Papon als 'onschuldige' tegenover zijn slachtoffers

Op de 44ste zittingsdag van zijn proces wegens oorlogsmisdrijven moest Maurice Papon opboksen tegen de minachting van degenen wier familieleden tijdens de Tweede Wereldoorlog werden gedeporteerd uit Bordeaux.

BORDEAUX, 9 JAN. “Ik geloof dat U een gefrustreerd man bent, Maurice Papon. In het begin van dit proces hebt u merkwaardig veel over uw vader gesproken. Ik heb het genoegen van een vader niet gekend. Maar ik ben trots op hem. Ik beklaag u, meer dan dat ik u haat.” Juliette Benzazon (68), gepensioneerd antiquair uit Bordeaux, kijkt de verdachte voor het eerst aan. Papons dubbel-breasted krijtstreeppak lijkt leeg.

De voormalige topambtenaar en minister van Begrotingszaken onder president Giscard d'Estaing beleeft geen goede week. Terecht staan wegens misdrijven tegen de menselijkheid is nooit een sinecure, maar in dit proces, dat sinds midden oktober gevoerd wordt voor het Hof van Assisen in Bordeaux, heeft Papon betere momenten gekend. Vooral zijn invrijheidstelling wegens slechte gezondheid, regelrecht tegen de wet in, gaf de verdachte een vliegende start.

Nu het concreet gaat om de deportatie van joden uit het departement Gironde, waar hij tijdens de Tweede Wereldoorlog secretaris-generaal van de prefectuur was, komt de realiteit van de kampen Mérignac (bij Bordeaux), Drancy (het doorvoerkamp bij Parijs) en Auschwitz pijnlijk dichtbij. Deze week werd het konvooi van 18 augustus 1943 onderzocht, waarmee 444 joden (onder wie 81 kinderen) werden weggevoerd. Maurice Papons handtekening staat onder documenten die arrestaties opdroegen en het transport regelden. De ijverige jonge ambtenaar van toen wordt steeds zichtbaarder.

Na drie dagen, waarin advocaten van de nabestaanden de 87-jarige Papon kriskras door het dossier van 50.000 pagina's hebben gesleept, is nu de beurt aan zijn advocaat Varaut. Er zijn gaten in zijn defensie gevallen, belangrijke details waar Papon geen overtuigend antwoord op had. Hij heeft voor het eerst toegegeven dat hij destijds misschien beter ontslag had kunnen nemen, “als ik had geweten wat er uiteindelijk is gebeurd”.

Varaut haalt breed uit om de drie beroepsrechters en negen leke-juryleden weer terug te brengen bij zijn centrale stelling: Papon was een gewetensvol, maar ondergeschikt ambtenaar en - tegen het einde van de oorlog - verzetsman, die alleen terecht staat omdat sommigen in Frankrijk een halve eeuw na dato afstand wil nemen van haar collaborerende Vichy-regime en omdat de echte leiders van toen dood zijn. Een zondebok.

“Toen dit proces begon was Maurice Papon al door de media veroordeeld. De kansen zijn nu gekeerd. Ook deze week is de werkelijke gang van zaken niet duidelijker geworden, ondanks de politieke motieven, de hypocrisie van mijn collega's aan de overzijde, die schuldig verklaren door alles op één hoop te vegen, volgens de beproefde totalitaire methode, geërfd van de nazi's of de goelag.” Terwijl zijn advocaat het thema onschuld uitwerkt veegt Maurice Papon met een opgevouwen zakdoek langdurig de binnenkant van zijn handen af. De nachtelijke scène waarin Lady Macbeth zich de handen wist komt onweerstaanbaar in gedachten. 'Bloed? Ik, bloed?'

Varaut verwijt sommige collega's die nabestaanden verdedigen dat zij te veel naar Amerikaanse rechtszaal-series hebben gekeken. Hij hekelt hun historische onkunde en wijst erop dat in Nederland driekwart van de joden zijn gedeporteerd, tegen één kwart in Fankrijk. Implicatie: een gunstige uitzondering dankzij gewetensvolle ambtenaren als Maurice Papon. Vraag aan zijn cliënt: “Wat heeft u gedaan om deze Franse uitzondering te bewerkstelligen?” Papon staat op, hij is te lang voor de microfoon en zakt wat in, praat makkelijk, als een burgemeester die zijn raad door en door kent. Schetst met data en details wie hij schreef, belde en aansprak. Vergeefs, wie hij concreet kon redden blijft ook deze 44ste zittingsdag een raadsel. Dan onverwacht: “Ik geloof niet dat het echec van dit moeizame debat, op voet van ongelijkheid, medeplichtigheid oplevert.”

Varaut zet het onderricht van de jury voort: “Gisteren heb ik twintig keer gehoord 'U wilde de trein vullen', of 'U hebt de kinderen opgepakt', maar daar staat niets van in de stukken. Hoe komt men erbij? Waarom heeft men zeven jaar gewacht Maurice Sabatier, de prefect van toen, in staat van beschuldiging te stellen? [Hij is inmiddels onberecht overleden, red.] Waarom heeft men elf jaar om René Bousquet heen gelopen? [Hoofd van politie van Vichy, in '93 vermoord vóór zijn rechtszaak begon, red.] Vandaag hebben we geen getuigen meer, alleen nog zonen en dochters van slachtoffers.”

Dat had hij niet moeten zeggen. Ook Varaut heeft sterkere dagen gekend. Kinderen kunnen ook getuigen zijn. Zoals René Jacob, nu een gepensioneerd man van 72, maar destijds als vijftienjarige jongen samen met zijn vader gearresteerd door de Franse politie wegens het met een kwartier overschrijden van de avondklok, het op de fiets meevoeren van zwart gekocht eten (hun vleesbonnen hadden alleen betrekking op varkensvlees, dat zij om religieuze redenen niet mochten eten) en het niet-dragen van de jodenster.

Zijn bewogen getuigenis uit Mérignac is niet gunstig voor de verdachte. Een Franse politieman in het opvangkamp van Bordeaux zei vader en zoon bij binnenkomst: “Jullie hebben pech, met de nieuwe secretaris-generaal wordt het geen feest”. De jonge Papon had kennelijk al een naam. Een tweede tegenslag voor verdachte: Jacob, bij wie veel uitspraken van toen in het geheugen gegrift staan, herinnert zich het moment waarop in dit Franse kamp het nieuws uitlekte dat transport naar het oosten een vrijwel zekere dood betekende. Een uur eerder had Varaut met gezwollen stem voorgelezen uit het kampverslag van een Frans-joods verzetsman die schreef pas in '45 de waarheid over de kampen te hebben gehoord - een voor Papons vrijspraak essentiële stelling.

De galerij getuigen geeft een gevarieerd, maar onverminderd ontroerend beeld van het Bordeaux van 55 jaar terug, en wat er van gekomen is voor de getuigen die zich ook als nabestaanden en klagers in het proces hebben aangemeld - een mogelijkheid die het Nederlandse recht in die vorm niet kent. Thérèse Stopnicki verloor haar ouders Charles en Esther met het konvooi van 18 juli '42 en haar zusjes Nellie en Rachel (5 en 2) met dat van 26 augustus '43. De zusjes werden bij hun pleegmoeder weggehaald door de Franse politie, op last van de prefectuur. Wat Papon ontkent. Hij was daar de chef. De president laat in de rechtszaal twee kinderfoto's projecteren op een groot scherm. Thérèse Stopnicki (68) heeft een eenzaam leven lang gewerkt als wijkverpleegster. Zij graaft nog één keer haar geheugen af, de handen ferm om het getuigenhekje, opdat haar leven ergens goed voor is geweest. En besluit: “In ieder kind, ongeacht ras of kleur, zag ik mijn zusjes. Je vergeet het nooit. Ik heb getracht een normaal leven te leiden. Velen hebben niets aan mij gemerkt. Je kan niet op het kerkhof blijven wonen”.

Juliette Benzazon, die in drie konvooien veertien familieleden zag wegvoeren, slaapt nooit in voor vier uur 's ochtends. “Misschien ben ik een nachtvlinder”, veronderstelt zij spottend, één dodelijke blik naar de grauwe gentleman in de beklaagdenbank, om te verzuchten: “Als Frankrijk eindelijk een voorbeeld stelt, kan aan mijn rouw misschien een eind komen.” Ziedaar het dilemma waar de jury straks mee worstelt, mocht het juridisch bewijs tegen Papon onvoldoende blijken. De gevolgen van een vrijspraak zijn nauwelijks te overzien.