Feldgericht in de eetkamer

Op 1 januari '45 werd het huis in Zaltbommel waar mijn ouders een paar kamers hadden gehuurd door twee dichtbij ons huis vallende bommen getroffen. Een neergeschoten Engels vliegtuig stortte in de rivier. Door de klap was geen ruit meer heel, de pannen werden van het dak gerukt en deuren en kozijnen waren ontzet. Vader bleef in het huis om het te bewaken. Wij, mijn moeder en de drie kinderen, verhuisden naar het grote huis van mijn grootouders, dat een paar straten verderop lag.

Hier zaten twintig Duitse soldaten ingekwartierd. Zaltbommel, dat een dag na Dolle Dinsdag (5 september) geëvacueerd was geweest, lag toen min of meer aan het front. Mijn grootouders waren nog niet in hun eigen huis teruggekeerd, wel waren er een bejaarde oud-tante en twee dienstmeisjes, die trachtten het huis enigzins op orde te krijgen. Er was tijdens de afwezigheid van de inwoners van de stad in veel huizen geplunderd door doortrekkende Duitse troepen en anderen. Dat er geen stromend water meer was - de watertoren was door een voltreffer geraakt - was een bijkomstig probleem. Wij mochten op matrassen op de vloer van de salon de nacht doorbrengen.

De Duitse soldaten bemoeiden zich nauwelijks met ons; een enkeling begon een praatje. De hogeren in rang hadden een van de betere kamers ingepikt, de slaapkamer van ons oud-tantetje. Daar zaten die kerels rond de brandende kachel te kaarten of te lezen. De lageren in rang doodden de tijd met het schieten op houtduiven in de tuin, die zij later braadden en opaten. Onze poes Roetje, die de evacuatie uit Den Haag met ons meebeleefd had, hielp de soldaten de duiven te zoeken - wij kinderen meenden althans zoiets gezien te hebben.

Op een dag ontdekte mijn moeder dat er twee van haar zuinig bewaarde blikjes met gecondenseerde melk verdwenen waren. Zij had die even op een tafel in de gang gezet. Op hoge benen stapte ze naar de officieren toe om haar beklag te doen. Terwijl links en rechts granaten vielen - Zaltbommel werd vanuit Brabant met granaten beschoten - maakte zij zich boos over blikjes melk.

“De Feldwebel was heel vriendelijk”, vertelde ze, toen ze terugkwam. “Jawohl gnädige Frau! Dat is een schandaal!” had hij gezegd, “ik zal mijn manschappen er over onderhouden, zoiets mag niet meer gebeuren.” Maar de blikjes kregen we niet terug.

Bij een van de granaatbeschietingen was een meisje van mijn leeftijd omgekomen. Ik had wel eens met haar gesproken tijdens het aardappels schillen voor de gaarkeuken, dat voor meisjes vanaf dertien jaar verplicht was. Steeds moest ik aan dit meisje denken en vroeg mij af hoe het toch gegaan zou zijn. Had ze gewoon 's nachts liggen slapen toen granaatscherven het dak openscheurden? Of had zij nog naar beneden willen rennen? Was zij meteen dood geweest? Ik vroeg mijn moeder ernaar maar kreeg ontwijkende antwoorden.

Zelf waren wij, geloof ik, nooit erg bang.

Op 24 januari had er een 'Feldgericht' plaats, een Duitse oorlogsrechtszitting. Soldaten liepen met het geweer in de aanslag door de marmeren gangen heen en weer. Een groepje anderen zagen we met bange gezichten op een bank zitten wachten.

In de eetkamer, waar het vroeger altijd deftig en beschaafd toeging, waar een dienstmeisje met een wit schort voor en een mutsje op het diner serveerde als oma op een belletje had gedrukt, zaten nu de Duitse Feldwebels en Sturmführers uit oma's kristallen glazen Schnapps te drinken. Jaantje, het Zeeuwse dienstmeisje, moest op bevel van de Duitsers, zeer tegen haar zin, de eetkamer van tevoren grondig schoonmaken en vegen. Zij wist te melden dat het om deserteurs ging die berecht zouden worden.

Er waren verhalen van Duitse deserteurs die, als Nederlandse burgers verkleed, zich bij de vluchtelingen voegden om de opgeblazen, maar voor voetgangers nog bruikbare Waalbrug over te steken. Deze evacués, meest afkomstig uit de platgeschoten dorpen langs de Maas, hoefden bij het passeren van de brug blijkbaar geen persoonsbewijs te laten zien.

Het Feldgericht duurde twee dagen en ging ook 's avonds door. Op de eerste avond werd er, toen mijn zusje, broertje en ik in bed wat lagen te lachen, met een geweerkolf op de deur geslagen. Een Duitser kwam, het geweer in de aanslag, naar binnen stormen en schreeuwde 'Maul halten!'. De volgende dag slopen we stilletjes door de gang, waar we anders onbekommerd ronddartelden.

Een paar weken later waren alle Duitsers eensklaps uit het huis vertrokken. De hoop dat Zaltbommel echt bevrijd zou worden hadden we allang opgegeven. De geallieerden kwamen de Maas niet over. Wij hebben nooit of te nimmer een Canadees of Engelsman te zien gekregen. Zelfs na 5 mei liepen er nog Duitsers in de stad rond.