De drie zusters

Zuster Van der Bijll was in 1946 vierendertig, zuster Steding was tweeëndertig en zuster Fokker was zesentwintig. Ze waren verbonden aan het ziekenhuis in Velp.

Natuurlijk worden eerst de kant-en-klare anekdotes opgediend. De diploma-uitreiking terwijl de V1's over het dak vlogen. Het Indische hulpje dat schalen met eten rondbracht en haar tbc uithoestte over het halve ziekenhuis. De jonge jongens die de laatste oorlogswinter ondergedoken zaten boven de OK en die met een zogenaamde ziekenwagen de Achterhoek introkken om met aardappels terug te komen - jongens die ze zich met naam en toenaam herinneren. En de Duitse soldaten niet te vergeten, ook al zulke jonge jongens, die wegkropen in de kelder en een schone luier kregen aangereikt toen ze een witte lap zochten om zich over te geven. 16 April 1945, een stralende voorjaarsdag. Het feest van de bevrijding, al gauw getemperd door de beslommeringen van een aanhoudende schaarste en de inspanningen van de wederopbouw.

Het Velpse ziekenhuis was sinds 1894 gevestigd in een villa aan de Tramstraat en zoetjesaan uitgebreid met villa's die eromheen stonden. Gewone Velpenaren (van de overkant van de Hoofdstraat, en hoe verder ze weg woonden, hoe gewoner ze werden) kregen hier de gelegenheid een tijdje in het Villapark te vertoeven.

Het ziekenhuis stond bekend om zijn goede opleiding en zijn meisjes uit de betere standen. “Zij konden er nog mee door”, zegt zuster Fokker, “ík was eigenlijk al te eenvoudig.” Haar vader was majoor bij de rijksveldwacht. Vader Steding was dierenarts in Elst, vader Van der Bijll directeur van de gasfabriek aan de Ommerhofselaan, die door zí vader was gesticht.

Het was een algemeen ziekenhuis, maar wat heette algemeen in die tijd? Zuster Van der Bijll: “Als je een opnameformulier moest invullen en naar de kerkelijke gezindte vroeg, haalden ze hun schouders op en dan zeiden ze: nou, gewóón. Dat betekende: protestant.” Toen een sollicitante katholiek bleek te zijn, was dat een punt voor nader beraad. Toen pater Campman ziek werd en te kennen gaf dat hij in Velp wilde liggen (in plaats van naar het St. Elisabeths Gasthuis in Arnhem te worden gebracht), ging dat als een lopend vuurtje door het dorp.

Op zondagmorgen kwam de broer van een zuster het orgel in de gang in het hoofdgebouw bespelen, en dan werden psalmen en gezangen gezongen. Op zondagavond werd op de vrouwenafdeling een immense theepot op tafel gezet, en dan werden er spelletjes gedaan, raadseltjes. De sfeer was huiselijk.

Het accent lag meer op verpleging dan behandeling. Het ziekenhuis was het domein van verpleegsters, en uit hun rijen kwam de directie voort. Patiënten bleven gewoonlijk onder toezicht van hun huisarts. De eerste eigen specialist kreeg het ziekenhuis eigenlijk pas in '49 in de persoon van dokter Scherpenhuysen, internist. Nóg heugen de zusters zich de bedden met patiënten die zo ongeveer tot vaste bewoners waren geworden en die erop mochten vertrouwen dat ze hier tot hun dood zouden worden verzorgd. Zoals gezegd: huiselijk.

In 1946, zo wil de ziekenhuiskroniek, werd een koelkast aangeschaft om antibiotica goed te houden. Ergens in de oorlogsjaren was er voor het eerst penicilline gebruikt. Zuster Van der Bijll: “We hadden een doodzieke man, zeer ernstige infectie. Toen kwam zijn huisarts met dat nieuwe spulletje op de proppen. Het potje heb ik altijd bewaard.”

Over infecties gesproken: “Je snapt niet”, verzucht zuster Fokker, “dat er nog mensen gezond uit gekomen zijn, uit dat ziekenhuis van ons. Als er iemand vertrok, werd het beddengoed niet verschoond. Je durfde nog geen schone sprei op te leggen. Kind weet je wel wat dat kóst, een sprei wassen?”

Injectienaalden werden eindeloos gebruikt. Op de vrouwenafdeling werden ze een tijdje in de alcohol gehangen, en dan waren ze er weer klaar voor. (“Toch” - zuster Van der Bijll - “herinner ik me wel uitkookpannen.”) Op den duur kwamen die spuiten eruit te zien als haaknaalden. “We hebben de mensen wél gepijnigd.” Als ze té bot werden, nam iemand ze mee naar huis, want die kende dan weer iemand die ze kon slijpen. Maar ziekenhuisinfecties? Niet dat we weten.

In 1946 kregen de verpleegsters, die tot op dat moment de beschikking hadden gehad over welgeteld één ligbad, een douchekamer. Ze verdienden een habbekrats, maar toegegeven, wel een habbekrats met kost en inwoning en bewassing. Intern. Strenge regels? Ach meneer, dat was toch niet nodig! Herenbezoek? Ach meneer, daar dácht je niet eens aan. Je werkte negen uur per dag, zes dagen in de week. Je ging hondsmoe naar bed en dan kon het ook nog gebeuren dat je van je kamer werd gehaald om de OK te dweilen. Kastjes soppen, de afwas doen. Keurig aangeklede dienstbodes, dat waren we.

Een geaccepteerd vrouwenberoep, een beroep dat zich opdrong als levensvervulling. Ja, die onderduikers, die jonge Velpse jongens, die zijn (met naam en toenaam) de een na de ander met een verpleegster getrouwd. Maar een groot percentage van de meisjes bleef ongetrouwd. Zuster Fokker: “Er was ook een vrouwenoverschot.” Ja, het was oorlog geweest.

De kraamafdeling was ondergebracht in een villa die Eiber of Uiver werd genoemd, in ieder geval die villa met uitzicht op de vijver met de muziektent.

Beneden waren twee grote kamers, één met vijf, één met acht bedden. Op de ene lagen vrouwen, op de andere mannen. Mensen die niet al te ziek waren, maar wel verzorging nodig hadden. Met een schuifdeur ertussen.

Boven: elf kraambedden verdeeld over vier kamers. De lift stamde nog uit de tijd dat het huis door een goedgesitueerde familie werd bewoond. Een éénpersoonslift eigenlijk.

Zuster Steding: “Als er complicaties waren, als er een sectio moest worden gedaan, werd zo'n vrouw op een brancard rechtop in die lift gezet en dan ging ze onder een berg dekens en een zeil door weer en wind de straat over, naar de OK aan de overkant. En meestal meteen ook weer terug.”

Zij, zuster Steding, is tot aan haar pensioen hoofd van deze afdeling geweest.

Sinds wanneer?

Sinds '48 om precies te zijn.

“Nee”, verklaart ze spontaan, “ik heb u niet in mijn armen gehouden.”

Want dat is het punt: hier, in dit ziekenhuis, op deze afdeling, ben ik in 1946 geboren.