Ik geef de housecultuur een smoel; Gesprek met computerkunstenaar Micha Klein

Kunstenaar Micha Klein (33) schonk zijn vriendin vijf digitale zusjes door haar foto op de computer te laten overvloeien in die van andere fotomodellen. “Mijn werk valt niet onder de noemer kunst en staat niet aan de rand van de samenleving. Het staat er midden in.”

Micha Klein: Artificial Beauty. Bloom Gallery, Bloemstraat 150, 1016 LJ Amsterdam. T/m 8 februari.

Als een plastisch chirurg beschrijft Micha Klein de gelaatstrekken van zijn vriendin, het fotomodel Afke. “Een prachtige, harde kaaklijn en een klassieke rechte neus.” De computerkunstenaar is zelf een fors gebouwde jongeman met geblondeerd haar en blauwgelakte nagels. Klein zit in zijn studio zonder ramen in de Jordaan in Amsterdam. Om hem heen een heksenkring van computerschermen en andere digitale apparatuur. Hij drukt een toets in en op een van de beeldschermen maakt Afke plaats voor een ander fotomodel. “Kijk, dit meisje heeft een mooier voorhoofd en geweldige jukbeenderen”, zegt hij. “Stel je eens voor dat deze twee vrouwen samen een dochter zouden krijgen. Als dat kind de beste features van haar moeders meekrijgt, levert dat een waanzinnig mooie vrouw op. Een supermodel dat nergens rondloopt.”

Op zoek naar de ideale schoonheid fotografeerde Klein zeven fotomodellen. De portretten scande hij in en op de computer trok hij lijnen om de belangrijkste gezichtskenmerken heen. Met een speciaal programma liet hij daarna steeds twee hoofden in elkaar overvloeien. “Ik plak niet een neus en een mond bij elkaar”, verklaart Klein zijn digitale veredelingsmethode. “Met morphing-software kun je heel gericht sturen en een perfect gemiddelde krijgen. Je ziet niet meer waar het ene meisje begint en het andere ophoudt.”

In de Amsterdamse galerie Bloom stelt Klein vanaf morgen vijf 'cybergirls' tentoon. Grote, kleurige cibachrome-prints van 1.50 meter hoog, geplakt op hout en beschermd door plexiglas laminaat. De cybergirls zijn zusjes van elkaar, want Klein 'kruiste' zijn vriendin Afke steeds met een ander model. Met een donkere vrouw, een Japanse, een blondine. “Als het goed is, wringt het in de tentoonstelling. Die vijf meisjes lijken op elkaar, maar ook weer niet. Het is heel voelbaar dat er iets vreemds aan de hand is.”

Naar haar mening gevraagd zegt 'moeder' Afke, gehuld in een T-shirt met de tekst Socio-genetic experiment: “Ze zijn net iets te mooi. Dit gaat de concurrentie te boven.”

Klein noemt zijn portretten illusionistisch en identiteitsloos. “Ik heb het schoonheidsideaal over the top willen tillen. Schoonheid is zo clichématig. Dezelfde dingen worden altijd weer als mooi ervaren. Dat merkte ik zelf ook. Als ik bijvoorbeeld pupillen iets groter maakte, kreeg ik onmiddellijk een heel ander gevoel voor zo'n meisje.”

“Schoonheid is ook zo verleidelijk. Hoe vaak legt de reclame ons niet met mooie meiden in de luren? Dat wil ik aan de orde stellen. Net als het streven naar schoonheid door plastische chirurgie. De strijd tussen natuur en cultuur fascineert me: Michael Jackson die van eigen lichaam een beeldhouwwerk maakt. Maar het heeft ook iets hysterisch om zeventien keer naar een plastisch chirurg te gaan. Om een nieuwe neus te nemen als je uitgekeken bent op de laatste. Dat proces wil ik naar een logische conclusie drijven. De schoonheidscultus heft zichzelf uiteindelijk op. Sommige mensen zullen lelijk willen zijn, om maar anders te zijn. Uiteraard verleiden mijn cybergirls ook, maar het is synthetische schoonheid die losstaat van de werkelijkheid. Daarom roept ze hopelijk vragen op.”

Wat Klein in galerie Bloom laat zien, is nog maar het begin van wat hem voor ogen staat. De volgende stap is het kruisen van de cybergirls. De resultaten daarvan laat hij in september zien op een overzichtstentoonstelling in het Groninger Museum. “Dan mix ik dus een hoofd uit vier originele bronnen. Dat moet een totaal nieuw soort portret opleveren dat nergens meer aan refereert.”

Veejay

Klein is als kunstenaar niet afhankelijk van exposities in het serieuze kunstcircuit. “Ik zocht na mijn academietijd een breder platform”, legt hij uit. “Een galerie trekt hooguit tweehonderd bezoekers per maand. En daar zijn nauwelijks leeftijdsgenoten bij van wie ik feedback krijg. Ik ben me daarom gaan richten op magazines en clubs, op directe communicatie met mijn eigen generatie.”

Klein gooide het distributietraject om. Voor modegevoelige tijdschriften als Wired, Wave, Face en Blvd maakte hij reportages die hij pas later afdrukte als vrij werk. En in nachtclub Mazzo in Amsterdam begon hij in 1993 zelfgemaakte video-animaties en beeldsamples te mixen op de tonen van de housemuziek. Met een videobeam projecteerde veejay Klein op de muur zijn harten, bloemen, smilies en cartoonfiguren. “Ik heb de housecultuur een smoel gegeven. Visueel was house niet zo'n happening. In de rockcultuur stond er een podium vol met muzikanten. Bij house draaiden een paar lui aan wat knoppen.”

Video heeft als medium een grote vlucht genomen en Klein kreeg de afgelopen jaren vele navolgers. Er is geen housefeest meer zonder videoperformance. Met zijn broer Onno en collega's R.E.L. en Daniëlle Kwaaitaal richtte Klein een veejay-bedrijf op. In de Amsterdamse club Chemistry staan ze vrijwel elke zaterdag van twaalf uur 's nachts tot 's morgens zeven te mixen. Maar ook op Ibiza (de internationale hoofdstad van de housescene) en in Cannes, Barcelona en Istanbul zijn partybezoekers vertrouwd geraakt met Kleins mascotte Pilman, een dansend ecstacy-pilletje. “Veejay hoort tot een beeldcultuur voor de elektronische generatie. Het wordt een internationale tendens. Het buitenland liep achter, maar deze zomer hebben we op Ibiza een goede start gemaakt voor een internationale sprong. Binnenkort staat New York op het programma.”

In het clubcircuit is Pilman zijn grootste hit. Bezoekers vragen de video van het dansende roodwitte pilletje dikwijls aan en Klein ontvangt zelfs fanmail voor hem. Ook al flirt hij openlijk met verboden pilletjes, hij wenst niemand aan te sporen tot drugsgebruik. “De muziek en de video's zijn voldoende om in een soort trance te raken. Je kunt er drank of drugs bij gebruiken, noodzakelijk is het niet. Maar ik wil niet schijnheilig doen. Ik heb zelf veel geleerd van drugs. Ik ben van een generatie die zijn eigen roesmiddelen kiest. Ik laat me geen door de staat goedgekeurd gedrag opleggen. Gezellig dronken worden in de kroeg, alsof dat zo tof is. Mijn Pilman is een symbool, een icoontje van de housecultuur: fight for your right to party.”

House

Kleins oeuvre is een hommage aan de housecultuur. “Ik maak er deel van uit. Wie had gedacht dat house na tien jaar nog zou bestaan? Het is echt een cultuur geworden. Met eigen muziek, beeldtaal, mode. House muteert en evolueert, het breekt niet af. Het is een technocultuur voor jeugd die met nieuwe media vertrouwd is geraakt en daarmee volledig nieuwe dingen creëert.

“Muzikaal is house een revolutie. Het monopolie op de Angelsaksische popcultuur is doorbroken. In platenzaken in Chicago zag ik bakken vol met Nederlandse en Belgische house-cd's. De grenzen van de popmuziek zijn op een spannende manier overschreden. Radionummertjes van drie minuten bestaan niet meer. De tekst is niet langer de belangrijkste drager van informatie. En hoeveel nieuwe geluidsbronnen zijn er niet ontdekt?”

Met zijn computerkunst wil Klein net zoveel grenzen doorbreken. Hij distribueert zijn tekeningen via Internet en zijn veejay-voorstellingen waren ook te zien op het Amsterdamse kabelnet. Voor Swatch maakte hij een horloge. “Mijn valt niet onder de noemer kunst en staat niet aan de rand van de samenleving. Het staat er midden in. Saturdaynight! Vijftienhonderd mensen beleven in de club mijn werk.”

Terpentijn

Op het eigentijdse palet van Klein kregen toeschouwers en critici vaak geen vat. Zijn hypergestileerde computertekeningen van paradijs-taferelen vol plastic bloemen en cartoonfiguren werden vaak te glad en te machinaal gevonden. Klein: “Toen ik in 1991 mijn eerste tentoonstellingen had, was de reactie: wat is dat eigenlijk, waar gaat het over? Kijkers bleven steken op de huid van mijn werk. Ze zagen alleen de technische perfectie en dachten dat ik mijn beelden van Walt Disney had gejat.

“Ik streef naar een combinatie van plat en diep. Je hoeft niet eerst een verhaal te lezen om mijn werk te kunnen begrijpen. Het spreekt direct tot de verbeelding. Daarna hangt het van de bagage van de kijker af hoeveel dingen hij nog in mijn werk kan lezen. Om aandacht te krijgen, moet je weten te verleiden, anders sta je machteloos tegenover het visuele geweld van de andere media. Met een gevoelig houtskooltekeningetje kan je daar niet meer tegenop. Ik maak daarom graag gebruik van dezelfde taal als de reclamemakers.”

De gevestigde kunstorde een beetje jennen, daar houdt Klein wel van. Op de afgelopen KunstRAI richtte hij samen met Daniëlle Kwaaitaal de stand in van de Flatland galerie uit Utrecht. In een witte doos stonden vijftig in het wit uitgedoste clubdansers en modellen te dansen op knalharde housemuziek. “De kunstbeurs is zo'n ingeslapen gedoe met al die dingetjes voor boven de bank. We wilden daar iets van onze clubcultuur importeren. Het was net of we van een andere planeet kwamen. Er ontstond leuke wrijving. Galeriehouders uit Wassenaar stonden te foeteren dat het godgeklaagd was wat wij deden.”

De traditionele schilderkunst met penselen op doek heeft Klein lang geleden al doodverklaard. “Dat is niet meer relevant. Ik heb zelf ook geschilderd en ik heb hart voor de schilderkunst. Het kan wel mooi zijn, maar het is ouderwets, niet cutting edge. Computergraphics zijn overigens de wraak van de schilderkunst op de fotografie. Schilderen was vroeger een techniek waarin je verf zo manipuleerde dat er een beeld ontstond. De uitvinding van de fotografie maakte de schilderkunst voor een deel overbodig. Maar sinds fotografie digitaal is geworden, kan je zo manipuleren met foto's dat het eigenlijk weer schilderkunst is.”

Het spijt Klein dat de meeste musea vooral terugkijken. “Dat het in het Stedelijk Museum in Amsterdam nog vaak naar terpentijn ruikt, is toch jammer. In interviews zegt Fuchs dat het Stedelijk geen graadmeter van de tijd meer hoeft te zijn. Daarmee verklaart hij het museum tot een mausoleum. Geef mij maar het Groninger Museum. Dat leeft, dat heeft tenminste de vinger aan de pols.”