Dom gestook

Het beeld is bekend. Een Nederlandse politicus die zichzelf vastloopt op een barricade van microfoonhengels, camera's en door elkaar kakelende reporters die namens hun kijkers de volkvertegenwoordiger dwingen absolute opening van zaken te geven. Over wat precies is niet belangrijk voor deze struikrovers. Zij zijn alleen geïnteresseerd in quotes, en, ook als er niets uitkomt, zoveel mogelijk bruikbare beelden van een geïrriteerde, verwarde of anderszins geëmotioneerde bewindspersoon. Daarmee kan de redactie in de studio het itempje uit Den Haag optuigen en zendklaar maken voor de doelgroep.

Deze journalistieke gang bangs vinden bij voorkeur plaats laat op de avond, als de parlementariërs moevergaderd het gebouw van de Tweede Kamer trachten te verlaten. Door al dit geweld krijgen de Haagse wandelgangen, die toch de slagaders van de levende democratie zijn, steeds meer de dreiging van een no-go area. Zeker nu het aantal nieuwsploegen zo explosief is toegenomen door de vloed van commerciële zendgemachtigden.

Met de verkiezingen in aantocht moeten we vrezen dat de beelden die ons vanuit het Binnenhof zullen bereiken nog schokkender en mensonterender worden. Dat zijn de keiharde wetten van de moderne nieuwsgaring op de markt van kijkcijfers en advertentietarieven.

Overdreven? Pak de krant van afgelopen maandag er maar bij. Op pagina drie staat een foto van Roel Rozenburg waarop we zien hoe minister Borst (67) door een donkere horde nieuwsjagers tegen een betonnen wand wordt gedrukt. Vol angst kijkt ze omhoog naar een glimmend gabberhoofd dat namens Veronica haar een aantal dringende vragen meent te moeten stellen. Over zijn schouder priemt een cameralens. Het lijkbleke gelaat van de bewindsvrouw, gevangen in de stroperslampen van de media, vormt niet alleen het compositorisch middelpunt van deze onthullende foto maar drukt naast angst ook de algemene ontzetting uit over de zinloosheid van dit soort ontmoetingen. 'Els Borst staat de parlementaire pers te woord na afloop van het varkensdebat', luidt het onderschrift. Maar iedereen ziet onmiddellijk dat er iets veel ernstigers aan de hand is.

Goed, zullen sommigen zeggen, het is allemaal niet even netjes wat daar gebeurt, maar is mevrouw Borst nu wel zo'n goed voorbeeld? Is ze met haar leeftijd en met haar achtergrond wel geschikt om in de Haagse jungle losgelaten te worden? Ze mag een helder verstand hebben en een groot zelfvertrouwen, maar daarmee is ze nog niet streetwise genoeg om de pers te overleven. Integendeel, haar rotsvaste geloof in de redelijkheid van haar tegenstanders maakt haar bij voorbaat een lame duck, zowel in de Kamer als in de wandelgangen. Dat zou best kunnen, en wellicht zijn er collega's van haar die zich geroutineerder door al dat mediageweld heenvechten en zonder een schrammetje de dienstauto bereiken. Of, wat ook denkbaar is, hebben de meeste collega's het beroep juist gekozen om de pers te kunnen ontmoeten. Zij vinden het ware genot in het licht van de camera's en komen daarom vaak tijdens het Kamerdebat al stiekem op de gang kijken of er iets te beleven valt.

Dat neemt niet weg dat de manier waarop de parlementaire journalistiek zich ontwikkelt weinig goeds belooft voor de toekomst van de democratie. Ook al zijn er politici die het heerlijk vinden om het spel mee te spelen, de meeste kiezers die in mei een verstandige keuze willen maken komt het de strot uit. Want, laten we eerlijk zijn, de informatiewaarde van die duizenden scènes uit Den Haag waarin Wouke van Scherrenburg, Frits Wester, Ferry Mingelen en hoe de rest van het tuig ook moge heten, hun laffe aanvalletjes plaatsen, is nulkommanul. Dat geduw en getrek, dat onvolwassen getreiter, de vermoorde onschuld, of de gespeelde verontwaardiging, het levert allemaal niet veel meer op dan een serie betekenisloze soap-afleveringen, die louter en alleen door de frequentie waarmee ze op het beeldscherm verschijnen de suggestie wekken ons iets te willen meedelen.

Met enige fantasie zou die boodschap kunnen luiden: politici hebben veel te verbergen want ze willen nooit praten. De ongeschreven regel van het parlementaire televisie-interview vereist namelijk dat de laatste vraag er altijd eentje is waarop de politicus onmogelijk kan antwoorden. Deze rituele cliffhanger, om in soaptermen te blijven, laat elk gesprek eindigen in onduidelijkheid, ongemak, irritatie, frustratie, en ten slotte, met het beledigende dichtslaan van auto-portieren.

Bij de oppervlakkige kijker kan zo het beeld ontstaan dat ons land geregeerd wordt door Haagse mafiabazen. Maar voor wie beter oplet is het duidelijk dat het niet de politici zijn die weigeren te praten. Het zijn de journalisten met hun fixatie op one-liners en emoties die ervoor zorgen dat er nooit een zakelijk, informatief gesprek gevoerd wordt waarmee je als kiezer verder kunt.

Wie met vragen als “U komt zo beheerst over, maar bent u in feite niet vreselijk boos?”, “Gaat u nu aftreden?” of “Vindt u varkensvlees eigenlijk lekker?” de ragfijne rationaliteit van onze paarse politiek wil verduidelijken, bewijst niemand een dienst. Integendeel. Dit domme gestook in de relatie tussen kiezer en gekozene is levensgevaarlijk in een verkiezingsperiode waarin beide partners het toch al zo moeilijk hebben.

Ik kan alleen maar hopen dat Wouke en de haren de zinloosheid van hun daden zullen beseffen voordat het straks in mei te laat is.