Topografie van een crisis: val van munten en beurzen markeert ernst van malaise

Het gaat slecht met de 'tijgers' van weleer. De financiële crisis in Zuid-Oost Azië grijpt als een veenbrand om zich heen. Nu is het de beurt aan Indonesië waar beurs en nationale munt diep zijn gevallen.

AMSTERDAM, 9 JAN. Het begon vorig jaar met het faillissement van een kleine Thaise bank, het eindigde vanmorgen voorlopig met een totale ineenstorting van de financiële markten van Indonesië. In een half jaar tijd is de regio Zuid- en Zuidoost-Azië omgeslagen van een economisch wonder in een financieel rampgebied.

Toch kan de regio onmogelijk als één geheel worden gezien, net zomin als alle Europese landen hetzelfde zijn. Singapore verschilt even veel van Thailand als Luxemburg van Hongarije.

De voornaamste aanleiding voor de financiële crisis ligt in de wijze waarop elk land zijn economisch wonder heeft georganiseerd. Het koppelen van de nationale munt aan de Amerikaanse dollar, aanvankelijk bedoeld om financiële stabiliteit en lage inflatie te 'lenen' van het Westen, is in veel landen ontaard in een grote instroom van dollarleningen. Deze werden door banken en bedrijven aangegaan wegens de lage rente op dollars en de perceptie dat er geen wisselkoersrisico was. Vaak zijn die dollars niet aangewend voor productieve investeringen, maar hebben ze enkel geleid tot een prijsexplosie van financiële waarden en vastgoed.

Waar de achterblijvende productiviteitsgroei hand in hand ging met een vaste wisselkoers, verslechterde de concurrentiepositie. Resulterende handelstekorten, en de geldstroom aan rentes naar het buitenland zorgden samen voor een oplopend tekort op de betalingsbalans. Deviezenreserves droogden op toen de verdediging van de dollar-koppeling tegen steeds wantrouwender beleggers meer en meer moeite vergde. De uiteindelijk onvermijdelijke, plotselinge afwaardering van munten en activa (waaronder de aandelenkoersen) leidt nu tot dreigende insolventie (vermogensproblemen) van banken en bedrijven.

Deze zevenmijls-diagnose leidt er toe dat, met terugwerkende kracht, de grootste probleemlanden van Azië kunnen worden aangewezen. De totale buitenlandse schuld ten opzichte van de omvang van de economie is een factor van belang. De verhouding van de export waarmee buitenlandse valuta worden verdiend, tot de buitenlandse schuld is een tweede. En dan is er natuurlijk het tekort op de betalingsbalans zelf, en de hoogte daarvan in verhouding tot de omvang van de economie.

Hoe erg de crisis per land is, valt in grote lijnen af te lezen aan de diepte tot waar de nationale munten en aandelenkoersen zijn gedaald. Een kwalitatieve weergave van de ernst van de crisis valt af te lezen aan de donkerte van de groene kleur op de regiokaart. Vier landen kwamen tot nu toe het diepst in de problemen: achtereenvolgens Thailand, de Filippijnen, Indonesië en Zuid-Korea. Voor drie van de vier lopen steunprogramma's onder leiding van het Internationale Monetaire Fonds.

In Maleisië zijn de structurele problemen minder, maar toch zo groot dat besmetting door de crisis in de buurlanden niet kon worden afgewend. Japan is een verhaal apart. Dat maakte begin jaren negentig al de ineenstorting van financiële activa mee, en worstelt nog steeds met de gevolgen. De financiële reserves van Japan zijn echter fenomenaal. Vraag is of en hoelang twee structureel gezondere economieën, die van Singapore en Taiwan tegen de druk bestand zullen zijn. En op de achtergrond werpt China, met voorpost Hongkong, zijn schaduw vooruit. De Chinese renminbi en de Hongkong dollar hoefden tot nu toe niet te devalueren: de beurskoersen vingen tot nu toe de klap op. Mochten zij hun munten zij alsnog laten depreciëren, dan gaat de Azië-crisis een nieuwe fase in die het Westen niet onberoerd laat.