Boom, drank en merels

NOG EVEN TERUG naar de kerstbomen, voor die geheel uit het zicht zijn verdwenen en de winter pardoes overgaat in de zomer. Op 20 december is hier een poging gedaan om te achterhalen wanneer de Nederlander zijn eerste kerstboom zag, ook al hadden getrainde researchers van het P.J. Meertens-instituut dat al eerder gedaan. Aan wat de Meertensmensen boven tafel kregen, viel weinig toe te voegen, afgezien van de fout dat de Duitser de fijnspar Tanne noemt. In werkelijkheid is het zo, schrijft prof.dr. V. Westhoff, dat met het Duitse Tanne de zilverspar (Abies alba) wordt bedoeld. De fijnspar (Picea abies) heet Fichte.

De indruk is dat de expansie van de Duits-protestantse kerstboom (die rond 1800 het Duitse rijk verlaat) voldoende indruk maakte om er de sporen van terug te vinden in allerlei vormen van literatuur. Aardig is, om te beginnen, dat de evergreen 'Oh denneboom, oh denneboom' althans volgens een bijschrift in een modern boekje met kerstliedjes al in 1824 werd gecomponeerd door Ernst Anschütz in Leipzig, wat de indruk wekt dat de boom in Duitsland rond die tijd volop was ingeburgerd. Nederlands eerste vermelding staat voorlopig nog op 1836, de Franse op 1837. Dat is tamelijk laat: Hans Christian Andersen publiceerde al in 1844 het sprookje 'Het denneboompje' dat het lot van een kerstboom in Denemarken beschreef. Kennelijk was het toen al niet meer nodig om uit te leggen wat een kerstboom was. 't Is weer een wreed sprookje: de afgetuigde, maar o zo dankbare gewone-boom-uit-het-bos wordt na bewezen diensten op zolder bewaard, verkneukelt zich op een nieuw Kerstfeest maar gaat onverhoeds het vuur in. Of deze afloop tegelijk een oordeel van Andersen inhoudt is onduidelijk. Hij kreeg, meldt een biografie, in 1846 complimentjes voor zijn verhaal van een Saksisch prinsesje. Dickens liet zich in 1850 meesmuilend uit over de boom: 'a new German toy'. Een lezeres herinnert zich uit een biografie van Thorbecke dat deze er op stond zelf zijn boom op te tuigen, niemand kon dat beter dan hijzelf. Het klopt allemaal precies, zegt zij, want Thorbecke had jaren in Duitsland doorgebracht (van 1820 tot 1824 om precies te zijn). Bovendien was hij natuurlijk protestants.

Rond 1878 waren de Zweden al zo verknocht aan hun kerstboom dat Nordenskjöld er een meeneemt op zijn reis om de noord. Ook in Rusland was hij rond die tijd gemeengoed. In 'Memoirs of a Russian Lady' (Davydoff) staat een mooi versierde boom afgebeeld, net als een mechanische boom - un arbre de Noël mécanique et tournant - die door een Tsjech geleverd was. Dat vestigt de aandacht op een industrieel aspect aan de kerstboom dat tot op heden te weinig aandacht kreeg: hoe bevestigde men in hemelsnaam voor of rond 1800 de kaarsjes aan de takken van de boom? Wie produceerde de eerste kerstboomkaarsjesklemmetjes?

Het jenever-onderzoek van vorige week was onnodig ingewikkeld, berispt een lezer in een zeer kort briefje. Doel was te achterhalen bij welke minimale alcoholconcentratie jenever net niet meer 'huilt' (of 'traant'). Er was - tevergeefs - geprobeerd een verdunningsreeks van zuivere alcohol te maken. Waarom niet gewoon de jenever zèlf verdund, vraagt de lezer. Dus de Hooghoudt aangelengd en vastgesteld: ergens rond de 10 procent alcohol houdt het huilen op. Aceton huilt langer - daarin zit dus een clou voor verdere analyse.

Er heerst een historische hitte buiten, deze dagen, maar toch moet even terug worden gekomen op de AW-aansporing om huis en haard maar volledig af te laten koelen bij afwezigheid (6 december). In een andere bijlage van de krant werd een afwijkend advies gegeven, schrijft een lezer. Dat is waar, daar is niets aan te doen. Een tweede lezer heeft ooit eens de moeite genomen om het verschil in energieverbruik te meten tussen laten afkoelen en pappen en warm houden. Het scheelde inderdaad, complimenteert hij. Het hele AW-betoogje was gebaseerd op een kacheltype dat òf wel òf niet brandt en op de aanwezigheid van goed functionerende schakelklokken. Maar moderne cv-kachels blijken ook zachtjes te kunnen branden. Bovendien is er het probleem van het doorschieten: de trage systemen verwarmen langer dan de thermostaat nodig vindt. Het ging om het principe.

Op 13 december kwamen draaibare sterrenkaarten ter sprake. Er is maar bitter weinig vrijheid bij het ontwerp van de kaarten, was de slotsom. En: bedenk zelf een draaibare sterrenschijf voor de evenaar, stond er tot slot. Jaap Leeflang deed het, hij stuurde een verrassend eenvoudig ontwerp waarbij de hemel boven de evenaar eenvoudig wordt opgedeeld in twee hemels, een noordelijke en een zuidelijke, die elk apart om hun pool draaien. Via een soort vertanding op de plaats van de hemelequator zijn ze aan elkaar gekoppeld, heel ingenieus.

Alsof het zo was afgesproken stuurde Harry Otten van Meteo Consult een vernuftige draaibare schijf (voor 1998) waarop voor elke dag niet alleen opkomst en ondergang van de zon maar ook die van de maan zijn af te lezen. Bovendien de maanschijngestalten en nog zo wat, compleet met de overgang van winter- naar zomertijd. Een nieuwjaarskaart, zegt Otten.

Ook op de hier afgebeelde nieuwjaarskaart is rekening gehouden met zomer- en wintertijd. Het grimmige plaatje van Hans Bot is poëtischer dan het lijkt. Het toont een heel jaar waarnemingen van merelgeluiden: hoe lang de vogel er mee doorgaat na zonsondergang en hoe vroeg hij er weer mee begint. Het mooie is dat niet alleen het zingen maar ook het typische 'pienk-pienk' of 'tsjik-tsjik' of hoe je het noemen wil, in kaart is gebracht. Tsjik-tsjik doet de merel het hele jaar. Daardoor wordt duidelijk hoe ongelofelijk precies de vogel op het licht reageert. En er is nog iets mooiers vast te stellen: wie goed oplet ziet dat de merel halverwege december nog steeds elke ochtend later aan het zingen begint, maar 's avonds al later stopt. Het is de weergave van een astronomisch verschijnsel dat hier ook al eens is besproken.