Losse feiten

History and Theory. Studies in the philosophy of history. Volume 36, number 3, 1997. Uitgever Wesleyan University/Blackwell Publishers. Inlichtingen: tel. 00-1-800-835-6770. http://www.wesleyan.edu/histjrnl/hthome.htm. Abonnementen buiten Noord-Amerika $ 65,-, losse nummers $ 22,50. Ter inzage in veel universiteitsbibliotheken.

Onderwerpen genoeg voor de historicus: alles wat ooit gebeurde, behoort tot de geschiedenis. Tenminste, dat denken we. Alleen zuivere marxisten en strenge christenen geloven nog in één objectief geschiedverhaal, dat als Grote Rode Draad bepaalt wat er wel of niet toe doet in het verleden. Dat niettemin sommige gebeurtenissen uit het verleden belangrijker lijken dan andere, ligt aan ons en onze culturele subjectiviteit - niet aan het verleden.

Toch zijn er nog andere dissidenten, zoals blijkt uit een complex maar ingenieus betoog van Lucian Hölscher, hoogleraar theoretische geschiedenis aan de Ruhr-Universität Bochum. In het oktobernummer van History and theory schreef hij het artikel The New Annalistic: A Sketch of a Theory of History. Theoretische geschiedenis en geschiedfilosofie zijn niet erg populair onder historici. Die zitten liever in archieven. Maar systematisch doordenken van wat er nu eigenlijk gebeurt als we het verleden bestuderen, levert soms verrassende resultaten op. De grote vernieuwingen in de geschiedwetenschap sinds de Verlichting liggen vooral in de aandacht voor nieuwe bronnen en nieuwe methodologieën, moppert Hölscher, “veel minder op het gebied van de theorie, van het onderliggende concept van wat geschiedenis is”.

Hölscher betoogt dat geschiedenis juist géén metafysisch continuüm vormt. Het verleden bestaat niet uit een mer à boire van mogelijke feiten waaruit de historici naar hartelust kunnen opvissen wat hen interesseert in de veilige veronderstelling dat uiteindelijk alles toch met alles samenhangt. Volgens Hölscher is de geschiedenis een losse verzameling van historische gebeurtenissen. Het verleden is niet vol van dingen.

Kern van Hölschers betoog is dat zo'n 'Gebeurtenis' haar belang niet ontleent aan een of andere Grote Rode Lijn, maar wordt gecreëerd door de directe participanten zelf. “De betekenis van historische gebeurtenissen ligt meestal niet in die gebeurtenis zelf, maar in de perceptie van die gebeurtenissen door de tijdgenoten (...) Men komt in de geschiedschrijving maar zelden historische gebeurtenissen tegen die door de tijdgenoten zelf niet als belangrijk werden beschouwd.” Waardoor is de Franse Revolutie een Historische Gebeurtenis? Niet omdat wij dat nu toevallig zo zien, maar omdat de Fransen die er toen aan meededen dat zo zagen. Wat men toen niet belangrijk vond, speelt nu ook geen rol meer - al was het alleen maar omdat het nu beschikbare bronnenmateriaal sterk bepaalt.

Het idee dat een bepaalde gebeurtenis 'historisch' is, ontstaat volgens Hölscher uit het verwachtingspatroon van tijdgenoten dat dat feit - Hölscher geeft als voorbeeld de verkiezing van Adolf Hitler tot rijkskanselier - grote consequenties zal hebben. Het past binnen het toenmalige verhaal. Het centrale idee van Hölscher is dat die contemporaine verhalen (vrijwel) nooit uitkomen, waardoor de historische gebeurtenissen wel hun aanvankelijke betekenis verliezen, maar niet hun historische belang. Deze 'losgekoppelde' feiten veranderen vervolgens “in objectieve referentiepunten voor alle mogelijk denkbare verhalen. Ieder historisch verslag dat refereert aan de geschiedenis als geheel moet voortaan een plausibele verklaring geven voor die gebeurtenis”, zo schrijft Hölscher. “Indeed, wat is er overgebleven van de hoge verwachtingen die verbonden werden met de Eerste Wereldoorlog voor en op het moment van uitbreken ervan? In feite niets meer dan de gebeurtenis zelf.” Een historisch feit is dus niet het product van de geschiedschrijving, zoals nu de historische communis opinio is, het feit gaat er aan vooraf. Eerst zijn er de Gebeurtenissen, dan pas de verhalen.

Hölscher schrijft het niet met zoveel woorden, maar het gaat hem in feite om de hardnekkigheid van de grote historische problemen: wat je ook verder wilt onderzoeken in de achttiende eeuw: om de Franse revolutie kun je niet heen. Van alles is mogelijk in de geschiedschrijving van de vroege middeleeuwen, maar als Karel de Grote, Willibrord en Bonifatius er geen enkele rol in hebben stelt het niet veel voor. De vele detailstudies waarin ze ontbreken veronderstellen toch dit 'grote kader'. “Het komt soms voor dat gebeurtenissen pas historische betekenis krijgen lang nadat ze gebeurden”, geeft Hölscher toe, “maar meestal blijken dat dan literaire dramatiseringen te zijn zijn van onbelangrijke en toevallige gebeurtenissenen, zoals verbeeld in Stefan Zweigs Sternstunden der Menschheit.”

Hölscher noemt zijn nieuwe opvatting van geschiedenis 'annalistisch', naar de middeleeuwse annalen die weinig meer waren dan lijsten met gebeurtenissen. In strikt chronologische volgorde werden voor ieder jaar de belangrijkste gebeurtenis opgeschreven: een watersnood, een nieuwe hertog, een oorlog, “als parels aan een ketting, maar zonder enig intern verband”. Het knappe van zijn analyse is dat Hölscher de Scylla van objectieve Grote Rode Draad vermijdt, en toch ook niet terecht komt in de Charybdis dat alles in geschiedschrijving afhangt van het verhaal dat de historicus bedenkt.

Ooit definieerde Johan Huizinga geschiedenis als de wijze waarop een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden. In een variant daarop zouden we met Hölscher kunnen zeggen: geschiedschrijving is de wijze waarop wij de gebeurtenissen bekijken die men vroeger belangrijk vond.

Verder biedt dit nummer van History and Theory onder meer een analyse van de geschiedtheorie van Karl Popper door de historicus Nikolai S. Rozov van de Novosibirsk State University en een onderzoek van het historische denken in het rabbijnse jodendom.