen zijn niet in strijd met het neofunctionalistisch perspectief. Hij pleit voor sterkere bewustwording van de kans op problemen: als mensen weten dat ze een bepaald risico lopen, ontwikkelen ze vaak gedrag om het probleem te vermijden of te verminderen.