Nationaal Jeugd Orkest jubileert met speelplezier

Concert: Nationaal Jeugd Orkest o.l.v. Thierry Fischer m.m.v. Birgit Remmert. Gehoord: 9/1 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling: 10/1 Vredenburg Utrecht.

“Het Nationaal Jeugd Orkest steekt in kwaliteit het Koninklijk Concertgebouworkest en het Rotterdams Philharmonisch Orkest naar de kroon”, zo meldde het NOS-Journaal naar aanleiding van de viering van het veertigjarig jubileum van het NJO, eerder deze week in Utrecht in aanwezigheid van prins Claus. Zo'n bewering is niet meer dan opgeklopte kretologie, die een miskenning betekent van de langjarig opgebouwde bijzondere, professionele en geraffineerde speelcultuur van grote orkesten. Bovendien schept het onvervulbare verwachtingen van een orkest dat bestaat uit zeer goede conservatoriumleerlingen.

Het Nationaal Jeugd Orkest biedt een uitstekende oefening voor aankomende orkestleden in het grote repertoire: onder leiding van dirigent Thierry Fischer klinken dit keer Strawinsky, Berlioz en Mahler. Dat mag ook wel, want binnen een of twee jaar wacht deze musici de beroepspraktijk, waarin zulke muziek zeker niet de allerlastigste is. Tal van bekende en beroemde Nederlandse musici maakten dan ook deel uit van het Nationaal Jeugd Orkest, zo blijkt uit het jubileumboek Het leukste orkest van Nederland.

Tezamen vormen vijftien van deze Europese jeugdorkesten een federatie, die in het jaar 2000 een concertserie geven in verschillende Europese steden met op het programma nieuw gecomponeerd werk en hoogtepunten uit de dan voorbije 20ste eeuw. In ons land gaat de serie in het Utrechtse muziekcentrum Vredenburg. Klaas de Vries schrijft al aan een stuk voor het NJO.

Uit het Amsterdamse optreden van gisteravond bleek dat de kwaliteit van het NJO zich in de praktijk - na een intensieve repetitieperiode - op zijn best beweegt rond dat van het betere provincie-orkest. Wel levert een professioneel orkest doorgaans een afgewogener samenklank op en wat minder foute of mislukte noten.

Zo verdiende Strawinsky's Feu d'artifice meer helderheid, brille en vonkend gespetter. In de Eerste symfonie van Mahler bleek het al moeilijk om acht bassen de Vader Jacob-melodie zuiver te laten spelen. Bevreemdend was dat Fischer besloot de gebruikelijke, altijd spannend klinkende solo te vervangen door het zo obligaat overkomende groepsspel van de bassen. Edo de Waart deed dat experiment één keer bij het Radio Filharmonisch Orkest, om het daarna voorgoed af te zweren.

Voor het overige sprak uit deze Mahler vooral veel speelplezier. Die bleek in de onstuimige en luidruchtige finale uit de opvallende bijdragen van de eerste trompettiste, de eerste paukenist en de bespeler van de grote trom. Hoewel Fischer soms extreem langzame tempi nam, werd hier de aanwijzing 'stürmisch bewegt' letterlijk genomen. Eerder hadden de strijkers soms fraai gekleurd spel laten horen, zoals in de gevoelige 'Lindenbaum'-passage in het tweede deel.

In de begeleiding van Berlioz' Les nuits d'eté speelde het NJO zorgvuldig, maar ook erg bescheiden. In deze orkestliederencyclus vol doodsverwachting, waarin Berlioz ongeveer een eeuw vooruitloopt op Richard Strauss' Vier letzte Lieder (1948), imponeerde Birgit Remmert met een intieme, teder bewogen vertolking, die het helaas moest opnemen tegen een bij voortduring hoestend publiek.