Lucht, gehuld in nevelvlagen

Bloemlezing van de Russische poëzie, gekozen en vertaald door Marja Wiebes en Margriet Berg. Plantage, 348 blz. ƒ 42,50

Zes jaar geleden verscheen Van Derzjavin tot Nabokov, Russische poëzie uit drie eeuwen, 'de eerste omvangrijke bloemlezing uit de Russische poëzie in het Nederlands', zoals de flaptekst trots vermeldde. En terecht, want het was zo. De uitgave was tweetalig, telde zeventig gedichten van achtentwintig dichters, werd door de kritiek goed ontvangen en beleefde twee drukken.

Nu is er van hetzelfde vertaalduo een opvolger. Deze Bloemlezing van de Russische poëzie is eentalig en bevat tweehonderdzesenveertig gedichten (van 1794 tot 1959) van vijftig dichters (met welkome nieuwkomers als de beide Ivanovs en Charms). Over smaak en keuze valt te twisten. Sommige evergreens ontbreken, sommige uitverkorenen zijn niet zo sterk. Twee Krylovs en twee Tsvetajaeva's zijn vervangen, de resterende gedichten werden niet of nauwelijks herzien, alle rijmwoorden zijn althans intact gebleven (op twee bij Blok en één bij Goemiljov na). Het boek ziet er prachtig uit en kost zelfs drie rijksdaalders minder dan zijn voorganger, waarschijnlijk doordat de Russische originelen ontbreken. Een weldaad dus voor de gemiddelde poëzieliefhebber. Tweetalige uitgave van poëzie mag ontzettend in de mode zijn, voor een bloemlezing is het onzin. Tweetaligheid is alleen zinvol als het om moeilijk bereikbaar materiaal gaat. Anders is het snobisme.

Tot zover de vorm. Nu de inhoud. Over de werkwijze staat in de verantwoording: 'We hebben ernaar gestreefd zo letterlijk mogelijk te vertalen met behoud van rijm en metrum'. Een bekentenis tot de Leidse Karel-van-het-Reviaanse beginselen. Een onmogelijke opgave, te meer daar de klassieke Russische poëzie bijna altijd rijmt. Bij nauwkeurige beschouwing van de vertalingen lijkt het of het totaalresultaat er niet toe doet, als het maar loopt en maar rijmt. Maar dat maakt nog geen gedichten, laat staan goede gedichten. In het eeuwige schijngevecht tussen vorm en inhoud gaat eerstgenoemde met de overwinning strijken. Het is wel een Pyrrusoverwinning, want de 'werking' van het gedicht wordt ernstig geweld aangedaan. Minder bij het ironische, light-verse-achtige gedicht (bijvoorbeeld Krylov, Nekrasov), maar des te sterker bij het magische, muzikale gedicht (bijvoorbeeld Poesjkin, Pasternak). Zo lees je soms eersteklasvertalingen van tweederangsgedichten, maar vaker het omgekeerde. Een van de ergste voorbeelden is Lermontovs 'Wanneer ik je stem hoor', een Gorterachtig liedje met een zeer onregelmatig, springerig metrum, precies wat de inhoud (een vogel in zijn kooi) verlangt. Wiebes en Berg rammen de regels in een strak stramien dat alle charme van het gedicht verloren doet gaan.

In de praktijk komt de hooggestemde vertaalopdracht die de vertaalsters zich stellen op het volgende neer: zoek het benodigde aantal rijmparen, pomp de zinnen vol met metrische lucht, klaar. Die rijmparen worden gezocht uit de beperkte voorraad door de dichter geleverde woorden en betekenissen. De oorspronkelijke rijmwoorden kunnen nooit beide gehandhaafd blijven, vaak zelfs geen van beide. Als vanzelf wordt een beroep gedaan op de vele verschijningsvormen van het werkwoord en het bijwoord, dat meer keuze laat dan andere, specifiekere woordsoorten. Daardoor krijgen de rijmwoorden (vooral de vrouwelijke) het karakter van stoplappen. Dat levert afschuwelijke voorbeelden op als: 'Jij bent reeds in des dichters ogen/Met 't somber grafkleed overtogen' (Poesjkin) en 'En de herinnering zal eens verglijden/Naar waar geen vreugd meer is en ook geen lijden' (Boenin). In deze laatste regels is trouwens sprake van een storende fout ('verglijden' moet 'dagen' zijn - zasinejet in het origineel - en 'naar waar' 'waarin'). Bovendien: die ogen staan de dichter niet vol droefheid voor de geest, hij ziet ze voor zich als hij bedroefd is. Terwijl haar gezicht niet in rook is vervlogen, welnee, haar beeltenis is vervaagd, dat is alles. De vertaling van dit prachtige gedicht ('Die blik als van een hert, die stille ogen') is een geval van meervoudige verkrachting, met behoud van rijm en metrum, koste wat kost.

Wiebes en Berg lijken niet te beseffen dat je niet hetzelfde poëtische bouwwerk kunt maken met ander taalmateriaal. Dit geldt voor de twintigste-eeuwse dichters nog meer dan voor de negentiende-eeuwse. Hun vindingrijkheid in het ouderwetse dichtjargon lijkt veel groter dan in het moderne. Maar toch, de dichter die het zwaarst te lijden heeft, is Poesjkin, de prins der Russische dichters, de bouwer van gebakken luchtkastelen. Lekker knapperig, fris en geurig. Magisch banaal, maar wel geniaal. En wat wordt het bij de dames? Zompig en bedompt: 'lucht, gehuld in nevelvlagen' (pag. 75/76).

In deze bundel wordt de Russische poëzie onrecht aangedaan: Poesjkin is geen Potgieter, Tjoettjev is geen Tollens. Vertalers van Russische poëzie moeten een keuze maken: het rijm deels of helemaal opgeven of een volwaardig Nederlands gedicht maken uit het Russische basismateriaal. Dit zijn niet meer dan domineesvertalingen.

Gedicht van Boenin. Uit: Bloemlezing van de Russische poëzie

Die blik als van een hert, die stille ogen

En al wat mij daarin is lief geweest

Staan mij nog steeds vol droefheid voor de geest

Maar je gezicht is al in rook vervlogen.

Ook het verdriet zal slijten mettertijd

En de herinnering zal eens verglijden

Naar waar geen vreugd meer is en ook geen lijden

Alleen nog afstand die niets meer verwijt.