Strijkkwartetten voor vijftig dukaten

Jos van der Zanden: Beethoven in zijn brieven. Gottmer, 252 blz. ƒ 49,90

Beethoven heeft in zijn composities het hele gamma van menselijke emoties uitgedrukt. In zijn brieven sprak hij een andere taal, waarin die genuanceerde expressie niet is terug te vinden. Voor sommige biografen is dat een reden om Beethoven af te schilderen als een obscure persoonlijkheid. Jos van der Zanden gaat zorgvuldiger te werk. Met Beethoven in zijn brieven bezorgt hij een integere Beethovenbiografie.

In Doktor Faustus wijdt Thomas Mann een hoofdstuk aan Beethovens laatste pianosonate, op. 111, een krap, dertig minuten durende compositie waarin existentiële gevoelens op onovertroffen wijze in klank zijn gebracht. Niet voor niets ooit omschreven als 'een wereldreis door de ziel'. Manns barokke betoog voegt weinig toe aan het meesterwerk van de componist. Datzelfde geldt voor vele andere geschriften over Beethoven. Het is niet zo verbazend dat literatoren en musicologen geïnspireerd werden door de poëtische expressie en de intensiteit van Beethovens werken. De uitdrukkingskracht en genialiteit van zijn muziek was nieuw en blijft tot op de dag van vandaag overrompelend. Men raakt dus nieuwsgierig naar wat de componist zelf heeft gevoeld en waarom.

Bepaalde feiten uit zijn leven spreken tot de verbeelding: de drankzucht van zijn vader, Beethovens zorg voor het gezin na de dood van zijn moeder, zijn slechte gezondheid, de vele liefdesaffaires, Beethovens gehoorprobleem en de ruzies met vrienden en uitgevers. Over de identiteit van de befaamde 'onsterfelijke geliefde' (een brief aan haar werd in de nalatenschap gevonden) zijn zelfs boeken geschreven.

Het blijft de vraag of al die uiteenzettingen en speculaties ons dichter bij de componist brengen. Naast een flink aantal uitstekende biografieën is over Beethoven nogal wat onzin verkocht. Wie de zoveelste biografie ter hand neemt is daardoor enigszins op zijn hoede. In het geval van Van der Zandens Beethoven in zijn brieven ten onrechte. Zijn eerdere, goed gedocumenteerde essaybundel Beethoven - nieuwe onthullingen - wekte al vertrouwen. Met een selectie brieven aan familieleden, vrienden, geliefdes, broodheren en uitgevers schetst Van der Zanden een betrouwbaar beeld van de creatieve ontwikkeling van de componist, in het licht van zijn levensomstandigheden.

Het voorwoord is nogal ontmoedigend. Daarin waarschuwt de auteur de lezer voor de, naar zijn smaak, matige literaire kwaliteit van de brieven, die 'niet van welbespraaktheid getuigen, laat staan van poëtische uitdrukkingskracht'. Over de componist noteert hij dat die 'in het algemeen niet erg voorkomend of diplomatiek was in zijn uitlatingen' en 'dat zijn belangstelling voor zijn omgeving tamelijk mager was'. Een merkwaardige voorbeschouwing in een boek dat een beeld geeft van Beethovens veelzijdige persoonlijkheid.

Beethoven was, zeker vanaf de eeuwwisseling, een gevierd en succesvol componist. Een goed deel van de gekozen brieven is dan ook gericht aan de vele uitgevers. Als je leest hoe de contacten met zijn uitgevers waren, schrik je telkens weer. In 1805 werden zijn Derde Symfonie Eroica en twee pianosonates door Breitkopf en Härtel teruggestuurd en in 1809 lezen we in een brief aan diezelfde uitgever:

'Mijn omstandigheden dwingen me om me tegenover u weer als een echte vrek te gedragen. U moet me de 250 gulden maar sturen voor de drie grote werken die ik u gaf.' (Het betreft de opera Leonore, het oratorium Christus am Oelberge en de Mis op. 86) 'Hierbij een hele waslijst aan fouten die in de cellosonate zijn geslopen.' (...) 'Ik heb gehoord dat het eerste trio hier is verschenen. Graag ontvang ik een presentexemplaar, want dat kreeg ik niet. Ook zou ik het op prijs stellen als u van mijn andere werken alsnog een drukproef toestuurt.'

Later in Beethovens leven, als uitgevers zich verdringen om zijn composities te bemachtigen, blijven de onderhandelingen moeizaam. Nog in 1824 - Beethoven werkte toen onder meer aan zijn late kwartetten -, verlangt uitgever Probst een beoordeling vooraf. Voor Beethoven is dat een reden niet meer met hem in zee te gaan. In datzelfde jaar klaagt Beethoven: 'Werd ik maar niet van alle kanten onder druk gezet en aangespoord om werken voor grote bezetting te componeren. Aan die wens moet ik wel gehoor geven, wil ik niet tot armoede vervallen.'

Louis d'ors

Met de Missa solemnis grijpt hij noodgedwongen de kans om verschillende uitgevers tegen elkaar uit te spelen. 'Het meest monumentale werk dat ik tot nu tot heb gecomponeerd is een mis voor koor, vier obligate zangstemen en groot orkest', schrijft hij aan Peters in 1822. 'Diverse uitgevers hebben er interesse voor. Honderd volwaardige louis d'ors hebben ze me geboden, maar ik wil er minstens duizend gulden voor hebben, waarvoor ik dan wel zelf het piano-uittreksel maak. Verder heb ik pianovariaties op een wals.'

Beethoven doelde op de magistrale Diabelli-variaties. Hij voegde nog een lange lijst toe van beschikbare composities en vermeldde tenslotte: 'Over niet al te lange tijd kunt u bovendien een pianosonate van me krijgen, voor veertig dukaten. Hetzelfde geldt voor een strijkkwartet voor vijftig dukaten.'

Het ging om de pianosonate op. 111 en het in het vooruitzicht gestelde strijkkwartet was op. 127, beide werken waarin Beethovens kamermuziek een artistiek hoogtepunt bereikte. Peters accepteerde het aanbod van de mis, maar toonde geen belangstelling voor de kamermuziek. Zo sprongen muziekuitgevers om met de genieën van hun tijd.

In de loop van Beethovens leven wordt de toon van zijn brieven grimmiger. De verklaring moet gezocht worden in de schrijnende gehoorproblemen, die een toenemend isolement tot gevolg hadden. Men vergeet wel eens dat Beethoven, van kindsbeen af begenadigd met een perfect gehoor, al op zijn zesentwintigste een gehoorstoornis vaststelde. Lange tijd kon hij zijn slechthorendheid voor de buitenwereld geheim houden. In 1814 moest hij zich terugtrekken als pianist en vanaf 1818, toen hij zo goed als niets meer hoorde, kon hij alleen nog maar schriftelijk converseren.

Van der Zanden nam de eerste noodkreten op in zijn boek. Na jaren met niemand over zijn problemen gesproken te hebben schreef Beethoven in 1801 aan zijn vriend Franz Wegeler: 'Mijn oren bruisen en suizen dag en nacht door. Het vergalt werkelijk mijn leven en al twee jaar lang mijd ik elk gezelschap, omdat ik niet tegen mensen durf te zeggen: ik ben doof. Als ik een ander beroep had ging het nog, maar bij dat van mij is het vreselijk. En dan al mijn vijanden, die niet gering in aantal zijn, hoe zouden die niet reageren?' En enkele dagen later in een brief aan Carl Amenda: 'O, wat zou ik nu gelukkig zijn als mijn gehoor in orde was. (...) Ik zal mijn toevlucht moeten nemen tot een droeve resignatie (...) Over hetgeen ik je over mijn gehoor vertel moet je absolute discretie bewaren en er met niemand, wie het ook is, over spreken.'

Beethovens nooit verzonden brief aan zijn broers Carl en Johann, waarin hij een diepe depressie beschrijft, dateert van ruim een jaar later. De brief werd bekend als het 'Heiligenstädter Testament'. Van der Zanden suggereert dat het schrijven van deze brief een keerpunt in Beethovens leven vormde. In sociaal maar ook in artistiek opzicht betekende het de overgang naar de tweede creatieve periode: 'een scheppingsfase die wordt gekenmerkt door een reeks grensverleggende heroïsche werken'. Opvallend is vanaf die tijd een verscherpte stemmingstegenstelling in vele composities. Donkere, droevige bewegingen worden afgewisseld met vredige, rustige delen. Niet zelden klinken de slotdelen opgewekt en zelfs uitgelaten, als een triomf over het doorstane leed.

Liefdesaffaires

De opleving na de depressieve crisis blijkt ook uit de kracht waarmee Beethoven zich in nieuwe liefdesaffaires stort, die overigens steevast op een tragedie uitlopen. Grappig is zijn inspanning om goed voor de dag te komen. 'Kan ik voor en paar uur de spiegel lenen die jij naast je raam hebt hangen,'schrijft hij aan en vriend in 1810. 'De mijne is in stukken gebroken. Je zou me bovendien een groot plezier doen als je er vandaag zo eentje voor me kunt kopen. De kosten zal ik je meteen vergoeden.' En aan zijn trouwe kameraad Von Gleichenstein: 'Ik wil je vragen om linnen en bengaline voor me te kopen en ook minstens een half dozijn halsdoeken. Koop maar wat je goeddunkt, maar stel het niet uit, want je weet dat ik erop wacht.'

Van der Zandens verbindende teksten zijn informatief en zelden speculatief. De vertalingen zijn mooi en overtuigend. De archaïsche verteltrant geeft je de indruk een oude brief te lezen en dat doe je ook. Verhelderend zijn de talloze verwijzingen naar gelijktijdig met de brieven geschreven composities. Niet alleen de bekende opusnummers worden genoemd, ook de ruim tweehonderd 'Werke ohne Opuszahl' (WoO), een uitnodiging aan musici om die meer aandacht te geven. Het resultaat is een uitstekend gedocumenteerd verhaal dat een schat aan informatie geeft over de relatie tussen Beethovens leven en werken. Voor zijn vertalingen maakte Van der Zanden gebruik van Sieghard Brandenburgs recent verschenen wetenschappelijke editie van Beethovens complete correspondentie, de zesdelige Briefwechsel Gesamtausgabe (Henle, München 1996). 'Een mijlpaal in de geschiedenis van het Beethoven onderzoek', in de woorden van de auteur. Door de incompleetheid van oudere brievenedities van Kalischer (1908), Prelinger (1911) en Kastner-Kapp (1923) waren biografen sinds een halve eeuw aangewezen op Emily Andersons fameuze Letters of Beethoven uit 1961. Honderdzeventig jaar na zijn dood blijft Beethovens invloed onverminderd gelden. Afgelopen jaar bracht Deutsche Grammophon het complete oeuvre uit op cd. Beethoven in zijn brieven is een mooie aanvulling op het beeld dat uit de composities naar voren komt.