Blind geloof

TOEN GEORGE ORWELL vlak na de Tweede Wereldoorlog zijn befaamde '1984' schreef, baseerde hij zich op de wereld die hij om zich heen zag. Die wereld was zwaar beschadigd door jarenlang oorlogsgeweld. Het was ook een wereld waarin macht en overwicht in militaire termen vorm kregen.

Strakke hiërarchieën, bevelsstructuren die door gemechaniseerde fysieke dwang in stand werden gehouden. Zijn visioen van een totalitaire samenleving ziet er dan ook uit als een macabere uitvergroting van Engeland in nood, gekruist met de zwartste kanten van de Sovjet-Unie onder Stalin.

Je hoort tegenwoordig niet zo veel meer over '1984'. Dat was twintig, dertig jaar geleden wel anders. Toen was het beeld dat Orwell schetste veel herkenbaarder. De oorlog die Orwell gebruikte zoals een schilder een model gebruikt, stond nog in het geheugen van de meeste mensen gegrift. En wie van na de oorlog was, of hem liever maar zou vergeten, werd er in de media nog met grote regelmaat aan herinnerd. Was dat niet genoeg, dan waren er altijd wel weer regimes die letterlijke illustraties leken van wat Orwell schreef. China, waar Mao de macht uit de loop van een geweer liet komen. Stalins Sovjet-Unie vol arbeidersbrigades, geschiedvervalsing en strafkampen. En vanaf 1973 bijvoorbeeld het Chili van Pinochet.

Samenlevingen, ook nettere, waren in die tijd gemodelleerd naar het dominante organisatiemodel van de eerste helft van deze eeuw, dat van de complexe machine. Het duidelijkste voorbeeld vormden de kolossale legers van die tijd, die samenhang en kracht kregen door absolute discipline en machinale gehoorzaamheid, en steeds verdergaande mechanisatie. Maar ook de rest van de samenleving had veel van de trekken die Orwell beschreef. In de fabriekshal domineerde de lopende band, terwijl in veel kantoren bureaus stonden opgesteld als een compagnie soldaten op appel, met de chef als een sergeant er tegenover. De onderlinge verhoudingen waren navenant.

Dat is vanaf ongeveer 1965 allemaal gaan veranderen. De beelden die voor Orwell zo vanzelfsprekend waren, hebben hun kracht verloren. Zijn wereld is hopeloos ouderwets, het uniforme mechanische machtsmodel werkt niet meer. Ook dat kun je in militaire termen duidelijk zien. Vietnam leerde voor het eerst dat enorme, monolithische oorlogsmachines geen garantie voor succes waren. Somalië, waar ook weer grootscheeps georganiseerd mechanisch overwicht de doorslag moest geven, werd een fiasco. De Golfoorlog, gevoerd volgens hetzelfde recept, leidde tot vrijwel niets.

Nu de metaforen waarmee Orwell werkte minder herkenbaar geworden zijn, wordt zijn boek als even ouderwets en irrelevant afgedaan. Als het product van weer zo'n ziener die er achteraf hopeloos naast zat. Dat is jammer, want het verschijnsel waar Orwell over schreef heeft niets aan actualiteit ingeboet: de pervertering van paternalistische goede bedoelingen. De essentie van de wereld waarin Winston Smith ten onder gaat is niet het gemartel of het bestaan van het Ministerie van Waarheid. Het gaat niet om de ontberingen, het gespioneer of het opdringen van Newspeak. De essentie is dat al die gruwelen bedreven worden ten bate van degenen die ze moeten ondergaan. Grote Broer is geen domme sadist. Hij is gewoon een bestuurder wiens goede bedoelingen en wiens blind geloof in de correctheid van zijn eigen opvattingen tot vreselijke resultaten leiden. 1984 is dan ook één lange waarschuwing aan het adres van bestuurders van elk niveau: pas op, wie denkt een samenleving naar eigen inzicht te kunnen sturen zal licht een monster baren. Het boek hoort verplicht jaarlijks gelezen te worden door iedere beleidsambtenaar en iedere politicus, mét overhoring.

Helaas gebeurt dat niet. En dus bedenken bestuurders telkens opnieuw plannen die niet alleen gedoemd zijn tot mislukking, maar ook een tweedeling in de maatschappij bevorderen, niet tussen arm en rijk, maar tussen burger en bestuur. Die tweedeling is de verkankering van het merg van de democratie, de doodsteek voor betrokkenheid, saamhorigheid en onderling verantwoordelijkheidsgevoel.

Het patroon is altijd dit: er is een incident, waardoor een bestaand of vermeend probleem ineens op de politieke agenda komt te staan. Zoals overmatig drankgebruik door sommige jongeren. Dat zal Moedertje Minister dan wel even definititief regelen: ze verbiedt de verkoop van drank aan iedereen onder de achttien. Opgelost, geen misbruik meer. Maar dan begint de ellende pas: zulke regels zijn niet de codificatie van wat de burgers overwegend vinden. Ze bevestigen niets, maar beperken wel onze vrijheid van handelen en ieders eigen verantwoordelijkheid. Er is, kortom, geen draagvlak voor. En dus vereist de naleving grootschalige staatsdwang. Grote Broer laat zijn lelijke gezicht zien, voor ons eigen bestwil. Tot voor kort was min of meer waterdichte controle alleen mogelijk via keiharde repressie. Dat was nooit een probleem in een politiestaat als Pinochets Chili, of het oude Zuid-Afrika. Het kan tot op zekere hoogte ook in het gewelddadige Amerika, met zijn gigantische kloof tussen overheid en burgers. Maar niet in een nette overlegdemocratie als Nederland.

En toen kwam de automatisering, die Grote Broers en Zussen ten onrechte aanzien voor een dwangmiddel dat niet van die nare bloederige randjes heeft. Iets waarmee je op een nette manier hele bevolkingen kunt volgen en sturen. Immers, automatisering lijkt geen schaalproblemen te kennen en oogt onschuldig. Ideaal voor onzichtbare dranghekken, tralies en checkpoints. Vandaar het voorstel voor een drinkpas.

Werkt zoiets? Welnee. Achter pasjes moet immers een waterdichte, door mensenhanden gemaakte en bijgehouden registratie zitten. En weet u nog hoe de gemeente Amsterdam afgelopen jaar ineens met drieduizend niet-bestaande scholieren zat? Je ziet de gevolgen al voor je: zwarthandel en diefstal tussen burgers onderling, sabotage door caféhouders en winkeliers die de regeling onzinnig vinden. Het resultaat is alweer een stukje afbrokkeling van het staatsgezag, en een mogelijk zelfs stijgend, stiekem drankgebruik. Pasjessystemen zijn een gevaarlijke illusie.