Moderne kunst in S Paulo; Een reis door het braakland

S Paulo in Brazilië wordt wel de lelijkste stad ter wereld genoemd. Het voormalige station en enkele locaties langs de spoorlijn zijn tijdelijk door kunstenaars ingericht: met injectiespuiten, doodsbedden, verlaten schoenen. “De kunst is make-up die vuil en ouderdom niet kan verhullen.”

Vier muren zonder dak in S Paulo, Brazilië. Generaties graffiti sieren het beton. Buiten klinken gilletjes en gejuich, afkomstig van een reuzenrad op een kermis en een voetbalwedstrijd in een naburig stadion. Daar verstrijkt de tijd, hier staat hij stil. Het dakloos vertrek ziet er doodziek uit. Zevenduizend injectienaalden, half gevuld met runderbloed, steken in de muren. Motregen maakt plassen op de vloer van rode tegels. Er ratelt een trein voorbij.

De Matarazzo-ruïne, overblijfselen van een fabriek voor tegels en schoonmaakmiddelen, ligt braak sinds de jaren zestig. Het is een landschap van hopen steen, glas, hout, kiezels, scherven, bielzen, resten rails. In zichzelf gekeerde locomotieven rusten uit op doodlopend spoor. Daken zijn een symfonie van gaten. Buizen omwikkeld met resten van lappen eindigen in het niets. In een centrale hal staat een huizenhoge machine in bevroren toestand te vergaan. Drie schoorstenen van baksteen houden hun adem al dertig jaar in.

Langs een spoorlijn die dwars door S Paulo loopt liggen tientallen van dit soort woestijnen. De twintigste eeuw is eroverheen geraasd en weer vertrokken. Behalve graffiti-bendes, daklozen, junks en zwerfhonden kijkt niemand er meer naar om. Het zijn plaatsen waar de stad even ophoudt. Er heerst een rust die niet weldadig is maar versleten en vermoeid.

S Paulo, een megapool van zestien miljoen inwoners, staat bekend als een van de lelijkste steden op aarde. De metropool mist de paradijselijke ligging aan zee van het nabijgelegen Rio en maakt bij het overvliegen de indruk van een vlakte die liefdeloos is volgestort met asfalt en beton. Dat is ook zo. S Paulo is een product van ongecontroleerde groei, van gebrek aan planning. Parken zijn er nauwelijks, auto's overal. De lucht is vies, open riolen (rivieren) omarmen de stad.

Esthetische overwegingen hebben in de ontwikkeling van de stad nauwelijks een rol gespeeld. De paleizen van koffiebaronnen uit het begin van de eeuw zijn gesloopt en vervangen door glazen wolkenkrabbers. Voorzover ze er nog zijn vallen oude huizen weg tussen de flats of huisvesten McDonald's. De stad heeft geen centrum, alleen gebieden van legale en illegale bedrijvigheid. 'Stad' lijkt niet het goede woord voor deze verzameling straten, muren en mensen. Hoe definieer je een plaats zonder centrum, zonder zichtbare geschiedenis, haast zonder grenzen?

Estaçao da Luz, het 'centraal station', ligt midden in een hoerenbuurt en heeft zijn functie verloren. Internationale verbindingen zijn bijna allemaal afgeschaft. Er rijden nog wat blikken treinen naar de voorsteden, maar vergeleken bij metro en bus speelt de trein nauwelijks een rol. Aan het begin van de eeuw hielp het spoor de bevolkingsexplosie op gang. Dankzij de trein konden immigranten uit Italië, Polen, Portugal, Japan wonen aan de rand van de stad en reizen naar de fabrieken. Maar de stad stulpte verder uit, naar alle kanten. Het spoor bleef liggen, vertakte zich niet meer. Auto's, bussen en een metro verdrongen de trein. Estaçao da Luz is gebouwd in 1901 met materiaal dat tot de kleinste schroef toe was geïmporteerd uit Engeland, toen eigenaar van de Braziliaanse spoorwegen. Het is een klassiek station, met fraaie ijzeren bruggen en hekken. Het doet ontheemd aan.

Plankiers

Het project Artecidade (Kunststad) heeft het station en vijf kilometer spoor uitverkoren voor een kortstondig nieuw leven. De Matarazzo-ruïne en een verlaten meelfabriek van de Spoorwegen, de Moinho Central, kregen een tijdelijk perron zodat de trein er weer kan stoppen. IJzeren trappen, plankiers, steigers, elektriciteit en een bar maken de ruïnes weer toegankelijk. Zo'n 35 Braziliaanse kunstenaars, bekend en onbekend, kregen de opdracht er een ruimte in te richten. Een speciaal rood treintje rijdt bezoekers erheen. Het is vormgegeven als een 'kino-trein', een middel dat in de jaren dertig in de Sovjet-Unie werd ingezet voor ideologische en territoriale integratie. De propaganda onderweg beperkt zich hier tot videofilms van de omgeving van het station of interviews met medepassagiers. Stedelingen zien zichzelf reizen door een stuk spookstad.

De Matarazzo-ruïne, te lelijk voor de kwalificatie industrieel monument, is net als Estaçao da Luz een mijlpaal in de wording van de metropool. De familie Matarazzo domineerde het economisch leven aan het begin van de eeuw. Aartsvader Francisco Matarazzo arriveerde in 1881 als straatarme immigrant uit Calabria en bouwde een imperium van honderden bedrijven en fabrieken op zijn eerste succes: de introductie van reuzel in blik. De koning van Italië, dankbaar voor zijn schenkingen aan liefdadige doelen, maakte hem graaf zodat hij van parvenu zoiets werd als oude adel. Wegens zijn extravagantie stond hij bekend als de prins van S Paulo.

In de jaren zestig raakte het imperium in verval. Sindsdien zweeft de tegelfabriek tussen leven en dood. In deze droomtoestand beweegt zich ook de aangebrachte kunst. De zaal van Eliane Prolik heeft 'doodsbleke bedden' op vinnige stalen pootjes, opgemaakt met vuilniszakken, bedekt met grote klodders van een gipsachtige substantie, als katafalken met opgespoten lijk. Flavia Ribeiro heeft tovervijvers aangelegd, twee poelen van zand bedekt met bladgoud. Arnaldo Papallardo heeft nissen vol puin voorzien van fotomontages van half begraven objecten.

Terwijl de injectiespuiten van Cildo Meirelles verval door de muren jagen in het dakloos vertrek, is elders een 'apotheek voor het braakland' ingericht. Met hulp van een botanische faculteit verzamelde Carlos Vergara 82 planten die groeiden op het terrein, in de muren, naast de spoorlijn, tussen de rails. Er bleken vele uitheemse soorten bij te zijn, afkomstig uit alle delen van de wereld, net als de bewoners van de stad. De planten hangen achter glas aan de muur, met bijschrift: “Lagrima-de-nossa-senora - Traan van onze lieve vrouw. Toepassing: thee”. Boven de planten tekende Vergara illustraties uit boeken over huismiddeltjes: walgend kindergezicht weert aangeboden lepel af. Twaalf planten hangen in bossen aan gebogen stalen kabels die verdwijnen in het beton van de fabrieksvloer. De hal heeft geen gevel meer. Op enkele plaatsen stroomt de regen langs de zeker vijftien meter hoge muur.

De voetbalsupporters heffen een nieuw lied aan. Een ijzeren trap leidt naar de catacomben van de fabriek. Beneden klinkt muziek, trillende bastonen die uit het merg van de ruïne komen. In de duisternis staan computerschermen opgesteld, waarmee men interactief kan wandelen langs 'beelden en verhalen van de stad'. Op een van de schermen lijkt een camera langzaam te bewegen langs de ramen van een flat, hoger en hoger. Achter een raam staat een silhouet dat zijn neus tegen het raam drukt. Een oerbeeld van de verticale stad.

Een rij bezoekers staat te wachten voor een vierkant gat in een muur. Een voor een kruipen ze de duisternis in. Een afslag van de gang is een ruimte met licht dat bleek neerdaalt uit een ronde opening, ver naar boven: het inwendige van een schoorsteen. Vaag zichtbaar glimmen de ijzeren treden in het steen. De schoorsteen blijkt de bron van de muziek te zijn. Een saxofoon, dwarsfluit en klarinet kronkelen om elkaar heen. De compositie van Jose Miguel Wisnik heet 'Sopros' (Zuchten).

De Moinho Central, de andere halte van het rode treintje, is een kolos van vijf verdiepingen met beroete muren, alsof er brand geweest is. Anders dan schimmelplekken zijn hier nauwelijks sporen van het verleden. Het gebouw zou net zo goed een oude parkeergarage kunnen zijn, vol puin van eigen ingewanden. De stadsgeluiden zijn hier huiselijker. Aan het spoor buiten het terrein ligt een onsamenhangende klont kleine woonhuizen, heel dicht op elkaar. De enkele binnenplaatsen die er zijn staan vol auto's. Uit een raam klinkt accordeonmuziek. Er blaft een hond.

Een van de vertrekken is gewijd aan zesduizend paar oude schoenen en laarzen. Ze slingeren op de grond tussen het puin of hangen netjes tegen de muren. Sommige hebben de kleur van het grijsbruine gruis aangenomen. Als Helio Melo het schoeisel alleen op de grond had gelegd zou het een slagveld zijn, herinnerend aan concentratiekampen. Doordat hij ze ook heeft opgehangen is het effect eerder komisch. De pumps met naaldhakken kijken nijdig.

In een donkere ruimte waar een pad van sintels doorheen loopt waaien zwarte lappen vitrage in de tocht. Tegen de muren staan manshoge foto's van een atletisch gebouwde, naakte neger. Hij kruipt, leunt, steunt, ligt tegen de muur. Hij kijkt sardonisch lachend of zwoel in de camera. Het zijn krachtige portretten, gemaakt in dezelfde ruimte: de graffiti op sommige foto's loopt naadloos door op de muur. Vrijwel niemand anders dan fotograaf Willy Bondiani heeft menselijke vormen gekozen voor het nieuwe interieur. Ze zijn misplaatst, even provocerend als de dode fabriek in de levende stad. Een tweede ruimte van Bondiani is wit en licht. Er staan twee panelen met vijf rijen foto's van rompen. Eronder, op een hoop kiezels, liggen als een grafschrift de bijschriften: contactadvertenties, één per romp.

Het is een wonderlijke reis. Het rode treintje rijdt naar plaatsen die er eigenlijk niet meer zijn. De kunst is als make-up die vuil en ouderdom niet kan verhullen. Toch draait hij even de tijd terug. Tijd krijgt de vorm van voetstappen, gedachten, gesprekken. Flarden van het verleden waren door de ruimten, afgewisseld met beelden van huidig verval. De ruïnes ijlen, voorgoed dement.