Op zoek naar een ander beroep

Het besef het verkeerde beroep te hebben gekozen, kan plotseling in volle hevigheid aan een mens beginnen te knagen.

Ik had het bij het zien van de reportage over voetbalmakelaars in Zembla. Verrukkelijk wereldje. Overdag als een opgeruimde suikeroom Afrikaanse kindvoetballertjes van het vliegveld halen, tegen de avond aan de bar een whisky drinken met je collega's om elkaar vragen toe te kaatsen als: “Heb jij nog een leuke linkspoot in de aanbieding?” Het antwoord moet langs de neus weg worden gegeven in de trant van: “In Trondheim speelt die kleine Kjekkebök momenteel de sterren van de hemel.”

We zagen hoe de bekende voetbalmakelaar Ger Lagendijk zich ontfermde over een piepjonge Ghanees die door PSV wordt begeerd. Lagendijk nam aan een restauranttafeltje de jongen even apart voor een mini-cursus levenswijsheid. “Denk erom”, zei hij, “na regen is er altijd zonneschijn.”

Inderdaad, geen onpraktische wenk voor iemand van een continent waar ze aan de omgekeerde volgorde gewend zijn. “Dat is er een om te onthouden”, voegde Lagendijk er ten overvloede aan toe. “En ook deze: als je kwaad bent, tel dan eerst tot tien.”

Voor zijn bemiddeling vraagt Lagendijk 500 gulden per uur. Telt leuk op, want hij investeert ongeveer veertig uur in zo'n jongen.

Voetbalmakelaar worden, het zit er niet meer in, maar wat te denken van parlementair journalist? Dat komt meer in de buurt, en het schnabbelt lekker.

Bij Netwerk zien we tegenwoordig dagelijks drie Haagse journalisten in de weer: Van Weezel (Vrij Nederland), Lunshof (De Telegraaf) en Breedveld (Trouw). Zij vormen een zogeheten 'vakjury' die rapportcijfers moet geven aan alle ministers en staatssecretarissen van het paarse kabinet.

De juryvergaderingen zijn gnuivende onderonsjes, waar geen voetbalmakelaar aanstoot aan zou nemen. De een (Van Weezel) zit erbij als de sigarenetende potentaat van een iets te machtige Amerikaanse vakbond, de ander (Lunshof) wil doorgaan voor een wufte patriarch en de derde (Breedveld) is de afgetobde hoofdonderwijzer die kort voor zijn pensioen staat.

Eén ding hebben ze heel sterk gemeen: ze genieten met volle teugen van hun tijdelijke macht. Maar ook voor het overige kunnen ze het goed met elkaar vinden.

Wie zich toch al zorgen maakte over de eenvormigheid van de Nederlandse pers, moet niet te lang naar dit gezelschap kijken: hij ziet zijn gelijk op onrustbarende wijze bevestigd. De heren zijn het vrijwel steeds roerend met elkaar eens. Of het nu om Ritzen gaat, Wijers, Gmelich Meijling of mevrouw Van de Vondervoort: de rapportcijfers ontlopen elkaar nauwelijks. Dat Trouw, Vrij Nederland en De Telegraaf elkaar nog eens zo ostentatief in de arm zouden vallen!

Wat mij verder opviel, is dat tot dusver de machtigen (de ministers) veel betere rapportcijfers kregen dan de minder machtigen (de staatssecretarissen). Zo'n staatssecretarisje als Tommel of Van de Vondervoort is snel afgeschoten, maar met de minister moet je als journalist misschien nog wel een tijdje dóór.

Dus wordt Van de Vondervoort weggezet als een 'ezelin' of 'stekelvarken', terwijl Ritzen een 'intelligente spitsmuis' en 'een niet kapot te krijgen fret' mag heten. Wijers is een 'fjordenpaard' en 'dolfijn', maar Tommel 'een glimworm'.

Vanwaar die dierennamen? Dat had de redactie van Netwerk wel leuk geleken: het bewindslid als (politiek) dier. Humor.

Wat vooral frappeert, is de veelzijdigheid van de betrokken journalisten. Al die beleidsterreinen zonder aarzeling kunnen overzien, en met één machtige typering het werk van jaren kenschetsen - je begrijpt niet waarom sommige journalisten nog langer journalist willen blijven.

Een grotere toekomst is voor hen weggelegd. Het wachten is op het telefoontje van het machtigste politieke dier: de premier. “Wij hadden gedacht... ook gezien uw positieve grondhouding tegenover paars... een politiek adviseurschap...”

Als ik Van Weezel, Lunshof en Breedveld was, zou ik minstens 500 gulden per uur vragen.