Moederloos en wereldvreemd; De gezusters Brontë (1816-1855)

Juliet Barker: De Brontës. Een biografie over de familie Brontë. De Bezige Bij, 1997 (oorspr. 1994), 706 blz. ƒ 97,50 Juliet Barker: The Brontës. A Life in Letters. Viking, 415 blz. ƒ 64,80

Ooit ben ik van de pastorie in Haworth waar het gezin Brontë woonde naar de verre, hooggelegen boerderij gewandeld die model moet hebben gestaan voor Wuthering Heights. Een vervallen ruïne nu, bevolkt door dales-schapen die zich, zodra je op de bemoste stenen de geest van Cathy en Heathcliff tracht op te roepen, om je heen verzamelen. Zelfs op die zomerse dag joeg de storm over de moors, zodat we ons enigszins een beeld konden vormen van hoe het hier 's winters moet zijn geweest - in de winter van 1848 bijvoorbeeld, toen Emily op sterven lag en Charlotte er, naar het verhaal wil, op uittrok in de hoop ergens nog een takje bloeiende heide voor haar zus te vinden. Niet de gehate oostenwind had Emily's hoest veroorzaakt, maar de gallopping consumption - een 'verdiende naam', schreef Charlotte later.

Wat me na afloop van die op stevige wandelschoenen volbrachte pelgrimstocht het meest trof in het sombere, symmetrische aan het kerkhof gelegen Brontëhuis dat nu museum is, waren de aandoenlijk-kleine teer-satijnen schoentjes en de piepkleine rijglaarsjes waarop de drie schrijvende zusters Brontë over de uitgestrekte, stenige heidevelden van het verlaten West-Yorkshire moeten hebben gedwaald. Zo stevig als hun taal was, zo tenger was hun postuur.

Het Brontëmuseum, dat behalve deze schoentjes ook de al even ontroerende miniatuur-boekjes toont die Charlotte, Emily, Anne en hun broer Branwell als kind vervaardigden, stond indertijd onder leiding van historica Juliet Barker. En het is diezelfde Juliet Barker die drie jaar geleden met haar omvangrijke, veelgeprezen en nu in het Nederlands uitgebrachte biografie de stoffige Brontë Society - goed voor busladingen bezoek(st)ers die de geliefde teksten en levens tot in de finesses beheersen - tegen zich in het harnas joeg. Want net zoals de auteurs van de twee laatste Jane-Austenbiografieën, ontmaskert Barker lang gekoesterde verhalen met harde hand als mythes.

Zo blijkt vader Patrick minder excentriek en niet zo harteloos jegens zijn nazaten te zijn geweest als wij zijn gaan denken op grond van het steeds opnieuw gereproduceerde beeld van de negentiende-eeuwse grondlegster van de Brontëstudies, Charlottes vriendin Mrs. Gaskell. Hij zag dat ze getalenteerd waren, onderwees ze de klassieken en investeerde zijn magere wedde in lessen en opleidingen. En al had deze 'huishyena' om zich te verweren tegen de rondzwervende Luddieten, gewelddadige opstandelingen uit die dagen, inderdaad 's nachts een geladen pistool in huis - vervreemd van zijn kudde was hij niet; de reverend bemoeide zich met allerlei sociale en politieke kwesties. Ook was Haworth niet zo achterlijk dat niemand er ooit een krant had gezien, zoals na Charlottes dood werd beweerd. En zo heel klein was het ook niet. Het had een aardige textielindustrie en ligt bovendien onder de rook van een flinke stad, Keighley. Wel waren de levensomstandigheden er slecht en de sterfte buitensporig hoog.

Kostschoolregime

De tragiek van de Brontës is bekend; de eerwaarde Patrick (1777-1861), een Iers immigrant, overleefde zijn hele gezin. Als eerste stierf in 1821 zijn vrouw, Maria Branwell, 38 jaar oud en moeder van zes kinderen, van wie de jongste, Anne, een jaar was. Vervolgens overleden in 1825 luttele weken na elkaar de twee eerstgeborenen, Maria en Elizabeth, tien en elf jaar oud. Branwell, Emily en Anne stierven in 1848 en 1849 aan tuberculose; ze waren rond de dertig. En ten slotte overleed Charlotte, drie weken voor haar negenendertigste verjaardag, in 1855, aan de gevolgen van haar eerste zwangerschap na een laat huwelijk dat nog geen jaar tevoren was gesloten. Maria en Elizabeth stierven als gevolg van de verwaarlozing op de beruchte 'School for Clergymen's Daughters'. Een weerslag van dat gebeuren is als de dood van Helen Burns bekend uit Charlottes fameuze Jane Eyre (1847), waarvan de beginhoofdstukken een aanklacht vormen tegen het harteloze kostschoolregime van die dagen, een regime dat de schrijfster ook zelf aan den lijve had ondervonden. In een voor het toenmalig publiek choquerende scène antwoordt de kleine Jane een van de christen-regenten van de school, dat ze terdege beseft dat meisjes zoals zij, die niet braaf zijn, eeuwig zullen branden, en dat ze derhalve haar gezondheid zal bewaken teneinde niet dood te gaan.

Barker koos voor een gezinsbiografie. Die keuze overtuigt. Gebruik makend van deels nieuwe bronnen als herontdekte brieven slaagt ze erin de intense onderlinge relaties in dit uiterst creatieve, sterk in zichzelf gekeerde, moederloze gezin gedetailleerd en sfeervol te beschrijven. (We kunnen die indrukwekkende brieven zelf naslaan in een net verschenen, door Barker voortreffelijk geannoteerde brievenuitgave.) Ze toont bovendien hoezeer de beroemde, latere Brontëproducten (vol van moederloze kinderen) voortvloeiden uit gezamenlijke jeugdwerken van het in leven gebleven viertal. Zo ontsproot aan de gecombineerde verbeeldingskracht van Charlotte en Branwell, die belangrijker is geweest dan tot nu toe werd aangenomen, het land met de wondere naam Angria, een rijk vol helden, oorlogen, politieke verwikkelingen en hartstochtelijke verhoudingen. In Gondal, de fantasiewereld die de twee jongsten zich schiepen, ging het niet minder gepassioneerd toe. Volgens Barker was Gondal geïnspireerd door Emily's favoriete auteur Walter Scott. Dat zou betekenen dat behalve haar geliefde Yorkshire ook Zuid-Schotland het van natuurmystiek doortrokken Wuthering Heights heeft gekleurd, want de kiem van Emily's enige voltooide prozawerk lag in Gondal.

Schrijven was voor de drie vrouwen een levensnoodzaak, een wapen tegen gevoelens van wanhoop, zinloosheid en verveling, en later ook hun enige hoop op een andere broodwinning dan het gehate gouvernanteschap. Zoals hun ongetemde verbeeldingskracht al vroeg troost bracht in hun geïsoleerde bestaan ('I'll come when thou art saddest', dichtte Emily) en bovendien de kurk was waarop het onderlinge contact van de vier kinderen dreef, zo bleef schrijven ook in de volwassenheid een toevluchtsoord. In Gondal en Angria konden ze wonen. Tijdens de ellendige jaren die Anne en Charlotte als gouvernante doorbrachten, hing hun geestelijk welzijn af van de mate waarin ze kans zagen te schrijven. Toen Emily op zeventienjarige leeftijd voor het eerst van huis ging, naar school, werd ze ziek van heimwee omdat ze niet aan Gondalverhalen toekwam. Jane Eyre ontstond toen Charlotte haar vader vergezelde voor een oogoperatie en wekenlang verbleef in een treurig pension. Ook toen Charlotte na de dood, binnen negen maanden tijd, van achtereenvolgens Branwell, Emily en Anne ten prooi was aan ziekte, depressie en angst voor de fatale tering, zocht ze haar toevlucht in haar schrijfwerk. Nu haar nog slechts het gezelschap restte van 'Eenzaamheid, Herinnering en Verlangen', besefte ze te meer dat 'arbeid de enige radicale remedie is tegen diepgeworteld verdriet'.

Flirt

De voornaamste reden dat Barkers genuanceerde en rijke biografie zo'n schok heeft veroorzaakt, is dat ze de romantische idylle ondergraaft van drie lieve, getalenteerde, het gezin en elkaar door dik en dun toegewijde kluizenaressen in een barbaars, onherbergzaam en ongeletterd Yorkshire.

Charlotte, de langstlevende, en de enige die even de smaak van het succes heeft mogen proeven, vormt de spil van Barkers verhaal. Maar hoeveel mededogen haar extreme verlegenheid, eenzaamheid en zelfhaat ook oproepen, het veelzijdige portret dat Barker van haar schetst is niet aangenaam, al bevat het ook de verrassing dat ze een geestige flirt kon zijn. In elk geval was Charlotte niet het passieve slachtoffer van haar omstandigheden dat haar levenslange vriendin Ellen Nussey (uit haat tegen Charlottes echtgenoot) en haar biograaf Elizabeth Gaskell (uit haat tegen vader Patrick) van haar hebben gemaakt.

Charlottes leven was vooral overleven. Ze wist dat ze zich als onaantrekkelijke dochter van een arme geestelijke zelf zou moeten redden en stelde zich van jongs af aan ten doel 'zich te verbeteren'. Ze leerde tekenen en kopieerde ijverig de klassieken (om later in te zien dat het niets voorstelde). Ze ging naar een Brussels internaat om haar talenkennis te vergroten en werd verliefd op de directeur, Heger. Een 'ziekelijke obsessie', meent Barker, maar mij lijkt hier veeleer sprake van een grote liefde; een liefde zo hevig als die van Jane voor Rochester maar dan onbeantwoord. Een begrijpelijke liefde bovendien, want van Monsieur kreeg Charlotte voor het eerst in haar leven van buiten de familiekring serieuze respons op haar werk. Heger was de eerste die oog had voor de talenten van dit onooglijke muisje, dat op haar kostscholen en als gouvernante vooral geminacht was.

Als bekend was het beroep van gouvernante Charlotte een marteling. Volgens Barker echter kwam dat ook omdat ze zich eeuwig en vaak ten onrechte ondergewaardeerd voelde. Alsof de onbedorven fierheid waarmee Jane Eyre haar gelijkwaardigheid verdedigt ten opzichte van wie sociaal haar meerderen zijn ('Denkt U dat ik geen ziel heb?!'), bij Janes bedenkster doorsloeg naar verongelijktheid, snobisme en sarcasme. De moraal van Jane Eyre is dat wie zichzelf blijft, hoe moeilijk dat ook is, uiteindelijk wordt beloond; in Charlottes geval betekende trouw aan zichzelf nogal eens dat ze zich onmogelijk gedroeg en mensen van zich vervreemdde.

Ook thuis gedroeg Charlotte zich niet altijd plezierig. Toen Branwell zich uit liefdesverdriet dood dronk, betoonde Charlotte, zelf rakelings langs een dergelijk lot gescheerd, weinig medeleven. Maar het zijn vooral haar manipulaties met het werk van Anne en Emily die hun ambitieuze oudere zus tegen ons innemen. Hun eerste gedrielijke publikatie - in 1846, van hun gedichten - dwong Charlotte af toen ze stiekem in Emily's papieren had gesnuffeld en in het regelen van een uitgave een uitweg zag uit haar verlammende treurnis om Heger. Na de dood van haar zussen zette de inmiddels beroemde Charlotte haar manipulaties voort. Ze knoeide met hun gedichten en vernietigde hoogstwaarschijnlijk Emily's onvoltooide tweede roman. Voor het werk van de gelovige, ingetogen maar tevens vrijmoedige Anne (naast gedichten twee romans) betoonde ze geen enkele waardering, ten onrechte volgens Barker. Wat de vrijheidslievende Emily betreft: die had, schreef Charlotte in een voorwoord, eigenlijk niet geweten wat ze deed toen ze die vreemde, ruwe en goddeloze wezens schiep die Wuthering Heights bevolken. In een al even hypocriete biografische schets schilderde ze haar zussen af als louter door intuïtie gedreven natuurkinderen.

In combinatie met de wijze waarop anderen later Charlottes leven vervalsten, resulteerde dit in het beeld van de Brontës als drie ongetrouwde, vrome, wereldvreemde en plichtsgetrouwe dochters. Een 'vrouwelijk' plaatje dat te interpreteren valt als een verdedigingslinie tegen de harde victoriaanse kritiek op hun werk. Boeken die 'zelfs voor mannen ruw en vulgair' zijn, schreef een recensent die vermoedde dat achter de mannelijke pseudoniemen Acton, Ellis en Currer Bell 'rokken' schuilgingen. Deze 'grofheid en woestheid' zijn in de kunst noch in de wellevende samenleving acceptabel, schreef een ander. Romans met een voorliefde voor narigheid en 'excentrieke vrouwenfantasieën', meende een derde. Vooral Wuthering Heights, met zijn verzengende haat-, wraak- en liefdesgevoelens, moest het als een boek van 'onbeteugelde passie' ontgelden.

Niettemin deed Charlotte haar zus door haar op deze wijze te beschermen onrecht. Ook bij Barker is stoïcijnse Emily de boeiendste Brontë, al laat de biografe wederom de schaduwzijden van haar onderwerp niet buiten beschouwing.'No coward soul is mine, no trembler in the world's storm-troubled sphere', luidden de openingsregels van Emily's laatste gedicht, maar tegelijk bleef Emily dromen van Gondal en hield ze meer van dieren dan van mensen. Barker bevestigt het verhaal dat Emily met een gloeiende pook een bloederige wond in haar arm dichtschroeide nadat ze was gebeten door een dolle hond die ze te drinken had gegeven. En ze voegt er het roerende beeld aan toe van Emily's lievelingshond Keeper die naast vader Patrick vooraan in haar rouwstoet gaat, om vervolgens naast haar kamerdeur dagenlang hartverscheurend te janken. Het potloodportret dat de vijftienjarige Emily maakte van een van haar honden behoort tot de mooiste stukken van het Brontëmuseum. Wie Barkers schitterende boeken dichtslaat zou daar liefst meteen weer gaan kijken. Gewapend met de mooie dichtbundel die ze een aantal jaren geleden al samenstelde.