Tijd van Soeharto lijkt voorbij

Een repressief militair bewind kan in Indonesië misschien tijdelijk de rust herstellen, maar de economie vereist ingrijpender veranderingen. Volgens Nico Schulte Nordholt moet eerst de verwevenheid tussen de politiek en de economie worden doorbroken.

Met bloedig geweld is in 1965 en 1966 Soeharto's 'Nieuwe Orde' ontstaan. En alle tekenen wijzen er op dat zijn bewind nu in geweld ten onder zal gaan. De laatste dertig jaar verwierf de oud-generaal zich internationale faam door leiding te geven aan een economische ontwikkeling met een gemiddelde jaarlijkse groei van rond de 7 procent, waardoor Indonesië kon toetreden tot de club van Nieuwe Tijgers in Zuidoost-Azië. Maar sinds juli 1997 is de economie van Indonesië in de greep van de 'Aziatische griep', met als dieptepunt de huidige vrije val van de roepia, die nu nog maar een kwart van de waarde van juli heeft. Voor het eerst wordt in Jakarta luid en openlijk door vooraanstaande geestelijken en leiders van jongerenorganisaties gesteld: Soeharto uw tijd is voorbij.

Zal de sluwe staatsman, die tot nu toe zijn vele rivalen altijd te slim af is geweest, naar die stemmen luisteren? Of zal hij gedwongen worden te luisteren, als medio februari de militaire commandanten de maatregelen bespreken om een rustig verloop van de MPR-zitting (het hoogste staatsorgaan) te garanderen?

Een beter moment voor die groepen binnen het leger die zich al jaren tegen een continuering van Soeharto's presidentschap verzetten is moeilijk te bedenken. Als zijn tegenstanders er in februari in slagen de overhand te krijgen kunnen zij Soeharto hun wil opleggen, net zoals Soeharto zelf in 1966 de toenmalige, zieke president Soekarno dwong hem het mandaat te geven Orde en Rust te herstellen, na maanden van roerige rellen en demonstraties. Een mandaat dat Soeharto heeft weten uit te baten tot het huidige langstdurende presidentschap op dat van Fidel Castro na.

Voor de militaire tegenstanders van Soeharto vormen de huidige sociaal-economische spanningen een goed alibi om een nieuw leiderschap af te dwingen. Maar de steunpilaren van Soeharto binnen het leger en de bureaucratie zullen zich daar uiteraard tegen verzetten. Dat kan tot ongecontroleerd geweld leiden binnen het leger met alle desastreuze maatschappelijke gevolgen.

De angst voor geweld kan echter ook leiden tot een consensus binnen het leger over het leiderschap in de (nabije?) post-Soeharto periode. Een consensus die, gezien de uiterst precaire situatie van de economie een absolute voorwaarde lijkt voor een spoedig herstel. Hoe zal de machtsstrijd binnen het leger verlopen tussen nu en maart, wanneer in een besloten vergadering van de 1000-leden tellende MPR, het Consultatieve Volkscongres, de president en vice-president worden benoemd en de hoofdlijnen voor de komende vijf jaar worden vastgelegd?

De MPR komt slechts éénmaal in de vijf jaar 14 dagen bijeen, tenzij uitzonderlijke omstandigheden een bijzondere zitting nodig maken. In de tussenliggende vijf jaar heeft de benoemde president het mandaat om, ongehinderd door een parlement, het in hoofdlijnen uitgestippelde beleid naar eigen inzicht in te vullen. Een besluit dat nu in concept gereed ligt, biedt de president zelfs buitengewone bevoegheden om tegen elke vorm van kritiek op te treden. Het gaat hier om de herinvoering van het mandaat dat hij in 1966 van Soekarno afdwong. Kennelijk is het nu weer nodig, ditmaal als een MPR-besluit waardoor het een constitutionele legitimiteit verkrijgt.

Indien in maart een ander tot president wordt benoemd, beschikt deze ook contitutioneel over exorbitante bevoegdheden. Tot voor kort concentreerde de discussie zich op de vraag wie Soeharto als vice-president zou kiezen, maar sinds begin december, toen Soeharto oververmoeid van de APEC-conferentie te Vancouver terugkeerde, wordt er openlijk gespeculeerd dat hij van een zesde ambtstermijn zal afzien. Tijdens het congres van de regeringspartij, de GOLKAR, in oktober vorig jaar had Soeharto zelf al gezinspeeld op die mogelijkheid door nadrukkelijk op zijn hoge leeftijd (1921) te wijzen. Maar toen nam vrijwel niemand dit nog serieus, omdat hij ook in voorgaande jaren (1988 en 1993) zo zijn rivalen uitdaagde.

Degenen die toen toehapten, werden direct daarop hardhandig opzij gezet. Maar dit keer is hij werkelijk ziek, al is het onduidelijk hoe serieus zijn kwalen zijn. En hoe serieus de opmerkingen van zijn dochter, de politiek zeer invloedrijke zakenvrouw, Mbak Tutut, geïnterpreteerd moeten worden toen zij in december voor een gehoor van studenten smeekte haar vader niet weer te benoemen?

Soeharto's macht is gebaseerd op zijn controle over de strijdkrachten, (ABRI), de bureaucratie, (KORPRI), en de daarmee verbonden regeringspartij, de GOLKAR, en op zijn ogenschijnlijk onuitputtelijke financiële hulpbronnen die hij met behulp van Chinese zakenvrienden in zijn lange carrière heeft weten op te bouwen. In Jakarta circuleert het gerucht dat de familie Soeharto over een kapitaal van 50 miljard US-dollar zou kunnen beschikken.

Tot voor kort wist Soeharto de rivaliserende groepen binnen zijn Nieuwe Orde handig tegen elkaar uit te spelen waardoor hij de onmisbare 'vader'-figuur werd die posities en gunsten kon uitdelen aan wie loyaal tegenover hem waren. Maar vanaf 1988 wordt er binnen het leger onderhuids tegen hem geageerd. De olie-crisis van de jaren tachtig had de regering-Soeharto gedwongen de IMF/WB richtlijnen tot deregulering gedeeltelijk te volgen. Deze zetten een proces van privatisering in dat bepaalde groepen militairen hun lucratieve bron van inkomsten uit (semi)staatsbedrijven ontnam. En omdat de Chinese zakenvrienden en de familie Soeharto hiervan profiteerden, ontstond er wrok en jaloezie binnen het leger.

De politieke spanning in Indonesië is omgekeerd evenredig met de koers van de roepia. Onder de bevolking is daarom nu paniek uitgebarsten. In vele plaatsen wordt geplunderd en gehamsterd. Niet alleen zijn de prijzen van de basisbehoeften recent met 20 procent, ook houden velen rekening met voedselschaarste vanwege de langdurige hevige bosbranden in het land.

Des te opmerkelijker was de opgewonden en uitgelaten stemming tijdens de feestelijke bijeenkomst op 7 januari waarin dr. Amien Rais werd uitgeroepen tot 'Man van 1997'. Een duidelijker teken van protest tegen Soeharto kon haast niet. Rais heeft zich vorig jaar ontpopt tot de grote publieke tegenspeler van Soeharto die openlijk kritiek durfde leveren. In tegenstelling tot Megawati Soekarnoputri, die die rol als voorzitter van de pseudo-oppostionele politieke partij PDI vanaf 1993 mocht vervullen, is Rais' positie kennelijk zo sterk dat Soeharto hem niet uit zijn functie kon verwijderen.

Amien Rais werd niet alleen uitgeroepen als 'Man van 1997', de aanwezigen juichten hem ook toe als de nieuwe presidentskandidaat. Met een verwijzing naar zijn naam (Amien - de geloofwaardige, Rais - de leider/president) werd gescandeerd: Amien Rais, de geloofwaardige president.

Daarmee werd de ongeloofwaardigheid van Soeharto onderstreept. Een ongeloofwaardigheid die, na zijn rede ter gelegenheid van de begroting voor 1998, nu ook gedeeld wordt door de internationale financiële gemeenschap. Het gevolg is de vrije val van de roepia en het ineenstorten van de aandelenmarkt in Jakarta in juli 1997 en daarmee ook de valuta-crisis in Thailand. De eerste maanden leek de roepia zich nog enigszins te kunnen handhaven, maar door een te strak monetair en financieel beleid kwam ook in Indonesie de run op de dollar op gang. In oktober moest Indonesie de IMF om extra steun vragen.

In die onderhandelingen passeerde Soeharto zijn eigen kundige en als onkreukbaar bekendstaande minister van Financiën Marie Muhammed. Hij schakelde de oude professor Widjojo in die als architect van het economisch wonder van de Nieuwe Orde wordt gezien. Op stringente voorwaarden beloofde het IMF toen een hulppakket van 23 miljard US dollar, maar toen die voorwaarden niet publiek werden gemaakt en tegen de eerste maatregelen, de sluiting van zestien failliete banken uit de hoek van de familie Soeharto, werd geprotesteerd, nam de argwaan tegen de intenties van de Soeharto-regering om zich aan de IMF-voorwaarden te houden, toe.

De minister van Financiën werd voor de tweede keer gepasseerd toen Soeharto op 23 december zijn oudgediende minister Radius Prawiro van stal haalde, om toch de schulden van de particuliere bedrijven te regelen, juist op het moment dat Marie Muhammed met een officiële delegatie naar de belangrijkste donorlanden reisde om een regeling voor de staatsschulden te treffen.

Evenals bij de crisis in Zuid-Korea geldt ook voor Indonesië dat er geen duidelijk inzicht bestaat in de omvang van de buitenlandse schuldenlast. Officieel wordt gezegd dat deze 120 miljard dollar is, waarvan ongeveer de helft staatsschulden zouden zijn. Maar hardnekkige geruchten beweren dat er nog eens 80 miljard dollar aan particuliere schulden moet worden bijgeteld. Bovendien stelt de bekende Jakartaanse financieel analist, Chistianto Wibisono, dat Chinese conglomeraten en andere particuliere bedrijven ongeveer 80 miljard dollar in Singapore hebben geparkeerd.

Radius moet nu samen met drie Chinese zakelijke topleiders pogen dit geparkeerde geld terug te sluizen naar Indonesie. Maar door dit buiten het ministerie van Financiën om te doen, werd de geloofwaardigheid van de regering-Soeharto rond de jaarwisseling nog ernstiger aangetast.

Het had er alle schijn van dat Soeharto niet van plan was de crisis werkelijk te willen bestrijden door structurele veranderingen door te voeren maar er slechts op uit was tijd te rekken tot hij in maart 1998 weer zou zijn herbenoemd om dan met zijn exorbitante bevoegdheden zijn macht en die van zijn familie te consolideren. De tijd lijkt hem echter nu door de vingers te zijn geglipt. De schuldenlast blijkt groter te zijn dan hij had voorzien. En ernstiger ook dan velen voor mogelijk hadden gehouden.

De Nieuwe Orde van Soeharto had na het gedwongen ontslag van Megawati bij velen al elke vorm van legitimiteit verloren. En nu er ook een dramatisch einde is gekomen aan het economische succes van deze Orde, lijkt het politieke systeem ook in het buitenland zijn steun te hebben verspeeld. De komende MPR-zitting gaat daarom niet alleen om de persoon van een nieuwe president, maar ook over de vraag of men met nieuw bloed het huidige systeem denkt te kunnen voortzetten. Zijn de machtsmechanismen van de Nieuwe Orde niet de oorzaak van de huidige crisis?

In dat laatste geval zal alleen een civiele president een geloofwaardige nieuwe start kunnen maken. Dan valt ook de euforie voor Amien Rais goed te plaatsen.

Maar roepen zijn persoon en ideeën bij velen niet het spookbeeld op van een islamstaat? Zal dat voor de 'rood-witte'-ABRI niet de reden zijn om dan maar liever Megawati naar voren te schuiven? Eventueel als tijdelijke oplossing, zoals op de Filippijnen waar Corrie Aquino als tussenpaus mocht fungeren?

Als de militairen blijven denken dat zij met enige correcties binnen de Nieuwe Orde hun machtsposities kunnen handhaven, lijkt het einde van de economische crisis nog ver weg. Een hecht, repressief militair bewind kan tijdelijk orde en rust herstellen, maar een blijvend herstel van de economie vereist ingrijpende structurele veranderingen waarbij de verwevenheid tussen de politieke en economische sectoren doorbroken wordt.

Dat kan alleen wanneer een sterke, pluriforme en open civiele samenleving zich niet meer laat manipuleren door krachten binnen het leger, maar juist dat leger onder controle van de politiek brengt. Dat inzicht bestaat volop in Indonesië, maar de verlammende werking van de nog steeds bestaande dreiging van een islamstaat hangt als een zwaard van Damocles boven elke poging van burgergroepen om coalities te vormen. Doordat sinds 1985 elke discussie over de grondslag van de staat per wet verboden is, heeft deze zich in vele vermommingen voortgezet. Het zo ontstane wantrouwen is niet zo gauw verdwenen, tenzij uit de catharsis van deze diep ingrijpende economische crisis een oprechte, open nationale dialoog zal voortkomen. Een dialoog waarvoor op die feestavond ter ere van Amien Raid al werd gepleit, en waarop enkele leidende figuren vanuit de religieuze minderheden al enthousiast hebben gereageerd.