'Philips toont zwakte met niet Israelverklaring'

Philips acht het afgeven van een 'niet Israelverklaring' aan Arabische landen economisch noodzakelijk. Dat wordt betwijfeld.

ROTTERDAM, 10 JAN. “Een buitengewoon slappe ruggegraat.” Die toont Philips volgens het voormalig PvdA Tweedekamerlid H. van den Bergh door Arabische afnemers op verzoek de garantie te geven dat geleverde goederen niet afkomstig zijn uit Israel. In november van het vorig jaar nog verstrekte een Groningse Philipsvestiging een dergelijke verklaring aan een kantoor in Dubai, een van de zeven Verenigde Arabische Emiraten. Dat gebeurt vaker. “Economische realiteit”, aldus Philips.

Sinds de Oslo-akkoorden van medio jaren negentig heeft Israel zelf (handels)betrekkingen aangeknoopt met landen van de Arabische Liga. Het is daarom volgens Van den Bergh “hoogst verbazingwekkend” dat Philips zich laat dwingen tot het afgeven van verklaringen zoals die aan het Dubai-kantoor. Ook werkgeversorganisatie VNO/NCW toont verbazing. “Dit mag niet van een onderneming gevraagd worden”, zegt een woordvoerder.

Afschaffing van boycotmaatregelen jegens Israel was onderdeel van de Oslo-akkoorden. Volgens Van den Bergh waren er ook daarvoor al (met name Amerikaanse) bedrijven die “de rug recht hielden” door 'niet Israelverklaringen' te weigeren.

Van den Bergh was begin jaren tachtig voorzitter van een Kamercommissie die de effecten onderzocht van de Arabische boycot tegen Israel. Het afgeven van een zogenoemde 'niet-joodverklaring' (die personen betrof) werd mede naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van die commissie verboden. De Hoge Raad oordeelde dat het afgeven van een 'niet-joodverklaring' strafbaar is.

Voor het verbieden van een wat Van den Berg noemt 'indirecte boycotverklaring' zoals in Dubai van Philips werd geëist bestond in de Tweede Kamer geen meerderheid. Wel trad in 1984 een wet in werking die bedrijven verplichte melding te maken van buitenlandse verzoeken om zich dergelijke verklaringen te committeren. Begin vorig jaar is deze verplichting afgeschaft. Volgens het ministerie van Economische Zaken was een van de redenen daarvoor dat het huidige kabinet ernaar streeft de administratieve last te verminderen die dit soort verplichte meldingen met zich mee brengt voor het bedrijfsleven. De verminderde noodzaak van de meldingsplicht blijkt volgens het ministerie ook uit een overzicht van de meldingen van boycotmaatregelen (van Arabische staten) tegen Israel tussen 1993 en 1996. Gecorrigeerd voor een buitengewoon statistisch effect laat die lijst inderdaad een gestage daling zien van 3.031 meldingen in 1993 naar 1.401 in 1996. Philips bevestigt dat er een dalende trend is in het aantal verzoeken om een 'niet Israelverklaring', maar wil geen cijfers geven.

Volgens directeur R. Naftaniel van het Centrum Informatie en Documentatie over Israel stammen de boycotmaatregelen van Arabische staten van direct na de Tweede Wereldoorlog. Naftaniel erkent dat ondanks de afspraken in de Oslo-akkoorden aan het boycotbeleid van de Arabische Liga “geen touw is vast te knopen”. Het is dan ook mogelijk dat 'niet Israelverklaringen' in de praktijk nog met regelmaat worden geëist. Naftaniel veronderstelt dat het afgeven van zo'n verklaring ook op een automatisme bij bedrijven zou kunnen berusten. Hij pleit voor een positieve verklaring waarin wordt aangegeven waarvandaan goederen wél vandaan komen. Ook VNO/NCW zou in het verleden voor een dergelijke maatregel hebben gepleit.