80-JARIGE OORLOG

In W&O van 27 december berichtte Hendrik Spiering over een enquête uit het 'Historisch Nieuwsblad' waarin opinieleiders werd gevraagd naar de belangrijkste gebeurtenissen uit de geschiedenis. Het bericht begint met twee veel gehoorde misverstanden, die haast mythische vormen beginnen aan te nemen.

Ten eerste is de strijd om vorm en inhoud van het vak geschiedenis er niet een tussen het ministerie dat vooral pleit voor vaardigheden en docenten die feitenkennis zo belangrijk vinden. De meeste docenten vinden feitenkennis belangrijk, dat staat buiten kijf, maar de veranderingen die hebben geleid tot een grotere nadruk op vaardigheden in het geschiedenisonderwijs zijn niet zozeer geïnitieerd door de overheid, maar voortgekomen uit de docenten zelf. Ten tweede is de gesuggereerde tegenstelling tussen feitenkennis en vaardigheden een schijntegenstelling. Vaardigheden zoals het je kunnen inleven in andere mensen in andere tijden en culturen, het kunnen onderscheiden van oorzaken en gevolgen, van continuïteit en discontinuïteit, het verwerven en verwerken van informatie en dergelijke hóren bij het (school)vak geschiedenis én zij dienen een didactisch/leerpsychologisch doel: vaardigheden zorgen ervoor dat kennis en inzicht dieper doordringen en beter beklijven. De al jaren geleden ingezette veranderingen worden echter met zorg gadegeslagen door 'buitenstaanders', onder wie sommige universitaire historici, die erover klagen dat studenten van tegenwoordig niets meer weten en dat dat te wijten is aan de introductie van vaardigheden. Deze kritiek is niet terecht: schoolverlaters weten wel degelijk iets, maar academische historici hebben niet altijd begrepen dat dat iets anders is dan wat zij zelf vroeger op school hebben geleerd. Schoolboeken zijn immers veranderd omdat de historische wetenschap zelf is veranderd en omdat de samenleving andere vragen stelt aan het verleden dan een halve eeuw geleden. Voor zover schoolverlaters minder van het verleden weten is dat niet te wijten aan de kwaliteit van het geschiedenisonderwijs (ik durf te stellen dat die eerder vooruit is gegaan), maar aan de enorme vermindering van de hoeveelheid lestijd. De invoering van de Mammoetwet leidde ertoe dat minder dan de helft van de leerlingen in de bovenbouw nog geschiedenis kreeg. De invoering van de basisvorming leidde ertoe dat in de onderbouw een veel groter deel dan voorheen moest worden besteed aan staatsinrichting, zonder dat de hoeveelheid lestijd toenam. De invoering van de Tweede Fase leidt opnieuw tot een vermindering van de beschikbare tijd en de invoering van de leerwegen in VBO/Mavo leidt er waarschijnlijk toe dat het vak uit drie van de vier leerwegen verdwijnt en in de vierde leerweg marginaal overblijft. De kans is dus groot dat de samenleving binnenkort met reden kan klagen over historische kennis en historisch besef van schoolverlaters, maar dat is een gevolg van politieke besluitvorming, niet van onwillige docenten.