Preken als cultuur; Van dogma tot communicatie

J.J. Bosma: Woorden van een gezond verstand. De invloed van de Verlichting op de in het Nederlands uitgegeven preken van 1750 tot 1800. De Graaf, 752 blz. ƒ 275,-

Preken zijn cultuur. Elke zondag worden in de Nederlandse kerken duizenden preken gehouden die door honderdduizenden gelovigen worden beluisterd. Al eeuwenlang wordt zo gepoogd een brug te slaan tussen een theologisch gefundeerde uitleg van de bijbelwoorden en de geloofspraktijk van de kerkgangers. De manier waarop dat gebeurt wordt mede bepaald door de maatschappelijke en politieke context en het culturele klimaat.

Preken worden gemaakt om beluisterd te worden. Toch verschijnen ze soms ook in druk. Vooral preken die voor speciale gelegenheden zijn geschreven - bijvoorbeeld voor een begrafenisdienst, bij de inwijding van een kerkgebouw of een orgel en bij de intrede van een nieuwe voorganger - zijn op die manier voor het nageslacht bewaard. Maar ook 'gewone' preken kunnen zich vaak in langdurige belangstelling verheugen. In het voorwoord van een postume prekenbundel over de Heidelbergse Catechismus van de Middelburgse predikant Bernard Smytegelt (1665-1739) is een gedeelte opgenomen uit een commissierapport van 1742 dat duidelijk maakt hoe dergelijke bundels tot stand konden komen: 'Het selve is gedrukt, en staat uitgegeven te worden, niet na het eigenhandig afschrift des Predikers, maar onder het Prediken opgeschreven'. Smytegelt - van wie tijdgenoten vertellen dat zijn stem ondanks een 'lijmerigen preektoon' klonk 'als een klok, die het kerkgebouw tot in de hoeken vulde' - was kennelijk een zeer populair predikant, wiens preken tijdens de diensten werden genoteerd. Zo geliefd waren zijn preken in bepaalde ultra-orthodoxe kring, dat ze vele malen herdrukt zijn en tot in deze eeuw gelezen werden, vooral in de diverse Gereformeerde Gemeenten, ook wel aangeduid als zwartekousenkerken.

In de bijlage bij zijn proefschrift Woorden van een gezond verstand geeft de kerkhistoricus Jelle Bosma een overzicht van de preken die in ons land werden uitgegeven in de periode van 1750 tot 1800. Bosma schat dat hij 85 procent van de in die periode uitgegeven preken bij elkaar heeft gebracht: 5552 gereformeerde, 332 lutherse, 486 doopsgezinde, 74 remonstrantse en 196 Waalse. Bovendien verschenen in die periode 2035 uit het Duits en 1534 uit het Engels vertaalde preken.

Bosma heeft voor zijn onderzoek de periode 1750-1800 gekozen, omdat de Verlichting dan baan begint te breken in Nederland. Tot het midden van de achttiende eeuw is de prediking overwegend orthodox. De mens wordt beschouwd als 'onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad'. De Verlichting daarentegen kenmerkt zich door een veel optimistischer mensbeeld. Emancipatie, secularisatie en humanisering zijn de sleutelwoorden van deze Age of Reason. Geleidelijk begint de invloed van dat Verlichtingsdenken door te werken, waardoor niet alleen de inhoud, maar ook de vorm verandert.

Tot 1750 ligt het accent op een door de kerkelijke dogmatiek bepaalde, uiterst gedetailleerde exegese van bijbelteksten. Omdat de bijbel algemeen wordt gezien als rechtstreeks door God geïnspireerd, moet elke zinsnede een betekenis en dus een boodschap hebben. Elke tekst wordt tot op het laatste woord uitgebeend. Systematiek viert hoogtij in de prediking. Maar erg toegankelijk is het allemaal niet. Onder invloed van de Verlichting wordt dat anders, vooral bij lutheranen, remonstranten en doopsgezinden, maar ook in de verlichtere delen van de officiële gereformeerde kerk. De preken krijgen een veel essayistischer karakter, waardoor ze makkelijker te begrijpen worden. Ook in de homiletiek (preekkunde) wordt meer nadruk gelegd op het belang van communicatie met de hoorder.

Inhoudelijk brengt de Verlichting ook een verandering. De moderne preek brengt niet zozeer een systematische uiteenzetting van de zuivere leer van het evangelie en concentreert zich ook minder op kennis van en inzicht in de heilsfeiten, maar richt zich vooral op de 'betamelijke plichten'. Op basis van de hoofdlijnen van de christelijke leer wordt de nadruk gelegd op de deugden. Het accent verschuift van exegese naar moralisme, van dogmatiek naar ethiek, van inhoud naar functie. Bijbelwoorden worden niet langer aan een minutieuze exegese onderworpen, maar vooral gebruikt als motto waaraan praktische levenslessen worden geknoopt. De oude dogma's hebben afgedaan. De mens is tot veel in staat als hij de rede volgt. De gematigde vorm die de Verlichting in Nederland aanneemt, wordt gestempeld door de overtuiging dat rede en openbaring, het menselijk verstand en de bijbel niet wezenlijk met elkaar strijdig kunnen zijn. Zo schrijft dominee Van Hamelsveld in 1783 een preek onder de titel De voortreffelijkheid, nuttigheid en noodzakelijkheid van de Geschiedenissen des Ouden Testaments. Nut, noodzaak en waarheid behoren bij elkaar.

Bosma komt tot de conclusie dat aan het einde van de achttiende eeuw, de periode die bekend staat als Patriottentijd, een groot deel van de lutheranen, doopsgezinden, remonstranten en Waalse kerken aansluiting vindt bij dat moderne levensgevoel, terwijl in de staatskerk zo'n dertien procent van de predikanten voor een meer verlichte prediking kiest. De meer traditionele preek blijft bestaan in het grote midden-orthodoxe deel van de officiële kerk, dat slechts beperkt beinvloed wordt door het nieuwe denken. In het kleine orthodox-bevindelijke deel gaat men zich er met kracht tegen verzetten.

Wat het boek van Bosma, afgezien van het enorme feitenmateriaal dat erin bij elkaar is gebracht, zo boeiend maakt is dat het onwillekeurig uitnodigt om parallellen te trekken met de hedendaagse kerkelijke stromingen in ons land. Bosma schetst onder meer de tegenstelling tussen de bevindelijke orthodoxie, die een pessimistisch mensbeeld heeft en niet wars van dogmatisme is, en meer evangelische predikers, die een optimistischer kijk op de menselijke mogelijkheden hebben, afstand nemen van de traditionele 'geleerde' theologie en pleiten voor een simpele prediking, maar met behoud van de aloude boodschap. De discussie binnen de kring van de Evangelische Omroep tussen de reformatorische en de evangelicale vleugel blijkt zo opeens een heel oud debat.