De overheid als hinderlijke macht; Politieke partijen moeten ideeën ontwikkelen; Geen democratie met 1 procent van de bevolking

Niet de overheid treedt terug, maar de politiek, denkt J.A. van Kemenade. Het openbaar bestuur verandert van een forum waarin opvattingen worden verwoord en gewogen, in een instantie waarmee burgers nu eenmaal te maken hebben. Eerder een hinderlijke macht dan een behartiger van het algemeen belang.

Dit nieuwe jaar, 1998, is een bijzonder jaar voor de politieke democratie. Er vinden twee verkiezingen plaats, de gemeenteraadsverkiezingen en de Tweede Kamerverkiezingen en het is dit jaar 150 jaar geleden dat de Grondwet van 1848 tot stand kwam. Die grondwet legde de grondbeginselen vast van onze parlementaire democratie en ons staatkundig bestel, die tijdens het eerste kabinet Thorbecke van 1849 tot 1853 zijn uitgewerkt in de Kieswet, de Gemeentewet en de Provinciewet.

Die grondbeginselen waren: de constitutionele monarchie op basis van ministeriële verantwoordelijkheid, waardoor de macht van de vorst werd ingebed en ingeperkt binnen een parlementair democratisch bestel; de parlementaire democratie, door aan de volksvertegenwoordiging het budgetrecht, het recht van initiatief en amendement en de wetgevende macht toe te kennen; rechtstreekse verkiezingen van de volksvertegenwoordigingen op lokaal, provinciaal en nationaal niveau, later vervolmaakt in het algemeen kiesrecht; de openbaarheid van bestuur, door opheffing van de beslotenheid van de vergaderingen van vertegenwoordigende bestuursorganen en de gedecentraliseerde eenheidsstaat door de grondwettelijke erkenning van gemeenten en provincies als democratische bestuursorganen met een open huishouding en een autonome verantwoordelijkheid.

De centrale gedachte van de grondwetswijziging van 1848 is de volkssoevereiniteit, de mogelijkheid voor de burgers om door de keuze van hun vertegenwoordigers hun belangen, opvattingen en visies met betrekking tot hùn samenleving tot uitdrukking te brengen en zo invloed uit te oefenen op de inrichting en de ontwikkeling van de landelijke, de provinciale en de lokale samenleving. Maar is dat binnenkort bij de landelijke en de lokale verkiezingen nog het geval? Het buitengewoon geringe en dalende ledental van politieke partijen en de afnemende opkomst bij verkiezingen geven niet de indruk dat de toen bevochten volkssoevereiniteit nog zwaar weegt. En vooral: kan men werkelijk kiezen tussen te onderscheiden belangen, opvattingen en visies op de inrichting en de ontwikkeling van de samenleving?

Er is op landelijk en plaatselijk niveau zeker verschil tussen de politieke partijen en groeperingen en er valt dus wel wat te kiezen, maar die verschillen hebben, althans wat de grote partijen betreft, vooral betrekking op nuances en op vaak weinig inzichtelijke cijfers.

Wat moet de burger met de retoriek over de omvang van bezuinigingen, over de percentages reductie van het financieringstekort, over de veronderstellingen met betrekking tot de hoogte van de economische groei en over de verschillen in beoogde lastenverlichting, als hij niet weet wat dat betekent voor de problemen die hij relevant vindt in zijn wijk, zijn gemeente, zijn land, voor de kansen van zijn kinderen op onderwijs en werk, voor zijn gezondheidszorg en de thuiszorg voor zijn moeder, voor veiligheid op straat, voor rechtvaardigheid en verdraagzaamheid?

Wat baat het de volkssoevereiniteit als de burgers door de bomen het bos niet meer kunnen zien, als er geen aanknopingspunten zijn om zich te kunnen identificeren met duidelijk onderscheiden opvattingen over en visies op de publieke zaak? En dat is momenteel het geval, als gevolg van een aantal factoren, zoals de ontzuiling, het vervagen van grote maatschappelijke tegenstellingen en de individualisering die leidt tot een gefragmenteerde oriëntatie van individuele burgers op aspecten van de publieke zaak. Maar er is ook sprake van toenemende afhankelijkheden in de samenleving, onder invloed van technologische veranderingen, globalisering van markten en de veranderde rol van de overheid ten gevolge van de groeiende vervlechting tussen de overheden, het maatschappelijk middenveld en marktpartijen bij de ontwikkeling en de realisering van beleid.

Die ontwikkelingen hebben onmiskenbaar geleid tot functieverlies van de politieke partijen. Zij slagen er steeds minder in hun traditionele taak te vervullen: uiteenlopende belangen vanuit een specifieke visie te integreren tot een eigen herkenbare definitie van het algemeen belang.

Dat leidt tot afnemende verschillen tussen visies op en opvattingen over het publieke domein. Met andere woorden, er zijn weinig onderscheidende of slechts voor insiders zichtbare verschillen tussen verkiezingsprogramma's.

Dat èn de invloed van de televisie maakt dat burgers in het huidige democratische bestel meer op personen en dan nog vooral op landelijke lijsttrekkers stemmen dan kiezen tussen inhoudelijk verschillende opvattingen of politieke programma's. Een voorzitter van een der grotere politieke partijen verklaarde zelfs onlangs bij de presentatie van het verkiezingsprogramma van zijn partij dat de inhoud er niet zo toe doet, maar dat het om de persoon van de lijsttrekker gaat. Een effectieve manier om het bestel op te blazen, maar een wel erg naïeve vorm van staatkundige vernieuwing.

Dat wil niet zeggen dat de burgers de verkiezingsprogramma's van de politieke partijen vroeger zorgvuldig vergeleken alvorens hun keuze te bepalen. Verkiezingsprogramma's zijn altijd slechts de delicatesse van weinigen geweest en vaak vooral van diegenen die ze hebben opgesteld of geamendeerd. Men koos voor vertegenwoordigers van de religieus, sociaal of economisch herkenbare groep, maar daarmee wèl voor een ideologie of een belangencomplex, en men werd ook uitgenodigd dat te doen.

Nu zelfs die homogene groepen en ideologieën in de golven van de ontzuiling en de individualisering zijn verdwenen, zijn de personen zelf, veelal los van hun ideologische context of maatschappelijke achterban, voorwerp van keuze geworden en gaat het in de democratie meer om uitstraling, bekendheid en persoonlijk vertrouwen dan om verschillen in opvatting over de publieke zaak.

Dat is geen gevolg van een terugtredende overheid, want die doet wellicht meer dan ooit. Het is vooral een gevolg van het terugtreden van de politiek en van politieke partijen als katalysator en kristallisatiepunt van ideeën en opvattingen over wat die overheid moet doen op onderscheiden sectoren van het publieke domein.

Daarnaast beneemt de werking van het openbaar bestuur niet zelden het zicht op de overheid als democratisch orgaan, als publieke arena, waarin argumenten worden gewisseld, belangen worden afgewogen en keuzen worden gemaakt in de publieke zaak. Velen ervaren het openbaar bestuur niet meer als het forum waarin hun opvattingen en belangen worden verwoord en gewogen, maar als een van de vele instanties waarmee je als burger nu eenmaal te maken hebt en die veelal meer als een hinderlijke macht wordt beschouwd dan als de behartiger van het algemeen belang.

Daarbij kan de overheid en het openbaar bestuur zelf een rol spelen door staatkundige of bestuurlijke veranderingen, zoals onder andere voorgesteld door de Raad van het Binnenlands Bestuur. Maar dit is vooral een taak voor politieke partijen. Zij moeten hun functie als intermediair tussen de burgers en de publieke zaak in de huidige omstandigheden een andere vorm en inhoud geven. Politieke partijen zijn niet meer de schatbewaarders van alomvattende ideologieën die als referentiekader voor burgers kunnen fungeren. Burgers voelen zich ook niet meer vast verbonden met een groep, een partij of een ideologisch stramien.

Burgers verenigen vaak meerdere, zelfs tegenstrijdige, belangen en opvattingen in zich zelf. We willen bijvoorbeeld allemaal met een auto of het vliegtuig met vakantie, maar we willen niet dat iedereen dat doet. We willen allemaal onze eigen familie Gümüs hier houden, maar we willen geen asiel om economische redenen. We willen allemaal ruim en goed wonen, maar wel met behoud van alle natuur- en groengebieden. We willen allemaal minder regels, totdat we ons daar zelf op kunnen beroepen. We belijden allemaal de multiculturele samenleving, maar ze moeten zich toch wel net zo gedragen als wij van huis uit gewend zijn.

In die verwarrende omgeving zullen politieke partijen minder kunnen bouwen op historische vanzelfsprekendheden en zich meer moeten toeleggen op de stimulering en de organisatie van de meningsvorming onder en ten behoeve van telkens wisselende groepen burgers over onderdelen van de publieke zaak.

De huidige samenleving vraagt van politieke partijen, meer dan vroeger, een voortdurend proces van ideeënontwikkeling en gedachtenvorming, zonder vaste achterban en gericht op velen buiten de steeds kleiner wordende kring van leden. Een levende en levendige politieke democratie kan niet duurzaam zijn als ze beperkt blijft tot minder dan 1 procent van de kiesgerechtigde bevolking. Politieke partijen moeten grote groepen van burgers, die wel degelijk geïnteresseerd zijn in de publieke zaak, uitdagen en stimuleren om daarover met anderen na te denken, afwegingen en keuzen te maken en hun volksvertegenwoordigers daarop aan te spreken.

Dat is een moeizaam proces, waarvoor geen beproefde handleidingen of panklare recepten voorhanden zijn. Maar het is wel noodzakelijk voor de instandhouding en de vitaliteit van de idealen van 1848 en dus van de politieke democratie, als enig alternatief voor anonieme machtsuitoefening of voor een samenleving waarin het 'ieder voor zich' weer de boventoon zal voeren.

Dr. J.A. van Kemenade is commissaris van de koningin in Noord-Holland. Bovenstaande tekst is een bewerking van zijn gisteren gehouden nieuwjaarstoespraak.