LONGTRANSPLANTATIE IS NIET ALTIJD ZINVOL, WACHTLIJST WERKT NIET

Wachtlijsten vormen een noodzakelijk kwaad bij orgaantransplantaties. Dat speelt in het bijzonder bij longtransplantaties, omdat daarbij het aantal beschikbare donororganen buitengewoon gering is - slechts 5 tot 10 procent van de donoren levert bruikbare longen. In de praktijk betekent een wachtlijst voor longtransplantaties dat een deel van de patiënten al op de wachtlijst sterft: degenen die het meest ziek zijn en die bij een transplantatie het meest te winnen hebben (maar bij wie de uiteindelijke resultaten het slechtst zijn).

Dat maakt een wachtlijst wel bijzonder wrang: die pakt uit in het voordeel van de minst zieke en minst behoeftige patiënten.

Amerikaanse longartsen hebben nu een statistische analyse uitgevoerd op de resultaten van meer dan 2.000 longtransplantaties om meer zicht te krijgen op de indicaties voor deze ingreep. De resultaten vormen geen opwekkende lectuur: van de 664 patiënten met cystische fibrose (taaislijmziekte) overleden er 193 nog op de wachtlijst en van 318 uiteindelijk geopereerde patiënten overleden er nog eens 68 na de transplantatie. De rest stond na het twee jaar durende onderzoek nog steeds op de wachtlijst of was om andere redenen niet geopereerd. Bij 481 patiënten met ernstige longfibrose (verbindweefselde longen) waren deze getallen zo mogelijk nog bedroevender: 160 overleden op de wachtlijst en 230 getransplanteerd, waarvan 55 overleden. Van de 1274 patiënten met longemfyseem (met abnormaal vergrote longblaasjes) overleden er daarentegen slechts 143 op de wachtlijst. Van de rest van de patiënten kreeg 843 een nieuwe long en van deze groep overleden er 'slechts' 142. Zo bezien lijkt de keuze duidelijk in het voordeel van de patiënten met longemfyseem uit te vallen; die leveren in alle opzichten resultaten om als chirurg trots op te zijn.

De onderzoekers hebben echter ook het relatieve risico dat al getransplanteerde mensen lopen om te sterven vergeleken met dat onder patiënten die nog op de wachtlijst stonden. Bij cystische fibrosepatiënten bleek het effect van een longtransplantatie op de kans om te overleven al na één maand merkbaar, bij fibrosepatiënten na drie maanden, terwijl een transplantatie bij patiënten met longemfyseem zelfs na 2 jaar op de levensverwachting geen duidelijk voordeel bood.

De wachttijd op zichzelf is dus een onjuist criterium om organen te verdelen. De Amerikanen vinden dat het evenwicht moet worden hersteld; de balans moet doorslaan in het voordeel van de patiënten met de meest levensbedreigende aandoeningen. Overigens benadrukken de auteurs dat ze alleen rekening hebben gehouden met de overlevingsduur en niet met een eventuele verbetering van de bestaanskwaliteit.