De politieke lusteloosheid van Nederland; onze democratie is ziek

'Het uitkleden en uitverkopen van de overheid gaat door en het einde is nog lang niet in zicht.' Hans Righart over de verplaatsing van de macht en de uitholling van de parlementaire democratie. Hoelang nog tot regering en parlement tot louter symbolische proporties zijn gereduceerd?

Nederlandse historici verwaardigen zich zelden een opinie te geven over de Haagse politiek. Dat is heel begrijpelijk: waarom zou iemand die over alle schatten van de geschiedenis beschikt, zich bekommeren om die saaie boekhouders van het Binnenhof? Geschiedenis, dat is een ander land, zoals een historicus ooit treffend schreef.

Welnu, iedere innere Emigration naar het verleden lijkt te verkiezen boven de vaderlandse politiek waarin het, ongeacht de kleur van het kabinet, altijd om procenten van iets gaat: van armoede, varkens, CO2, 'zinloos geweld' of illegalen; ietsje minder meer of een pietsje meer minder. Het meest balorige wat een Nederlandse kiezer kan doen, is principieel op de boekhouders van de oppositie te stemmen, het maakt niet uit van welke partij.

Ernst Kossmann, emeritus-hoogleraar geschiedenis, lijkt er een dergelijke principiële beginselloosheid op na te houden. Toen de historicus een jaar of tien geleden in het weekblad De Tijd naar zijn politieke voorkeur werd gevraagd, verklaarde hij: “Ik ben van mening dat coalities om de vier jaar moeten wisselen, dus stem ik op een partij die daar waarschijnlijk aan zal bijdragen. Daarbij ga ik niet tot in extremen - Janmaat of Groen Links - maar de PvdA sluit ik niet uit, evenmin als de VVD of D66. In een land waar de grote partijen zo weinig van elkaar verschillen, kan dat best.”

Als de Groningse emeritus nog steeds hetzelfde standpunt aanhangt, stemt hij bij de aanstaande Tweede-Kamerverkiezingen dus op het CDA. Kossmanns relativerende toon past de historicus, al is het nogal on-Nederlands om zo te denken. Persoonlijk voel ik mij - als het om politiek gaat tenminste - meer Nederlander dan historicus. En hoewel ook ik van de lood-om-oud-ijzertheorie overtuigd ben, zijn er toch grote partijen waar ik van mijn leven niet op zal stemmen. Nooit op het CDA bijvoorbeeld en nog minder op de VVD, partij van makelaars, autoverkopers en andere praatjesmakers.

Natuurlijk: het maakt niets uit als ik het per ongeluk - verkeerde knop gedrukt, vlaag van gekte - toch een keertje doe, maar ik zou er met niemand over praten. Uit gêne, en niet omdat ik gekweld werd door de vraag of mijn vergissing de VVD misschien net aan die ene extra zetel heeft geholpen.

Opmerkelijk genoeg blijkt vrijwel het gehele Nederlandse volk dat niet met mij eens te zijn. Gevraagd naar hun oordeel over de stelling dat in de zee van uitgebrachte stemmen hun persoonlijke stem er weinig toe doet, vult maar liefst 91 procent 'oneens' in. En hoewel Nederlanders bekend staan als gretige kankeraars, behoren zij, wanneer het om de werking van hun democratie gaat, tot de meest tevreden burgers van Europa (alleen de Denen, de Ieren en de Luxemburgers zijn nóg tevredener).

Tegen de veel beweerde legitimiteitscrisis van de Nederlandse politiek voeren politicologen graag aan dat de politieke belangstelling nog altijd groeiende is. Het aantal politiek ongeïnteresseerden is sinds 1971 gehalveerd: van 40 procent naar 22 procent in 1994; daarentegen steeg het aantal 'tamelijk geïnteresseerden' van 42 procent naar 66 procent. Dus hoezo staatkundige vernieuwing, hoezo referendum, hoezo Politikverdrossenheit?

Het is altijd wat gemakzuchtig om een enkel beeld tegenover een overmacht aan koele cijfers te stellen. Bijvoorbeeld het beeld van een hysterisch gillende boerin op de publieke tribune van de Tweede Kamer. Een paar dagen na haar emotionele uitbarsting gaf de Brabantse op de radio een afgekoeld commentaar op de 'varkenscrisis': “Ze zaten daar te praten over ons, maar het gíng helemaal niet over ons! Ze dachten alleen maar aan hun eigen kabinetje!” Volgens mij was die boerin de vlees geworden Politikverdrossenheit, ook al is ze zonder twijfel zeer politiek geïnteresseerd en vermoedelijk ook nog lid van het CDA. Tussen Binnenhof en boerderij zit heel wat meer politiek cynisme dan politicologen, opiniepeilers en andere politieke piskijkers kunnen meten.

Natuurlijk zijn er ook enquêtes die in een andere richting wijzen. In 1990 werd op initiatief van de Thorbecke-vereniging een NIPO-enquête gehouden naar politieke geïnteresseerdheid. Meer dan eenderde van de ondervraagden meende dat het weinig of niets uitmaakt of er wordt gestemd, noch op wie men zijn stem uitbrengt. Interessant was de vraag naar de bereidheid een bijdrage te leveren in de kosten van het stembiljet: 46 procent van de ondervraagden gaf te kennen onmiddellijk om te zullen keren en 54 procent wilde wel betalen, mits het niet meer dan een kwartje was.

Toch houden sommige politicologen en rechtse politici als Bolkestein graag vast aan een mooi-weerprognose. Laatstgenoemde beschouwt lage opkomstcijfers zelfs als een uitdrukking van politieke tevredenheid: wie zwijgt stemt toe. En de Leidse politicoloog Andeweg schreef onlangs nog in het vakblad Acta Politica dat niets wijst op een legitimiteitscrisis van het Nederlands politiek bestel. Ter staving hiervan beriep de hoogleraar zich onder andere op de opkomstcijfers bij verkiezingen: de opkomstpercentages bij de gemeenteraadsverkiezingen en voor de Provinciale Staten mogen dan wel teruggelopen zijn (de laatste zelfs dramatisch: in 1995 ging nog slechts de helft van de kiezers naar de stembus), bij de nationale verkiezingen daarentegen schommelt de opkomst al jaren rond de 80 procent. Een uitschieter waren de Tweede-Kamerverkiezingen van 1977: maar liefst 88 procent ging toen stemmen. Achtergrond van deze verkiezingen vormde het voortijdig einde van het centrum-linkse kabinet-Den Uyl, dat ten val werd gebracht door coalitiepartner CDA. Andewegs conclusie luidt dan ook: de calculerende kiezer trekt alleen nog zijn jas aan als hij denkt dat verkiezingen ergens over gaan.

Maar hoelang moet de kiezer nog geloven dat Tweede-Kamerverkiezingen ergens over gaan? De macht van regering en parlement is immers steeds meer aan erosie onderhevig, een verschijnsel dat ook wel eufemistisch is omschreven als 'de verplaatsing van de politiek'. Zo luidde althans de titel van een pamflet dat (al weer twee jaar geleden) uitgegeven werd door de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA. De boodschap van de pamflettisten - onder wie WBS-directeur Paul Kalma - laat zich als volgt eenvoudig samenvatten: het Nederlandse politieke bestel is als een roestige oude badkuip, lek aan alle kanten. Het badwater van de democratie loopt uit tientallen gaten en gaatjes tegelijk weg in een ondoorzichtige modder.

De 'verplaatsing van de politiek' staat voor het voortdurende machtsverlies van de wetgevende en de uitvoerende macht op nationaal niveau. Verlies naar boven - richting Brussel - en verlies naar beneden: richting lagere bestuursorganen zoals gemeenten. Ook de bureaucratie, georganiseerde lobby's en andere 'netwerkers' knagen aan de macht van Den Haag. 'Verplaatsing' heeft ook plaats richting rechterlijke macht; steeds meer controversiële kwesties worden niet meer in het parlement maar in de rechtszaal behandeld. Daarbij kan het om medisch-ethische vragen (euthanasie, biotechnologie) gaan, maar ook om problemen op het gebied van milieu, sociale zekerheid, privacy, gelijke behandeling enzovoort.

En dan is er natuurlijk nog de geëmancipeerde, geïndividualiseerde en geseculariseerde burger die zich letterlijk steeds minder de wet laat voorschrijven door Den Haag. Klemmende vraag: hoelang duurt het nog tot de macht van regering en parlement tot louter symbolische proporties gereduceerd is, vergelijkbaar met die van de constitutionele monarch?

Men zou hier tegen in kunnen brengen dat wat allemaal onder 'de verplaatsing van de politiek' bijeen wordt geveegd, in feite nogal ongelijksoortige verschijnselen zijn met uiteenlopende historische achtergronden. Zo is de positie van de rechterlijke macht in Nederland vanouds sterk. In onze politieke cultuur is de behoefte aan het depolitiseren van precaire kwesties altijd groot geweest. Het afschuiven van netelige vragen en conflicten naar de rechter - stakingsconflicten, euthanasiegevallen - is daarom een oude truc uit de doos van het Nederlandse politieke regentendom. Tot voor kort zagen slechts weinigen daarin echter een gevaar voor de democratie.

En - hoewel het de problemen niet minder groot maakt - de afbraak van Den Haags politieke macht is grotendeels eigen schuld dikke bult. Dit is immers de oogst van de nu al decennia aanhoudende politieke mode die een anorexe overheid dicteert. Wat in de jaren tachtig begonnen is als ordinaire christen-liberale bezuinigingsretorica, nagepapagaaid door moedeloze sociaal-democraten, is nu onder paars tot een ideologie verheven.

Hoe kort de parlementaire geheugens zijn, bleek onlangs nog bij de malle vertoning in de Tweede Kamer naar aanleiding van de prijsverhogingen door de NS. Volkomen terecht weigerde minister Jorritsma te dansen naar het pijpen van een Kamer die een paar jaar geleden nog akkoord was gegaan met de verzelfstandiging van dit voormalige staatsbedrijf. En hoe gering het lerend vermogen van met name de sociaal-democratie is, bewees het PvdA-Kamerlid Rick van der Ploeg door samen met professor Arnold Heertje te pleiten voor private financiering van grote infrastructurele projecten (de Volkskrant, 1 oktober 1997). Ik zie de billboardteksten al voor me: 'Dit klaverblad wordt u aangeboden door Toyota Nederland', of: 'Deze geluidsvriendelijke landingsbaan is mede mogelijk gemaakt door Martinair'. Het uitkleden en uitverkopen van de overheid door de nieuw-rechtse sociaal-democraten gaat dus gewoon door en het einde lijkt nog lang niet in zicht.

Maar, eigen schuld of niet, deze 'verplaatsing van de politiek' loopt synchroon met de afbraak van onze parlementaire democratie. Het democratisch tekort van 'Europa' is al vaak onderstreept, al is het gedrag van de Europarlementariërs - de corrumperende declaratiecultuur en het stuitend gerommel met pensioenvoorzieningen - vermoedelijk fnuikender voor hun legitimiteit dan de geringe bevoegdheden waarmee zij toegerust zijn. In de jaren negentig is 'Europa' een autoritair concept geworden, waarin regeringsleiders de dienst uitmaken en het primaat volledig bij de economie ligt.

Hoe gering de legitimiteit van 'Europa' onder de burgers is, blijkt bij verkiezingen en referenda. In Nederland stemde in 1994 slechts 35 procent voor het Europees parlement; de referenda in Frankrijk en Zweden over Europa werden met de hakken over de sloot gehaald, en de Denen en de Zwitsers zeiden kortweg nee. Een door de strot geduwde nieuwe munteenheid, de euro, zal die legitimiteitscrisis onder de burgers eerder versterken dan verminderen.

De ondoorzichtigheid van ons lokale bestuur is iedere burger bekend die zich wel eens teweer heeft gesteld tegen een kongsi van megalomane wethouders en lokaal ondernemerdom. Een eigentijds voorbeeld daarvan biedt de stad Utrecht die in de komende jaren de kwadratuur van het Hoog Catharijne-debacle gaat beleven. Eind jaren zestig leverde het Utrechtse gemeentebestuur zich uit aan een projectontwikkelaar die een deel van de oude binnenstad sloopte voor een shopping mall die in lelijkheid zijn weerga niet kent.

Bijna dertig jaar later heeft de gemeente zich opnieuw overgeleverd aan een paar grote bedrijven en is de inspraak van de burgers in het zogeheten Utrecht Centrum Project gereduceerd tot de bekende cosmetica. Onder het mom van een 'opknapbeurt' van Hoog Catharijne wordt een kantorencomplex van duizenden vierkante meters neergeplempt in het hart van een van Nederlands mooiste steden.

Een paar weken terug werd het plan door de raad geloodst. Een van de belangrijkste discussiepunten was of de geplande kantoorflats hoger dan de Domtoren mochten worden (in het ontwerp stond een flat van 140 meter hoog gepland). Dat mocht dus niet van de raad. De symboolwaarde van deze beslissing zal niemand ontgaan, maar voor de burger is het natuurlijk een Pyrrus-overwinning, omdat een referendum over het gehele project - zoals voorgestaan door D66 en de lokale ondernemer-activist Henk Westbroek - er niet in zit.

Deze kritiek op de werking van de lokale democratie laat zich gemakkelijk verbinden met de impasse waarin de bestaande politieke partijen zich momenteel bevinden: nog geen drie procent van de Nederlanders is lid van een partij. En D66 kwam onlangs in het nieuws door het bericht dat de partij er in een tiental gemeenten niet in geslaagd was kandidaten voor de komende raadsverkiezingen te vinden. Deze politieke lusteloosheid is goed verklaarbaar. Hoewel de betrokkenheid van de burgers bij hun directe omgeving meestal groot is, voelen zij zich slecht of niet vertegenwoordigd door hun bestuurders. Informatie-achterstanden en een voldongen-feitenpolitiek doen doorgaans de rest: betrokkenheid slaat om in cynisme of politieke apathie.

Hoeveel zin heeft het nog een stem uit te brengen in een politiek bestel waarin de gekozenen steeds minder macht hebben en waar niet-gekozenen vanuit oncontroleerbare plaatsen de beslissingen nemen? Want aan wie legt de Europese Commissie verantwoording af; aan wie de rechter, de lobbyist, de ambtenaar, of de grote belegger? En wie roept de asociale burger tot de orde, wanneer de overheid dat niet langer kan?

Wat nodig is, is een nieuw democratisch elan, al zie ik niet zo gauw waar dat vandaan zou moeten komen. Niet uit de gevestigde partijen lijkt me. Uit de samenleving dan? De tijdgeest werkt niet erg mee. De huidige belangstelling voor leiderschap en elitevorming doet mij soms denken aan de democratiekritiek uit het Interbellum. Toen kritiseerden de fascisten de parlementaire democratie als een soort georganiseerde besluiteloosheid; tegenwoordig klagen bestuurders en ondernemers steen en been over het vertragend effect van bestaande inspraakprocedures.

Ook de positieve betekenis van 'netwerken' is veelzeggend. Nog niet zo lang geleden stond deze activiteit in een kwade reuk; toen heette het nog 'vriendjespolitiek', 'ons kent ons', 'kruiwagenpolitiek', enzovoort. Tegenwoordig kun je schaamteloos op verjaardagsfeestjes vertellen hoe je jezelf dankzij een cursus netwerken een weg omhoog slijmt in dit ondermaanse. Wie je kènt is vandaag belangrijker dan wat je kùnt.

Bedenkelijk is ook de manier waarop democratie of het delegeren van macht in de jaren negentig vaak als een efficiency-vraagstuk wordt beoordeeld. Een fraai voorbeeld daarvan leverde onlangs de minister-president zelf. In een vraaggesprek met de Volkskrant (29 november 1997) schetste Kok, die kennelijk in zijn eigen beeldvorming is gaan geloven, zichzelf als een vaderlijke figuur. Zijn bestuursstijl karakteriseerde de premier als volgt: “Ik ben een groot voorstander van het gedelegeerde vertrouwen (...) want als je het delegeert, wordt het draagvlak voor de beslissing bij de betrokkkenen vergroot.” Delegeren met andere woorden als strategie in plaats van als democratische overtuiging.

Dit democratiebederf is een bijproduct van de vermarkting van onze samenleving. Het archetype van de ondernemer staat immers model voor alles wat tegenwoordig naar status riekt. De ondernemer is de held van de nineties. De snelheid waarmee de mobiele telefoon - toch ooit een van zijn totems - zich verspreid heeft, illustreert zijn voorbeeldfunctie. De ideaaltypische eigenschappen van de entrepreneur - efficiency, calculerend vermogen en als leidraad eigenbelang, nuttigheid en winstmaximalisatie - zijn doorgelekt naar de politiek en zelfs naar de universiteiten. De kretologie van de jaren zeventig - maatschappelijke relevantie - is vervangen door het marktgeklets van de jaren negentig.

Het sluipend overnemen van deze gedragsnormen door politieke en intellectuele elites is een veel groter gevaar voor de democratie dan het veelbesproken racisme en de vreemdelingenhaat onder het gepeupel. En alle aangedragen remedies voor de uitholling van onze parlementaire democratie - referenda, versterking van het parlement, 'betere' politici - blijven technische lapmiddelen en symptoombestrijding zolang deze ideologische crisis van onze democratie niet onderkend wordt.