Dopingonderzoek

Oud-zwemster Conny van Bentum verklaarde zich deze week voorstander van nader onderzoek naar dopinggebruik van haar vroegere Oost-Duitse concurrentes. Heeft dat na al die jaren nog zin?

Annemarie Janssen-Verstappen, oud-zwemster: “Als ik nu alsnog sommige wedstrijden gewonnen zou hebben, word ik daar niet blijer of triester van. Het is allemaal al zo lang geleden. We hebben altijd wel gedacht dat de Oost-Duitse zwemsters iets kregen waardoor ze harder gingen, maar het kon nooit bewezen worden. Net als Conny ben ik ook vaak tweede of derde geworden. Wat heb ik eraan als ik nu nog voor sommige wedstrijden een gouden plak krijg? Mijn medailles liggen trouwens toch gewoon bij de rest van de zwemspullen, ze hangen echt niet op de kamer. Niet dat ik er niet trots op ben, maar ik ga er tien jaar later niet mee lopen pronken.”

Els Vader, oud-atlete: “Achteraf heeft een medaille weinig waarde. Iedereen herinnert zich nog precies hoe Ellen van Langen zes jaar geleden olympisch kampioen werd, maar als Conny van Bentum na al die tijd de eerste plaats toegewezen krijgt, zal niemand haar ooit als gouden-medaillewinnares zien. Ik ben in indoorwedstrijden vaak vierde geworden, misschien stellen de prestaties achteraf iets meer voor als ik alsnog derde word, maar de waarde van het moment zal altijd ontbreken. Bovendien blijft nu iedereen buiten de DDR buiten schot. Daar is nu toevallig vastgelegd dat er op grote schaal doping is gebruikt, maar ik heb ook wel eens tegen Florence Griffith gelopen. Ik durf mijn hand er niet voor in het vuur te steken dat zij wél schoon gelopen heeft. Ach, er is gewoon altijd oneerlijke concurrentie geweest. Ik heb me daar in mijn actieve periode al bij neergelegd.”

Jan Ykema, zilveren-medaillewinnaar op de 500 meter schaatsen in Calgary 1988: “Ik zou graag meewerken aan zo'n onderzoek en eindelijk mijn gram halen. Ik werd tweede achter Uwe-Jens Mey en zijn vroegere trainer heeft al een beetje bekend dat er doping gebruikt werd. De Oost-Duitsers houden zich van de domme en zeggen dat ze niet wisten wat ze kregen. Nou, iedere spuit die in mijn lichaam ging werd goed gecontroleerd. In die tijd ben ik er nooit van uitgegaan dat mensen doping gebruikten. Iedereen reed op brood en een glas melk. Nu ben ik wakker geschud. Als Mey inderdaad gebruikt heeft en niet had mogen rijden, was ik eerste geworden. Daar was ik zeker twee ton beter van geworden. Ik weet niet of ik ook gelukkiger was geweest, maar ik had nog meer waardering gekregen dan ik nu al heb gehad.”

Jolanda de Rover, oud-zwemster: “Ik heb mezelf dikwijls afgevraagd hoe vaak ik eerste zou zijn geworden als niemand iets gebruikte. Want dat er vaak doping in het spel was, vermoedden wij vroeger ook wel. Nu zijn er mensen die het hebben toegegeven. Nee, ik werd niet kwaad toen ik dat hoorde, eerder iets van Zie je wel. Eventuele medailles hoef ik niet meer. Zwemmen is een afgesloten periode.”

E. Vrijman, directeur van het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken: “Uit oogpunt van de sporter kan ik het begrijpen, maar wie bewijst dat anderen niet hebben gebruikt? In die periode werd niet iedereen gecontroleerd. Daarom is dit een hopeloze discussie. Je mag best terugkijken, maar doe dat dan om er in de toekomst beter van te worden. Ik vind het veel erger dat in China nu hetzelfde lijkt te gebeuren als vroeger in de DDR. Iedere Oost-Duitser die nu een boekje open doet over doping wordt gestraft, terwijl we er heel veel van kunnen leren. Overigens moet ik heel hard lachen als de Amerikanen beginnen te klagen. Zij zijn hun controleprogramma voor Atlanta pas na het toernooi gestart. Bovendien hebben veel Amerikaanse zwemsters in de DDR-tijd gouden medailles gewonnen. Gebruikten zij dan ook? Het is makkelijk om met modder te gooien als niemand iets over jouw verleden weet.”