'Die nadruk op algemene vorming mag minder'; Job Cohen over het voortgezet onderwijs

Oud-staatssecretaris Job Cohen is even weg bij de Universiteit Maastricht. Hij gaat 'omkijken naar iets anders'.

HET IS MOOI geweest, vindt Job Cohen, tot gisteren rector magnificus van de Universiteit Maastricht. De PvdA- fractievoorzitter in de Eerste Kamer en oud-staatssecretaris voor Onderwijs, verlaat na zeven jaar tijdelijk de jongste universiteit van Nederland. Inmiddels is Maastricht niet meer “die schattige kleuteropleiding in het zuiden”, maar een volwaardige concurrent voor de overige twaalf, vindt hij. De universiteit die al 25 jaar didactisch dwarsligt met haar 'Probleem Gestuurd Onderwijs', is de enige die de afgelopen jaren is blijven groeien. Dit studiejaar meldde zich in Maastricht 17 procent meer studenten dan vorig studiejaar.

Cohen neemt een sabbatical year waarin hij waarnemend directeur van de VPRO zal zijn en zal “omkijken naar iets anders”. Prof. dr. Cohen is een van de auteurs van de onderwijsparagraaf van het PvdA-verkiezingsprogramma. De PvdA zou volgens hem nog wel een derde regeringsperiode de dienst willen uitmaken op het departement van OC&W. Staatssecretaris Tineke Netelenbos (PvdA) heeft al verschillende keren via de media laten weten dat ze de volgende minister van Onderwijs wil worden. Maar partijgenoten noemen vaak Cohen als geschikte kandidaat. Zelf meldde hij uitdrukkelijk niet over zijn politieke toekomst te willen praten. Een gesprek over het voortgezet onderwijs, waarin opvalt dat hij expliciete kritiek heeft op enkele gezichtsbepalende beleidspunten van Netelenbos.

In de komende vernieuwing van de hoogste klassen van de Havo en het VWO moeten leraren minder voor de klas staan en meer overlaten aan het initiatief van leerlingen. Eenderde van de scholen voert in augustus al dat 'Studiehuis' in, de rest volgt volgend jaar. Zijn middelbare scholen klaar voor de terugtredende docent?

“Nog niet. Het staat vast dat het Studiehuis een grote omwenteling is, omdat leraren van leerlingen zelfstandigheid moeten vragen. Het zal dus lang duren voordat scholen er een succes van maken. Hoeveel jaar is niet goed te zeggen, de ene school en de ene leraar zal de nodige didactische vaardigheden sneller onder de knie hebben dan de andere.”

Volgens critici kunnen zelfs gymnasiasten die gevraagde zelfstandigheid niet aan, laat staan leerlingen in Havo 4.

“Van leraren voor Havo 4 zal het veel vragen ja; die klassen bestaan uit allerlei soorten leerlingen, die ook al in een moeilijke leeftijd zitten. Maar voor de Havo tot en met het gymnasium geldt dat leerlingen niet zelfstandig zijn, je moet ze zelfstandig maken. Daarvoor moet een leraar de leerling juist vaak aan de hand nemen - heel erg de leraar uithangen - net als bij het probleem gestuurd onderwijs hier. 'Nooit meer hoorcolleges', was eerst het adagium, maar daar zijn we al lang overheen: soms moet dat, en frontale lessen en groepswerk zullen ook in het studiehuis nodig blijven. De leerling zal fouten blijven maken, de leraar moet corrigerend blijven optreden. Je moet samen, in een groep, net zolang een probleem bespreken, totdat de individuele leerling zegt: en nu wil ik zélf begrijpen hoe het zit! Dat is het mooiste moment.

“Hier zijn derde- en vierdejaars studenten als docent vaak sterker in het geven van zulk onderwijs dan echte docenten, omdat ze zelf op die manier zijn opgeleid. Ze hebben ook minder de neiging om een vraagstuk naar hun eigen inhoudelijke terrein te trekken - ze blijven dichter bij de stof.”

Maar zou dan pas de volgende generatie leraren de juiste didactische vaardigheden hebben?

“Het huidige lerarenkorps zal daar moeite mee hebben, ja. Ik zou er niet tegen zijn om daar meer geld in te stoppen. Om ook díe klasssen te verkleinen bijvoorbeeld, zodat leraren meer tijd hebben per individuele leerling. Toch zijn er zijn veel leraren die het interessant vinden, hoor. En het gaat uiteindelijk niet om het proces maar om wàt leerlingen in het eindexamenjaar kunnen en weten.”

Is het omgooien van het hele onderwijsproces dan niet onzinnig?

“Nee, zeker niet, maar je moet het proces op zichzelf niet voortdurend van bovenaf toetsen. Je moet niet als overheid decreteren hoe een leraar invulling geeft aan het studiehuis. Dat moet hij zelf bepalen.”

Is dat niet wat vrijblijvend?

“Nee, je moet wel de onderwijsdoelen toetsen. Maar een leraar móet kunnen handelen naar bevind van zaken. En trouwens: zoals het nu gaat, kan het ook niet. Je kunt van jongeren niet meer verwachten dat ze acht uur per dag naar leraren luisteren. In deze tijd is hun aandacht snel afgeleid; er wordt gezapt, er komt zoveel informatie op hen af. Van studenten kun je evenmin verwachten dat ze de hele dag naar hoorcolleges van een hoogleraar luisteren. Zelfs als je als leraar denkt: 'Dat heb ik zó mooi verteld, dat zullen ze nooit meer vergeten', dan vergeet de helft het toch.”

Terwijl de leraar aandacht besteedt aan één leerling, zitten de anderen straks braaf in een hoek te studeren?

“Soms wel. Toegegeven, aandacht verdelen is zwaar voor de leraar. Mijn dochter zit op een Montessorischool waar dat al gebeurt en dat vergt veel energie van de leerkracht. Maar het kán werken - met de één kun je in een hoger tempo werken dan met de ander - het kan 'onderwijs op maat' opleveren. Wat ik overigens een vreselijke term vind.”

Zal de uitwerking van de plannen per school niet zeer verschillen?

“Gelukkig wel zeg, verschillen tussen scholen zijn mooi.”

Vergelijkingen tussen scholen ook?

“Ja. Van mij mogen er tientallen ranglijsten komen, zoals de scholenlijst van Trouw. Hoe meer, hoe beter. Op de universiteiten kennen we de ranglijsten al jaren en ze werken goed: het stimuleert de competitie in kwaliteit. Het geeft schoolverlaters ook een handvat om hun studiekeuze te bepalen, want ook al lezen ze de visitatierapporten niet, de kranten schrijven er wel over. Natuurlijk zijn de scholen nu geschrokken, wij waren eerst ook als de dood, maar het went en het prikkelt om te presteren.”

Staatsecretaris Netelenbos wil, na alle kritiek op de ranglijst van Trouw, nu een eigen landelijk overzicht van prestaties van scholen uitgeven, met 'harde' gegevens over alle scholen.

“Dat vind ik heel onverstandig, dat zou ik nooit doen. Het is niet de taak van de overheid om te zeggen welke scholen 'goed' zijn en welke niet. De overheid moet wel eisen stellen aan het onderwijs, maar ze moet geen hiërarchie aanbrengen in die eisen. Ze moet niet zeggen: hoge cijfers zijn belangrijker dan het pedagogische klimaat of andersom. In het hoger onderwijs geven de visitatiecommissies criteria aan waaraan opleidingen moeten voldoen, maar ook zij maken geen ranglijst. Laat het maken van vergelijkingen maar over aan derden, zoals kranten en tijdschriften. Dan kan de één een ranglijst maken waarin de sociaal-pedagogische aanpak van een school wordt onderstreept en de ander een ranglijst waarin alleen op harde, 'kille' cijfers wordt gelet.”

Dat laatste gebeurt in Engeland al jaren, zou Nederland dat aankunnen?

“Ik denk niet dat de Nederlandse samenleving zo'n keiharde lijst zou wíllen, wij zijn minder een klassenmaatschappij dan Engeland. Zo'n blik op het onderwijs is ook buitengewoon beperkt. Wij vinden behalve examenresultaten, sociale vorming en het pedagogische klimaat op een school belangrijk.”

In Amsterdam nemen alle basisscholen nu de Cito-toets af. Wethouder Van der Aa (ook PvdA) vergelijkt hun resultaten en zal hen financieel straffen als ze langer dan twee jaar onder het landelijk gemiddelde blijven. Critici beschouwen dat als een afrekening op 'kille' cijfers.

“Ik vind het een goed initiatief. Ten eerste zijn de verrassingen die uit vergelijkingen voortkomen interessant. Achterstandsscholen waarvan je verwacht dat ze allemaal slecht scoren, blijken dat niet te doen en omgekeerd. Ten tweede is het goed om aan alle basisscholen heldere eisen te stellen: dit verlangen wij van u. Pas als blijkt dat scholen niet voldoen aan duidelijke criteria, kun je analyseren waarom hun dat niet lukt. We willen dat alle basisscholen kinderen in elk geval de basisvaardigheden bijbrengen van goed lezen, schrijven en rekenen. In de ingewikkelde samenleving van tegenwoordig ben je nergens zonder die vaardigheden. Sommige basisscholen lukt dat niet.”

Zou de toetsing en vergelijking kunnen leiden tot sluiting van slechte scholen?

“In principe wel, maar dat is een uiterst middel. Daarvóór kun je duizend andere dingen doen om een school tot verbetering te dwingen. Andere docenten aanstellen, meer geld geven - mits het gericht wordt besteed - of een school juist onder curatele stellen. Misschien moeten er wel artikel-12 scholen ontstaan, net als artikel-12 gemeenten.”

Staat de PvdA nog achter de Basisvorming, in de eerste drie klassen van de middelbare school? Wat de PvdA vindt van onderwijs, is niet altijd duidelijk.

“Ik sta nog achter twee van de drie basisgedachten voor de Basisvorming. Achter de eerste, dat de Basisvorming iedereen van alle niveaus en achtergronden bij elkaar brengt in de brugklassen, want als ze elkaar niet op school tegenkomen, waar dan wel? Achter de tweede gedachte, dat iedereen zo veel mogelijk basisvaardigheden wordt bijgebracht, ook al beheerst de één die sneller dan de ander. Maar ik sta minder achter de derde: dat we graag aan iedereen zo veel mogelijk algemene vorming meegeven. Vorming vindt men traditioneel belangrijker dan handvaardigheden, die als minderwaardig worden beschouwd. Die nadruk op algemene vorming mag van mij minder. Je zou meer moeten mikken op de handvaardigheden in het voorbereidend beroepsonderwijs (VBO) bijvoorbeeld. Zeker bij leerlingen die niet meer aankunnen dan dat.

“Het bedrijfsleven roept om handvaardigheden. Daar moet je in het onderwijs op inspelen. Maar, in het hoger onderwijs valt het me op hoe hard die varkenscyclus altijd gaat: ze schreeuwen om chemici en iedereen gaat chemie studeren, in de hoop op een baan. De onderwijsinstellingen spelen daar ook op in. Als die groep dan is afgestudeerd, zijn er te veel chemici, dus dan zwaait iedereen weer om naar een andere studierichting.”