In de rij

Bij VNO/NCW was het aanleiding voor een feestje. ABN Amro vond het een goede reden om zijn topmanagers een flinke bonus te geven en bij Philips heeft het waarschijnlijk de doorslag gegeven om het hoofdkantoor van het brave Eindhoven over te plaatsen naar Amsterdam, centrum van de wereld. Misschien heeft de aanvaarding van de MUB (wet Modernisering Universitaire Bestuursstructuur, de opvolger van de WUB, Wet Universitaire Bestuurshervorming) door het parlement nog wel tot meer vreugdemanifestaties in het bedrijfsleven geleid.

Maar, zult u zeggen, dat afbreken van de universitaire democratie, op voorstel van die lakei van het kapitalisme Ritzen, heeft toch alweer een tijd geleden plaatsgevonden? Inderdaad, maar kortgeleden moest ik er weer aan denken, toen ik in een kostbaar uitgevoerd Amsterdams universitair magazine geconfronteerd werd met de leden van onze kersverse Raad van Toezicht. Drie van die geslaagde bedrijfstijgers, vooral bekwaam in het opschroeven van de winst, een statistiekenmevrouw van De Nederlandsche Bank die in dat conservatieve bolwerk nog carrière gemaakt heeft onder Duisenberg en dus ook niet verdacht kan worden van linkse sympathieën, en interim-manager Ed van Thijn, alleen nog lid van de PvdA om te kunnen dreigen met het opzeggen van zijn lidmaatschap. Een goed gezelschap om toezicht te houden op de afbraak van de in de jaren zeventig gevestigde democratie aan de Universiteit van Amsterdam.

De universiteit was in de naoorlogse verzorgingsstaat het toonbeeld van een organisatie van professionals, die in grote mate zelf besliste hoe zij zal functioneren. Voor de socioloog Daniel Bell was dit een voorbeeld van een gemeenschapsethiek waarin niet-kapitalistische vormen van sociaal denken de toon aangaven. Er was daar tenslotte niet zo'n allesoverheersende productiviteitsdruk en de gezagsrelaties waren ontspannen.

Wanneer men aan arbeid twee functies onderscheidde: productie en ontplooiing, dan was in het bedrijfsleven arbeid een middel, een productiefactor, terwijl aan de universiteit arbeid in veel sterkere mate een doel was. Professor Albeda, die een aantal jaren minister van Sociale Zaken geweest is, noemde deze situatie een van de verworvenheden van de postindustriële samenleving. Kenmerkend voor die arbeid, schreef hij in 1974, is de zekere vrijheid die men heeft, dat er zelden repeterende taken zijn, dat de verhoudingen democratisch zijn en de werktijden niet te rigoureus. In 1984 maakte hij in dat verband een onderscheid tussen 'Nederland in de wind' en 'Nederland in de luwte'. 'In de wind' bevindt zich bijvoorbeeld de industriearbeider die voortdurend zijn productiviteit moet verhogen en bij slechte bedrijfsresultaten zijn baan dreigt te verliezen. 'In de luwte' werken allen die op enigerleiwijze door de overheid betaald worden.

Als voorbeeld gaf hij de bediende in de Tweede Kamer, die rustig heen en weer loopt tussen de Kamerleden, briefjes ophijst naar de perstribune en vooral veel rustig terzijde op een stoel zit en dat alles voor een aardig salaris. Jongeren zochten liever geen baan in het bedrijfsleven. Daar was je verplicht te produceren op andermans voorwaarden en als je je best niet deed, werd je op straat gezet. De universiteit bood toen rust en vrijheid en bestaanszekerheid. Een voorbeeld voor het bedrijfsleven, vond men in de politiek.

Dat was al die hardwerkende kapitalisten van industrie en handel natuurlijk een doorn in het oog. Toen na Gorbatsjov het IJzeren Gordijn was opgeruimd, de Duitse Muur was afgebroken en de zegeningen van het socialisme als boerenbedrog aan de kaak waren gesteld, ging er door het Westerse bedrijfsleven een zucht van verlichting. Nu kon er weer gewoon gewerkt worden. Geen socialisterig gepraat meer over meebeslissen: de baas is gewoon weer de baas. En wie zijn best niet doet kan in de WW, de WAO of in de Bijstand en de hoogte daarvan wordt tot een minimum teruggebracht.

Alleen de universiteit viel, om met Derrick te spreken, aus der Reihe. Daar konden de werknemers nog in grote mate zelf uitmaken wat ze zouden doen en hoe hard zij daarbij zouden ploeteren. Die storende factor moest dus opgeruimd worden. En dat is nu gelukt. Niks faculteitsraden en universiteitsraad. Net als in het bedrijfsleven gewoon een ondernemingsraad, waarin de werknemers mogen meebeslissen over de openingsuren van de kantine, de bewaking van de fietsenstalling of de hoeveelheid ballpoints die iedere medewerker per jaar mag verslijten. Voor het echte beslissen hebben we nu de Decanen en het College van Bestuur.

En de Raad van Toezicht uit het bedrijfsleven zal er, voor twintigduizend gulden per persoon per jaar, op toezien dat men voortaan in de rij blijft. Marktconform en als het kan winstgevend.