Ingrijpen in Algerije is onmogelijk; De moorden worden soms gepleegd door buurlui of familieleden; Amnesty International leeft nog steeds in de jaren '70 en '80

De gruwelijke moordpartijen in Algerije dwongen politici te reageren. Natuurlijk toonden zij zich geschokt - wie is dat niet? De roep om een internationaal onderzoek mag politiek correct klinken, realistisch is hij niet. Want een onderzoek in een oorlog op leven en dood is vrijwel onmogelijk, stelt Michael Stein.

In de moderne democratieën van het Westen, waar de ideologieën een steeds armoediger bestaan lijden en de ideeën steeds meer op elkaar lijken, moeten politici op een andere manier scoren dan vroeger. Voortdurend proberen zij tegenover hun kiezers te bewijzen dat zij niet alleen hart hebben voor de economische belangen van alle burgers, maar ook groot meegevoel met alle mensen op aarde - en daarom bereid zijn tegen onrecht te strijden. Mits dat natuurlijk niet te veel kosten met zich meebrengt en de te brengen offers binnen de perken blijven.

Aldus geschiedde de afgelopen dagen, toen bekend werd dat in een zeer afgelegen streek in West-Algerije vele honderden mensen in één nacht op de meest gruwelijke wijze om het leven waren gebracht. Baby's waren vertrapt en in bakovens gegooid, de bomen van de aangevallen dorpen versierd met de ingewanden van de vermoorde slachtoffers.

De moordpartijen die al jaren aan de gang zijn, waren nu zó massaal en beestachtig, dat de media ze niet langer in één koloms-berichtjes konden melden. Als gevolg werd de publieke opinie in het Westen in haar winterslaap gestoord, waarna de politici zich gedwongen zagen publiekelijk te reageren. Zij lieten zich - zoals het hoort - verontrust en geschokt uit over al die Algerijnse barbarij, en riepen in koor dat de wereld dergelijke slachtpartijen niet kon accepteren. Want, zeiden ze - en wie kon hen tegenspreken? - “de Algerijnse burgerbevolking heeft het recht om beschermd te worden”.

Dus overstelpten zij met zachte vermaningen de Algerijnse overheid. De Franse regering vond dat Algiers “een authentieke democratisering moet nastreven” en “bij het politieke leven alle politieke krachten dient te betrekken die een eind aan het geweld willen maken en willen deelnemen aan de heropbouw van een vreedzaam Algerije”. Maar dat was, gezien de altijd even precaire als geprikkelde verhouding tussen ex-kolonisator en ex-kolonie, een zó gewaagde uitspraak dat de regering-Jospin al een dag later haar woorden inslikte.

Van alle kanten werd verder aangedrongen op een internationaal onderzoek “om de verantwoordelijkheden vast te stellen van de bijna dagelijkse slachtpartijen”. Het resultaat van al die publiekelijk geuite zorg was bepaald niet oogverblindend, maar voldoende om de publieke opinie voor te schotelen dat Europese actie iets positiefs had opgeleverd. De Algerijnse regering heeft aangekondigd dat zij over twee maanden de VN rapport uitbrengt over de mensenrechten in haar land. Bovendien gaat zij - na aanvankelijk groot verzet - akkoord met een bezoek van de Trojka, op de uitdrukkelijke voorwaarde dat uitsluitend gesproken zal worden over de strijd tegen het terrorisme.

“Algerije wil een dialoog met de Europeanen om een eind te maken aan de islamitische netwerken in Europa”, liet de regering in Algiers weten. De Algerijnse regering is namelijk razend op Engeland, waar de communiqué's van de zeer extremistische GIA (de Gewapende Islamitische Groep) vrijelijk geschreven en verspreid worden. Volgens het ministerie van Buitenlandse Zaken verdraaien een paar Europese leiders de feiten, als zij voorwenden dat de ontmoeting om humanitaire hulp gaat. “De Algerijnse regering verwerpt elk idee van humanitaire hulp. We hebben daar nooit om gevraagd en we hebben er ook absoluut geen behoefte aan.”

In theorie zou een internationaal onderzoek moeten uitwijzen wie in Algerije de massamordenaars zijn en door wie zij op pad worden gestuurd. Maar het staat nu al vast dat zo'n onderzoek er niet komt. Geen enkele Algerijnse regering, zelfs als die nog zo eerlijk en democratisch gekozen zou zijn, kan dat toestaan. Psychologisch is het land het stadium van de dekolonisatie nog steeds niet te boven. Vandaar dat zelfs verwoede tegenstanders van zowel de radicale moslim-groepen als de overheid een door buitenlanders geleid onderzoek afwijzen. Want daarmee zou à priori getwijfeld worden aan de Algerijnse soevereiniteit en aan de identiteit en de doeleinden van de moordenaars.

Bovendien is het volkenrechtelijk én politiek uitgesloten om zo'n onderzoek tegen de wil van de Algerijnse overheid uit te voeren. Volkenrechtelijk kan dat alleen, als er - zoals in Somalië - in een land zóveel anarchie heerst, dat er geen effectieve regering meer bestaat. In Bosnië was er voor de internationale gemeenschap meer dan genoeg reden om in te grijpen, omdat de bevolking van een door de internationale gemeenschap erkende staat het slachtoffer werd van een bloedige agressie uit zowel binnen- als buitenland.

Dat alles is niet van toepassing op Algerije. Het land heeft alle formele kenmerken van een democratie. En de internationale gemeenschap heeft nooit bezwaar aangetekend dat vier van de vijf verkiezingen van de afgelopen jaren, die tot deze 'democratie' hebben geleid, op grote schaal gemanipuleerd en vervalst waren. Alleen de verkiezingen die Liamine Zéroual in 1975 tot president maakten, zijn onomstreden. Dankzij die internationale acceptatie wordt Algerije thans vertegenwoordigd door een legitieme president, een regering en een parlement, die te allen tijde “inmenging in de binnenlandse aangelegenheden” kunnen afwijzen.

Alleen de Veiligheidsraad van de VN kan in theorie tot interventie besluiten. Maar het is ondenkbaar dat de permanente leden van de Raad daartoe in het geval van Algerije bereid zijn. China en de Sovjet-Unie, daarin gesteund door de hele Arabische wereld, moeten niets hebben van “ingrijpen in de binnenlandse aangelegenheden van een soevereine mogendheid”. En de Westerse 'Grote Drie' - de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk - willen evenmin de Algerijnse overheid voor het hoofd stoten, omdat zij daarmee impliciet de radicaal-islamitische strijdgroepen een geweldige steun in de rug zouden geven. Bovenal willen zij hun eigen economische belangen niet schaden.

Volgens de Algerijnse overheid hebben sinds 1994 Britse en Amerikaanse maatschappijen vijf miljard dollar in de Algerijnse olie- en gassector geïnvesteerd. Zij legden pijpleidingen aan, die via Tunesië en Marokko gas en olie naar West-Europa brengen. Nu al importeren de lidstaten van de Europese Unie elf procent van hun gas en 96 procent van hun vloeibaar gas uit Algerije. Frankrijk, Italië en Spanje verdienen elk ongeveer een miljard dollar per jaar aan de verkoop van producten aan Algerije. Ook de Amerikaanse oliemaatschappijen, die de Algerijnse olie- en gasvoorraden exploiteren, kunnen op grote winsten rekenen. Over twee tot drie jaar wordt de productie nog een stuk groter - veel contracten zijn al getekend.

Door die buitenlandse inspanningen gaat het ook de Algerijnse overheid op financieel gebied zeer voor de wind. In 1994 had zij vrijwel geen deviezenreserves. Eind 1997 had zij acht miljard dollar aan reserves. Twee maanden geleden deelde het IMF mee dat een nieuwe herschikking van de schulden niet langer nodig is.

In het theoretische geval dat er wél een internationaal onderzoek komt, zou dat uitwijzen wat onbevooroordeelde journalisten ter plaatse al hebben uitgevonden: dat het grootste deel van de moorden op onbeschermde en ongewapende dorpelingen voor rekening komt van grote groepen, een paar honderd man sterk, die soms door de overlevende dorpelingen als hun vroegere buurlui, een enkele keer zelfs als hun familieleden werden herkend. Vaak werden de moordenaars niet herkend, omdat ze gemaskerd waren. Maar al lang geleden maakte de GIA, de meest extremistische groep moslim-strijders, bekend dat zij namens Allah al die lieden zou “bestraffen” die de bevelen van Gods Soldaten onvoldoende of niet gehoorzaamden - en daarom tot Gods vijanden moesten worden gerekend.

Wél komt regelmatig het verwijt terug dat het leger niet of veel te laat de aangevallen dorpen te hulp komt. Dat leidt onmiddelijk tot beschuldigingen dat de militairen direct of indirect zélf bij de moordpartijen betrokken zijn.

Zonder enige twijfel hebben ook de strijdkrachten en de door de overheid in het leven geroepen zelfverdedigingsmilities verschrikkelijk huis gehouden. Er is dan ook niet zo veel verschil tussen de Algerijnse generaals en de Joegoslavische leiders van het kaliber MiloviEÉc. Maar evenzo staat het vast dat de meeste slachtpartijen in de Algerijnse dorpen door radicaal-islamitische strijdgroepen werden uitgevoerd.

Vanaf 1994 beschuldigde het verboden FIS (het Front voor Islamitische Redding) steevast de overheid en de militairen van alle moorden in Algerije. De GIA zou in feite een door de geheime diensten bestuurde moordenaarsbende zijn. Daarom eiste het FIS “een internationaal onderzoek naar de misdaden van de junta”.

Als misdaden, door de eigen partij begaan, op te veel weerzin stuiten en dus te pijnlijk worden, pleegt men de tegenpartij ervan te beschuldigen. Toen de groep van de Palestijnse terroristenleider Abu Nidal al te weerzinwekkende moorden pleegde, werd in de Arabische wereld verkondigd dat zij op afstand door de Israelische geheime dienst, Mossad, gestuurd werd. Precies hetzelfde gebeurt in Algerije. Alleen was het opmerkelijk dat Al Ribat, een bulletin dat door het FIS in Bonn wordt uitgegeven, woensdag meldde dat de recent vermoorde dorpelingen in de streek bij Oran naar alle waarschijnlijkheid slachtoffers zijn van vergeldingsacties door een specifieke GIA-groep, die zichzelf De Monsters noemt. Ditmaal klaagde Al Ribat de overheid niet aan, omdat FIS en GIA sinds oktober elkaar onderling uitmoorden.

Amnesty International en andere mensenrechtenorganisaties leven nog steeds in de jaren '70 en '80. Toen ageerden zij tegen dictaturen die met moord en doodslag democratische oppositiebewegingen eronder probeerden te houden. Maar dat was een oppositie, waarmee gepraat kon worden. Dat gaat niet op voor de oorlogen in de jaren '90 tussen autoritaire Arabische regeringen en islamitische strijdgroepen die de Dictatuur Gods en de vernietiging van andersdenkenden prediken. Niettemin noemt Amnesty International in een wel wel zeer krampachtige objectiviteit de moorddadige moslim-terroristen van Algerije steevast “gewapende oppositie”. Daarmee worden alle elkaar bestrijdende machten in Algerije over één kam geschoren.

De Duitse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, Werner Hoyer, was heel wat realistischer, toen hij opmerkte: “Er zijn in Algerije geen duidelijk gedemarkeerde frontlijnen. Evenmin is het precies duidelijk wie de vijand is. Daarom is het onmogelijk om te praten over buitenlandse interventie of over het sturen van troepen.”

Hetzelfde geldt voor een internationaal onderzoek. De eis daartoe is politiek correct, omdat daarmee actie gesuggereerd wordt en alle strijdende partijen impliciet een beetje gelijk of ongelijk krijgen. Maar zo'n onderzoek in een oorlog op leven en dood is praktisch onmogelijk. Met schijnacties wordt de Algerijnse barbarij niet beëindigd.