Kerstactie voor Zuid-Korea

Tussen kerstavond en oudejaarsdag 1997 is de financiële wereld door het oog van de naald gekropen. Zuid-Korea dreigde niet langer aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen en daarmee de internationale financiële markten in een duikvlucht van paniek te brengen.

Op kerstavond vond in het gebouw van de Federal Reserve Bank in New York een crisisbijeenkomst plaats, bijeengeroepen door Alan Greenspan, de voorzitter van het stelsel van Amerikaanse centrale banken. Veteranen van de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis van de jaren tachtig waren aanwezig, zoals Bill Rhodes van Citicorp, die hals over kop van zijn vakantieadres kwam, en Ernie Stern, indertijd brein van de Wereldbank en tegenwoordig bankier bij Morgan Stanley. Greenspan dwong de grootste internationale banken om de kredietverlening aan Zuid-Korea te hervatten en om aflopende leningen opnieuw te financieren. Grommend gingen ze akkoord.

Tegelijkertijd kondigde Robert Rubin, de Amerikaanse minister van Financiën, op kerstavond aan dat de G-7 landen, de grootste industrielanden, en het Internationale Monetaire Fonds hadden besloten om onmiddellijk tien miljard dollar aan Zuid-Korea beschikbaar te stellen.

In de daaropvolgende dagen gingen ook de grote Europese banken akkoord met herfinanciering van hun uitstaande vorderingen op Zuid-Korea. Het gevaar van een acute internationale schuldencrisis, teweeggebracht door Zuid-Korea, was afgewend.

De aanleiding voor deze financiële kerstactie was gelegen in de buitenlandse schulden die Zuid-Koreaanse bedrijven hebben opgestapeld. Deze schulden blijken veel hoger dan bekend was en bestaan vooral uit kortlopende schulden. Schattingen doen nu de ronde van zo'n 200 miljard dollar, waarvan de helft dit jaar afgelost moet worden - en 30 à 40 miljard voor het einde van januari. De deviezenreserves van Zuid-Korea slonken eind vorig jaar met zo'n miljard dollar per dag. Het viel eenvoudig uit te rekenen dat het land zonder injectie van nieuwe dollars nooit aan zijn kortlopende verplichtingen zou kunnen voldoen.

Als een land bankroet dreigt te gaan omdat het geen deviezen meer heeft waarmee het zijn schulden kan betalen, stort de nationale munt in. Het is alsof niemand meer nationaal geld in bezit wil hebben en iedereen het wil omwisselen voor niet-beschikbare dollars. Dit dreigde eind vorig jaar te gebeuren met de Koreaanse won en het gebeurt deze week werkelijk met de Indonesische roepia.

Afgezien van het verschil in economisch gewicht, is er ook een politiek verschil tussen beide landen. Indonesië heeft te kampen met een machtsvacuüm, terwijl in Zuid-Korea na de presidentsverkiezingen van december weer leiderschap wordt uitgeoefend. De gekozen president Kim Dae Jung en zijn economische adviseurs zijn vastbesloten om economische hervormingen door te voeren en het staatskapitalisme van Zuid-Korea te liberaliseren. Kim Dae Jung, die 23 februari officieel aantreedt, heeft in enkele weken meer hervormingsmaatregelen aangekondigd dan de zittende president in de afgelopen vijf jaar.

In Indonesië daarentegen is de hervormingsgezindheid volkomen zoek en lijkt president Soeharto het contact met de economische werkelijkheid verloren te hebben. De ineenstorting van de roepia zou wel eens het overhaaste einde van het tijdperk-Soeharto en van diens familieclan kunnen inluiden.

Zoveel is zeker, de jumboleningen van in totaal 100 miljard dollar aan Thailand, Indonesië en Zuid-Korea die vorig jaar onder IMF-auspiciën tot stand zijn gekomen, hebben niet het beoogde herstel van vertrouwen bereikt. Critici van het IMF zien dan ook hun kans schoon.

Jeffrey Sachs, de Harvard-econoom die altijd goed voor een citaat is, heeft het IMF al verweten dat de geëiste aanpassingsmaatregelen niet deugen. “Het IMF heeft een gevaarlijke situatie in een rampzalige situatie doen omslaan.” De eisen van hoge rente en begrotingsverkrapping leiden volgens hem tot een vicieuze cirkel van recessie en bedrijfsfaillissementen waardoor de problemen alleen maar explosiever worden. Andere economen noemen het IMF-beleid “onzinnig” of waarschuwen voor het gevaar van een wereldwijde deflatie.

Zelfs de Wereldbank, de zusterinstelling van het IMF, heeft zich in het koor van de sceptici geschaard. Joseph Stiglitz, de chief economist van de Wereldbank en al langer criticus van volledig vrije kapitaalmarkten voor opkomende landen, zei deze week dat het herstel van vertrouwen in Azië niet wordt bereikt door landen in een diepe recessie te duwen.

In een bijdrage aan de Financial Times heeft George Soros, de speculant-filantroop, eind vorig jaar de tekortkomingen van het vrije internationale kapitaalverkeer aan de kaak gesteld, overheidscontrole op de kapitaalmarkten bepleit en de missie van het IMF ter discussie gesteld.

“De particuliere sector is slecht toegerust om verantwoordelijk te zijn voor internationale kredietverlening. Zij verschaft ofwel te weinig, ofwel te veel krediet”, aldus Soros. Volgens hem is de particuliere sector “buitengewoon inefficiënt” in de kredietverdeling. Daarom stelt hij voor dat een nieuwe instelling toezicht houdt op de internationale kapitaalbewegingen. Deze International Credit Insurance Corporation moet een zusterorganisatie van het IMF worden, meent Soros.

In de jaren tachtig, tijdens de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis, deden vooraanstaande bankiers en politici ook talloze voorstellen om met nieuwe schema's en organisaties de crisis op te lossen. Daar is uiteindelijk niets van terecht gekomen omdat de grote industrielanden vasthielden aan het IMF als hun uitvoerende arm. Zo nodig grepen de Amerikaanse autoriteiten in om de bankiers onder druk te zetten. Zo gaat het nu weer. In Latijns-Amerika kwam het er werkelijk toe dat landen hun schuldaflossingen opschortten. Zover is het (nog) niet in Azië. Maar het blijft de komende tijd adembemend spannend.