Memoires van James Salter; Een tedere gevechtsvlieger

James Salter: Dwars door de dagen. Vertaald door Gerda Baardman. Meulenhoff, 385 blz. ƒ 55,- James Salter: Spel en tijdverdrijf. Vertaald door Else Hoog. Meulenhoff, 224 blz. ƒ 37,90

James Salter (New York, 1925) zal niet de enige man zijn voor wie vliegtuigen en vrouwen de belangrijkste zaken in het leven zijn, maar hij is wel de enige die over beide fenomenaal kan schrijven. In zijn memoires, gebundeld onder de titel Burning the days (in de Nederlandse vertaling Dwars door de dagen) heeft hij zijn uitzonderlijke loopbaan beschreven, eerst als gevechtspiloot en daarna als schrijver. Het is een verbluffend mooi boek dat hem, in zijn nadagen als niet al te bekend auteur, ineens de schrijver maakt van ten minste één meesterwerk.

Salters wapen is zijn indrukwekkende, zelfverzekerde stijl. Vooral in het openingshoofdstuk van deze autobiografie (zelf koos Salter voor het woord 'recollection', herinnering, en hij deed dat niet voor niets, want er blijft veel onbesproken) komen de korte, sobere zinnen met hun precisie van woordkeus en helderheid van beeldspraak aan als kleine verwondingen die je blijft voelen als de vertelling al van koers is veranderd. Het is een stijl die je dwingt tot langzaam lezen, als om het genoegen van die kleine steken wat langer te blijven voelen.

James Salter deed toelatingsexamen voor West Point om zijn vader een plezier te doen, die op diezelfde militaire elite-academie had gezeten. Geen van beiden hield er echt rekening mee dat hij zou worden aangenomen, maar toen dat door een dubbel toeval toch gebeurde was aarzeling niet aan de orde. 'Ik zou er, hoopten we, net zoveel succes hebben als hij.'

Salter beschrijft vervolgens zijn jaren op West Point, waar jongens in een ambiance van discipline en plichtsbesef tot zelfverzekerde militairen worden gemaakt. Hij wordt opgeleid tot gevechtsvlieger, is actief in de Koreaanse oorlog en treedt vervolgens, in de jaren zestig, uit de Luchtmacht. Schrijven is zijn ambitie, en als hij op zijn dertigste aan een tweede carrière begint heeft hij meer meegemaakt dan de meeste andere schrijvers in een heel leven.

Michael Ondaatje noemt het boek in zijn aanbeveling 'a wise and sensual memoir' en dat zijn precies de juiste woorden. Salters notities stralen, in zijn nadagen opgeschreven, een aangenaam en ook wel benijdenswaardig soort at ease uit met de wereld en het leven. Het heeft erg veel te maken, zo suggereert hij ook zelf, met de West Point achtergrond die mannen tot iets als vanzelfsprekende heersers moet maken, voor wie dood en verlies dagelijkse ervaringen zijn, die hen in zekere zin boven de levens en besognes van hun tijdgenoten uittillen.

Maar het sensuele gehalte van deze memoires is het meest opvallende. Ik ken weinig schrijvers die zo over vrouwen schrijven als Salter, niet met besmuikte ironie of wellust, zeker niet met machteloze begeerte of een glimp zelfs maar van de veroveringsdrang als geboorterecht; het is vooral een intens beleefde en met grote zorgvuldigheid geuite bewondering voor de soort. Het gaat dan ook niet alleen om minnaressen en andere intieme kennissen die beschreven worden, soms en passant en soms met uitvoeriger portretterende middelen als de hoofdpersoon in het hoofdstuk 'The Captain's Wife'. Het gaat ook om vrouwen met wie hij nooit een woord wisselde, als de Air France stewardess die hij in New York uit de auto van een minnaar ziet stappen om 's ochtends vroeg het kantoor te openen. Een andere ochtend, terugkerend per boot vanuit Europa, vangt hij bij toeval een glimp op van een Duitse vrouw op het eersteklas dek. 'Het gezicht van de vrouw was prachtig, het had die helderheid, beheerstheid en noblesse die een verlangen bij je wakker maken naar nog één kans in het leven.'

Hij beschrijft zijn verwarring, zijn onmacht zich één detail van haar leven voor te stellen. Maar dan is de observatie ten einde; de vrouw speelt evenmin een rol als het meisje van Air France. Evenmin als weer een andere vrouw wier verschijning wordt afgekapt met de woorden: 'Dat was een paar jaar geleden. Ik weet niet wat er van haar is geworden.' Maar dan vervolgt Salter met de volgende meesterlijke alinea, die wijsheid en zinnelijkheid samenvat: 'Er zijn huizen die in afgelegen plaatsjes in de buurt van de rivier staan, met houten, bruine verweerde hekken. Bij de deur, in de zon, trekt een witte kat met stijve poten zijn rug tot een boog. Kleren aan een halfverborgen waslijn zweven in het licht. Daar stel ik me voor dat die vrouwen nu zijn, hun kinderen allang volwassen, zijzelf in harmonie met het leven en inmiddels dicht bij de essentie ervan; de zachte regen slaat het water vlak, de bomen met hun dichte gebladerte buigen in de wind, bloemen onder het keukenraam, kalme dagen. Mannen zijn niet belangrijk meer, die zijn trouwens ook niet in staat een dergelijke rust te kennen, hier in volmaakte ballingschap, als zoiets tenminste bestaat, te midden van de natuur, in de wereld die aan ons is nagelaten.'

Salters liefde voor vrouwen verklaart waarschijnlijk in belangrijke mate zijn intense vriendschap met Irwin Shaw, de meest uitgebreid geportretteerde collega-auteur in dit boek. Wie Shaws verhaal 'The Girls in their summer dresses' heeft gelezen herkent onmiddellijk een essentiële verwantschap tussen deze twee hommes qui aiment les femmes.

Wat de overige, mannelijke vrienden betreft: 'I like men who have known the best and the worst.' Hij illustreert die stelling met geschreven portretten van vliegende en schrijvende vrienden, en het is, denk ik, niet toevallig dat die laatste op mij grotere indruk maakten. Ook de jaren dat hij zich vooral bezighield met - over het algemeen niet bijster succesvolle - filmscripts, leveren fraaie beschrijvingen op van een nog relatief ongerept Europa (Salters derde liefde, na vrouwen en vliegtuigen), van magnaten en actrices. Wie nog niet wist wat voor indruk wijlen Sharon Tate op mannen kon achterlaten weet het na lezing van dit boek.

Opvallend naast dit alles is dat zijn huwelijk en de daarmee verweven tragedies (er is sprake van een jong gestorven dochter, en de moeder van zijn kinderen blijft een gracieuze onbekende voor de lezer) met hooguit een vanzelfsprekende terloopsheid passeren, zonder excuses of een beroep op privacy.

Salters uit 1967 daterende roman Spel en tijdverdrijf werd door Meulenhoff tegelijkertijd in vertaling uitgebracht. Hoewel het goed in te zien is dat deze roman lange tijd in beperkte kring als een erotisch-literair kleinood werd beschouwd, heeft het zijn cult-status na die dertig jaar niet helemaal kunnen waarmaken. Salters stijl is ook hier onberispelijk, bondig en beeldend; zijn beschrijvingen van de anale seks zijn zo teder dat ze elk resterend taboe zouden moeten opruimen. Maar hij maalt zijn welgekozen woorden af en toe kapot op een te kort aan materiaal. Het is het zeer gedetailleerd vertelde verhaal van een liefdesaffaire tussen een Amerikaanse student en een Frans meisje uit de provincie. Ze worden verliefd, bereizen het Franse platteland, proberen enkele fysieke varianten van de liefde uit, en raken elkaar weer kwijt.

Salter slaagt er niet helemaal in het verhaal boven een samenvatting als deze uit te tillen; wat in zijn memoires authentiek klinkt ziet er hier te bewerkt uit, er is veel teveel weerbericht nodig als hulpmiddel tot sfeerbepaling. Uiteindelijk moet de conclusie luiden dat het verhaal van zijn eigen leven, gegeven zijn enorme stilistische kwaliteiten, Salter tot zijn beste proza heeft geïnspireerd, tot een van de grote autobiografieën van deze eeuw misschien wel.

Vooralsnog koester ik bij gebrek aan eigen nieuwjaarsvoornemens de goed getimede laatste woorden van deze memoires: 'Jaarwisseling, koude sterren aan de hemel. Mijn arm om haar heen. Gevoel van moed. Groot verlangen om verder te leven.' Het mag ietsje banaal klinken, zo geïsoleerd en buiten de context, maar als slotalinea van een boek als dit heeft het iets bemoedigends en ook royaals.