Frans Vera, ecoloog en vormgever van Nederland: 'Ik heb geen romantisch beeld van de natuur'

Als je natuur wilt beschermen, zal de boer moeten wijken. Verweven van de twee, het ideaal van de grutto op de weide, is zinloos. Aldus Frans Vera, ecoloog, werkzaam bij het ministerie van vooral Landbouw. Gesprek met een tegendraads ambtenaar. 'De mythe dat de landbouw verrijkend heeft gewerkt, is in Nederland diepgeworteld.'

Toen ecoloog Frans Vera dit najaar promoveerde kreeg hij van zijn promotor aan de Landbouw Universiteit in Wageningen een cadeau: een vroeg-neolithisch terracotta beeldje van een stier. Héél mooi, zegt Vera - waarmee hij zowel het beeldje als het gebaar bedoelt. Ruim zes jaar was hij in Wageningen gedetacheerd geweest, na een daverend conflict op het ministerie over zijn ideeën over wat natuur in Nederland is en kan zijn. De verschijning van zijn proefschrift Metaforen voor de wildernis viel nagenoeg samen met zijn terugkeer naar het politieke centrum van het natuurbeleid, het ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij (LNV). Nu is hij er senior beleidsmedewerker bij het Bureau Strategische Beleidsvorming, dat hij als een 'departementale denktank' omschrijft. Hij voelt zich er op zijn gemak, zegt hij - wat niet wil zeggen dat hij het altijd met het beleid eens is. Want zoals wij in Nederland met onze natuur omgaan, het zint hem nog steeds niet.

Toch zijn er weinig mensen die zo veel reden tot tevredenheid zouden kunnen hebben over de invloed van hun ideeën op het overheidsbeleid. Begin jaren tachtig vormde Frans Vera samen met een aantal geestverwanten - onder anderen Harm van de Veen, Dirk Sijmons, Willem Overmars en Fred Baerselman - een soort Gideonsbende. Zij waren de auctor intellectualis van een nieuwe aanpak van natuurbeheer, de natuurontwikkeling: land 'teruggeven' aan de natuur door eenvoudigweg op te houden met allerlei menselijke ingrepen, zoals landbouw, en het door dieren te laten begrazen.

Deze offensieve benadering betekende zowel in aanpak als in mentaliteit een grote breuk met de defensieve houding van de 'klassieke' natuurbescherming, die vooral erop was gericht dat wat er nog aan natuur was, te behouden. Verrassend snel schoot de natuurontwikkeling wortel in het rijksbeleid. In 1990 nam de Tweede Kamer het Natuurbeleidsplan aan, dat de aanleg van vijftigduizend hectare nieuwe natuur vóór het jaar 2015 voorschrijft.

Met zijn proefschrift wil Vera aantonen dat het landschap van het onontgonnen Nederland - anders dan meestal gedacht - geen eenvormig gesloten bos is geweest, maar een parkachtig landschap, “een mozaïek van graslanden, struweel, bomen en bosschages”, dat door grazende beesten als het oerrund en de Tarpan, het oerpaard, werd opengehouden. Die leefden daar in combinatie met de wisent, het edelhert, de eland, de ree, de bever en het wildzwijn. Hij pleit er voor grote stukken van Nederland in deze staat terug te brengen.

Met de landbouw doet de mens aan cherry-picking: er wordt een selectie uit de natuur gemaakt. Het rund met grasland en graan op omgeploegde grond, die mogen blijven, terwijl andere soorten die andere eisen stellen worden verdreven. Zodoende, zegt Vera, werd de natuur uiteen gerafeld en teruggebracht tot enkele onderdelen die nauwelijks nog samenhang hebben.

Het waren de ontwikkelingen in de Oostvaardersplassen die Vera eind jaren zeventig aan het denken hebben gezet. “Jarenlang hoorden we alleen maar doemverhalen over hoe slecht het met de natuur ging in Nederland. Maar daar zag ik dingen gebeuren, nota bene op een plek die bestemd was als industrieterrein, die aantoonden dat de natuur een enorme spankracht heeft. Er traden processen op, waarvan altijd was gezegd dat ze in het dichtbevolkte Nederland niet meer mogelijk waren - en dat de mens dus daarom de natuur wel móest beheren.

“Zo was altijd gezegd dat als je riet wilde behouden, je het moest maaien, anders zou het langzaam verlanden en bos worden. Dan zou je het moerasachtige kwijt zijn, samen met alle planten en dieren die je juist wilt laten voortbestaan. Maar in de Oostvaardersplassen bleek dat de grauwe ganzen dat riet begrazen en daarmee het moeras openhouden.

“Het bijzondere was dat de Oostvaardersplassen zich als een systeem ontwikkelden. Er openbaarden zich verbanden waaruit bleek dat onder bepaalde condities - schaal, oppervlakte, waterhuishouding, grote grazers en geen landbouw - dat wat weg is, kan terugkomen. Dat was een verheugend moment.”

In maart 1979 schreef hij op persoonlijke titel een artikel in het blad van de Stichting Natuur & Milieu over de Oostvaardersplassen. In diezelfde tijd kreeg hij een baan als ambtenaar bij de inspectie natuurbehoud van Staatsbosbeheer. Als 'medewerker waardevolle agrarische landschappen' moest hij manieren vinden om landbouw en natuur te verweven. Dat leidde tot eindeloos onderhandelen met de landbouw over beperkingen die nodig zouden zijn om wilde planten en dieren op boerenland te behouden. “Ik kwam steeds meer tot de conclusie, dat het onmogelijk is landbouw en natuur te verweven als je de natuur wilt beschermen. Voor de landbouw is een economisch rendabele bedrijfsvoering het belangrijkste. Alles mocht, wat natuur betreft, mits het de bedrijfsvoering maar niet te veel hinderde. En het is juist die bedrijfsvoering die leidt tot het verdwijnen van soorten.” De kersverse medewerker zat meteen met een gewetensconflict.

Vera kwam in contact met de inmiddels overleden bioloog Harm van de Veen. Hield Vera zich bezig met het moeras, Van de Veen was geïnteresseerd in het land, met name de Veluwe. Als eerste stelde hij voor een aantal dieren uit het oer-Nederland opnieuw te introduceren, zoals de wisent, het edelhert, het oerrund en zelfs de wolf. Vera ergert zich nog altijd aan de karikatuur die van die ideeën werd gemaakt, naar hij zegt omdat Van de Veen de jachtlobby en de bosbouw tegen zich kreeg: “Harm werd de 'wolvenman'. Het zou zijn schuld zijn als er recreanten werden opgegeten, men noemde hem typisch zo'n bioloog die een hekel aan mensen heeft, vul maar in. En ik durfde in een rapport te beweren dat het moeras in de Flevopolder een grotere schaal nodig had en wel ruim zesduizend hectare. Dat betekende het opheffen van drieduizend hectare potentiële landbouwgrond en het verleggen van de spoorlijn. Een ontzettende hoop heisa gaf het.

“Op een gegeven moment hadden we een groepje bij elkaar van geestverwanten die in verschillende organisaties werkten. Ik zat bij Staatsbosbeheer, Fred Baerselman bij CRM, Leen de Jong, nu ook bij het WNF, zat toen bij de Stichting Natuur & Milieu en Siegfried Woldhek, nu directeur van het Wereld Natuur Fonds Nederland en toen van de Vogelbescherming, We voelden ons soms wel een Gideonsbende, wij sprongen in de bres voor iets wat nog niemand in de gaten had.

“Ik was ervan overtuigd dat het principe van herstel van natuurlijke processen dat je in de Oostvaardersplassen zag, werelddekkend van toepassing was. Je had drie opties. Je kon proberen, defensief, de laatste beetjes te beschermen. Je kon ernaar streven de natuur binnen de landbouw te handhaven, wat volgens mij kansloos is. Of je kon landbouwgrond uit productie nemen en daar de natuurlijke processen weer op gang brengen - volgens mij de meest kansrijke optie. Maar daarmee hadden we wel iedereen tegen ons: onze bazen, de landbouw en zelfs ook de klassieke natuurbescherming die al haar kaarten had gezet op het vertrouwde agrarische landschap.”

Waarom vond u het zo belangrijk om vast te stellen wat het 'oerlandschap' was van Nederland?

“Alle besluiten die we nu over het landschap nemen, staan in het teken van dat ene, onjuist idee, namelijk dat als je handen van het cultuurlandschap af zou trekken, alles weer zou 'vervallen' tot gesloten bos. En bos dat arm is aan soorten, dus aan biodiversiteit. Diep in hun hart waren die natuurbeschermers dus helemaal niet vóór natuur - want die natuur was saai! Wat de mens had gemaakt was veel leuker. Alles wat openheid in het landschap gaf, wat wij prettig vinden, werd op het conto van de mens geschreven, dat wil zeggen de landbouw. Grutto's op de boerenweiden. Maar in de echte natuur trekt de zeearend rondjes boven de grutto, in de buurt loopt een kraanvogel met jongen. Daar is geen sprake van.

“Alles wat iedereen toeschrijft aan de landbouw, was er van nature al. Logisch, anders zouden al die planten- en diersoorten zijn ontstaan dankzij de landbouw. Dat is uiterst onwaarschijnlijk, de landbouw is pas tienduizend jaar oud; zo snel gaat de evolutie niet. Dus moest ik die theorie over gesloten bos als oerlandschap kunnen ontzenuwen. Maar de mythe dat de landbouw verrijkend heeft gewerkt, is in Nederland diepgeworteld.”

Uw critici zeggen dat het u alleen om het mooie plaatje te doen is, een natuurbeeld in een vergulde lijst. Is het niet een door de ecologie gerechtvaardigde romantiek die u predikt?

Als door een wesp gestoken veert Vera op uit zijn stoel. “Voor u is dat romantiek misschien, maar ik heb geen romantisch beeld van de natuur! Ik kan het niet helpen dat het oerlandschap, zoals ik me dat aan de hand van wetenschappelijk onderzoek voorstel, overeenkomt met beelden die anderen hebben van wat een romantisch landschap is. Romantiseren betekent: het toedichten van dingen die er in werkelijkheid niet zijn. Dat wil niet zeggen dat ik dat half open parklandschap niet mooi vind, want dat is het wel. En we vinden het mede mooi omdat we het kwijt zijn.

“Maar u moet niet mij neerzetten als een naïeve romanticus. Ik heb de geschiedenis van het landschap beredeneerd vanuit tijdloze processen die voor de natuur hebben gezorgd. Als je de natuur wilt beschermen moet je dat doen op basis van die processen, niet op basis van het door de mens gemaakte cultuurlandschap. Waarom zou ik denken dat ik het beter zou kunnen dan de natuur zelf?”

Probeert u niet een natuurideaal in stand te houden die binnen het huidige verstedelijkte Nederland onbestaanbaar is?

“Hoezo onbestaanbaar? Hebben we de ruimte niet? Hebben we de mogelijkheid niet om de processen te herstellen? Tenzij je er gewoon niet in gelóóft of het bedreigend vindt voor de omgeving waar we vertrouwd mee zijn. Boeren zeggen: het kan niet, het is onzin wat Vera wil. Omdat zij de grond niet willen afstaan. Maar daarmee is niet aangetoond dat het niet kán.”

U zou ook kunnen zeggen: als je de natuur een goed hart toe draagt, ben je verplicht te zoeken naar oplossingen die minder radicaal zijn, maar wel haalbaar binnen de huidige economische constellatie.

“Moet je je verzet tegen de uitstoot van koolstofdioxide staken omdat de oplossing moeilijk is? In Nederland is de natuur ontzettend onttakeld en het ergste is dat we ons dat niet eens realiseren. Je ziet pas de kloof als je er ander gebied naast zet, bijvoorbeeld de Oostvaardersplassen. Naarmate er meer natuur dicht bij huis is, wordt ook een vraag gegenereerd. Mensen gaan zich afvragen waarom ze naar Flevoland moeten om ongerepte natuur te ervaren, terwijl het binnen tien jaar ook naast de deur in Den Haag kan. Het beleid speelt daar nu op in.

“Direct doet zich het dilemma voor: waar het ene is, kan het andere niet meer zijn. Waar natuurontwikkeling is, is geen cultuurlandschap meer. Dus hebben we een probleem. Ik zie echter een heel ander en volgens mij veel groter probleem: dat we de natuur niet meer begrijpen omdat we de wildernis niet meer kennen.”

Waarom zouden we überhaupt terug naar de oernatuur moeten willen?

“Ik gebruik de oernatuur als referentie, maar die krijg je niet terug. Filosofen kennen het gezegde: je loopt nooit twee keer door dezelfde rivier. De natuur laat zich ook niet herhalen. Je kunt wel processen weer op gang brengen, zodat er een moderne analogie ontstaat van wat wij oernatuur noemen.”

Is het in zo'n klein land als Nederland, dat ook nog zozeer door mensenhand geschapen is, haalbaar om èn landbouw èn wildernis te willen hebben?

“Het is zo haalbaar als we zelf willen. Dertig jaar geleden was het natuurgebied in de Oostvaardersplassen helemaal niet haalbaar, maar moet je nu eens kijken. Hetzelfde geldt voor de natuurontwikkeling langs de rivieren, zoals de Waal en de Grensmaas. Dan hoor je al gauw de karikatuur 'van Frans Vera moeten er veertien miljoen mensen het land uit'. Onzin. Wat ik zeg is, kijk, er ligt een Veluwe van honderdduizend hectare en wat weten we ervan te maken? Een cultuurlandschap waar hout wordt geproduceerd - waardevol, dat wel, maar geen natuurgebied van betekenis. In de Krimpenerwaard is eigenlijk geen fatsoenlijke landbouw meer mogelijk, je kunt dat slagenlandschap niet blíjven ontwateren. Waarom wordt het niet uit cultuur genomen?

“In potentie beschikken wij in Europa ook over de grote schaal zoals bijvoorbeeld Amerika. Met Midden- en Oost-Europa erbij verdubbelt het areaal aan landbouwgrond, terwijl het aantal consumenten met slechts veertig procent toeneemt. Als je ziet wat je uit productie zou kunnen nemen! Straks gaat het om honderden, zo niet duizenden vierkante kilometers.

“We doen er in Nederland nog veel te weinig aan, vind ik. Een paar maanden geleden verscheen het rapport Natuurverkenning 97, waaruit bleek dat van alle voornemens in het Natuurbeleidsplan, de natuurontwikkeling het meest achterloopt. Terwijl volgens hetzelfde rapport, de grootste winst voor natuur juist daar wordt gehaald.”

U stelt voor om huis-, tuin- en keukenkoeien en paarden te laten verwilderen. Maar hoe natuurlijk zijn de halfwilde grote grazers die al zijn uitgezet? Ze worden geëvacueerd bij hoog water omdat ze anders misschien verdrinken. Ze grazen op uiterwaarden die door zware metalen zijn verontreinigd. We doen DNA-onderzoek bij Konik-paarden om inteelt te voorkomen.

“De principiële vraag is: kun je het gedomesticeerde beesten aandoen om weer natuurlijk te moeten leven? Het kan, overal ter wereld zijn er voorbeelden, zoals de mustangs in Amerika. Op het afgelegen Franse eiland Amsterdam in de Indische Oceaan leeft zelfs een kudde van drieduizend verwilderde runderen, die medio vorige eeuw als voorraad vers vlees door zeelieden waren gestald.

“Gedomesticeerde dieren kúnnen verwilderen, de vraag is alleen of het binnen één generatie kan. Vanuit het dier gezien is het geen probleem om natuurlijke omstandigheden het hoofd te bieden. Maar ja, dan gaat zich wel een aantal verschijnselen voordoen die we bij huisdieren proberen te voorkomen. Er zullen dieren verhongeren en veulens sterven. Bij de wilde paarden in de Franse Camargue gaat eenderde van de veulens de eerste paar dagen dood, bij zebra's ook, bij de roodborstjes haalt de helft het einde van het eerste jaar niet. Dat gebeurt nu eenmaal in de natuur. Moeten wij dat tegenhouden omdat wij het zielig vinden? Zelfs een karkas van een dier dat een natuurlijke dood is gestorven, mag in de Oostvaardersplassen niet blijven liggen. De Wet Welzijn en Gezondheidszorg voor dieren, uit 1992, maakt het voor dieren onmogelijk om te leven zoals ze dat in de natuur doen.”

Het huidige natuurbeleid is in veel opzichten geïnspireerd op uw ideeën. Heeft u nu uw gelijk?

“Nee. Tussen de Verkennende Studie Natuurontwikkeling die Fred Baerselman en ik in 1988 schreven en het Natuurbeleidsplan zoals het in 1990 is aangenomen, gaapt een enorme kloof. De nota stelde een veel strengere scheiding voor tussen natuur en landbouw. Voor de natuur moest er een Ecologische Infrastructuur komen, even krachtig als de infrastructuur voor wegen. Na een grondige afweging stel je die in en die staat dan niet meer ter discussie. Een gemeente gaat toch ook niet bij elke herziening van het bestemmingsplan opnieuw debatteren over de vraag of dat ene stukje snelweg in hun gemeente weer landbouwgrond moet worden?

“Die nota gaf een ontzettende klap binnen de toenmalige directie Natuur van LNV. In het Natuurbeleidsplan is geprobeerd het effect van het gedachtengoed uit die nota, zoveel mogelijk te neutraliseren. Er is geen infrastructuur gekomen, maar een slappe Ecologische Hoofdstructuur waarbinnen ook landbouwgronden en bos zijn opgenomen. Nu hoor je de twijfels al: werkt die Ecologische Hoofdstructuur wel? Moeten we die niet afschaffen? De mislukking zat al ingebakken, want de veroorzakers van het probleem, bos en landbouw, waren weer binnengehaald.

“Ik heb dus geen gelijk gekregen. Ik heb alleen een ander idee ingezet dat volgens mij beter is dan de vigerende. Ik ga er vanuit dat ik dichter bij de waarheid zit. Heel dicht, denk ik. Al die variëteit en biodiversiteit die wij aan de pre-industriële landbouw toeschrijven, was er allemaal al. Het enige wat wij hebben gedaan is tegen het oerrund zeggen: sodemieter op, en daar onze huiskoeien neergezet.

,Toch moet ik toegeven dat er wel een en ander veranderd is, en bereikt. Al in 1975 werd gepraat over het idee om het eiland Tiengemeten in de Haringvliet van landbouwgebied om te zetten in natuur. Kennelijk was dat toen onbespreekbaar, nu gebeurt het wel. Toen ik opperde dat het natuurgebied in de Oostvaardersplassen toch wel zesduizend hectare groot moest zijn, was dat revolutionair. Als je ziet hoe groot het nu is, met de stukken die geleidelijk er aan toegevoegd gaan worden, dan kom je uit op meer dan achtduizend hectare. Tien jaar geleden was dat ondenkbaar.''

Voelt u zich nog de horzel van het natuurbeleid?

“Nee, want ik voel me niet alleen. De 'Gideonsbende' van toen had het gevoel dat we steeds meer geïsoleerd kwamen te staan, terwijl we ervan overtuigd waren dat we echt iets wezenlijks bij de kop hadden. Nu heb ik voor het eerst het gevoel dat ik in een team werk, waar alles kan worden besproken. Bovendien ben ik met dit proefschrift door de wetenschappelijke ballotage heen, de natuurontwikkeling is niet meer een welles-nietesgesprek.”

Geen gewetensconflict meer?

“Nee, maar ik sluit niet uit dat ik weer in die situatie zou kunnen komen. Als zo'n ministerie dat er voor is om de natuur te beschermen, er niks of te weinig aan doet, dan zal ik die maat nog wel nemen. Vergist u niet, dit is nog steeds voor een groot deel een ministerie van Landbouw.”