Het was een leuk verkleedpartijtje

Barney Hoskyns: Beneath the Diamond Sky. Haight-Ashbury 1965-1970. Bloomsbury, 224 blz. ƒ 66,10

Ere wie ere toekomt. Het was niet drugsprofeet Timothy Leary die in de jaren zestig een benaming ijkte waarmee de hippies voortaan door het leven zouden gaan, en ook niet psychedelisch auteur Ken Kesey. Het was korpschef van politie Cahill die hen 'The Love Generation' noemde. En hij bedoelde het niet als compliment: 'Hippies zijn niet van belang voor de gemeenschap. Ze hebben niet de moed om de werkelijkheid onder ogen te zien.'

Het is een van de vele aardige weetjes die de Britse popjournalist Barney Hoskyns opdist in Beneath the Diamond Sky, waarin hij de opkomst en ondergang beschrijft van de muziekscene in de hippiewijk Haight-Ashbury in San Francisco, halverwege de jaren zestig. De monografie is een bescheiden maar passend vervolg op het lijviger Waiting for the Sun (1996), Hoskyns' prachtige kroniek van de popwereld in Los Angeles.

Hoskyns beschrijft de voorgeschiedenis, hoogtijdagen en het verval van de hippie-cultuur in San Francisco helder, onderhoudend, en met veel oog voor pakkende citaten en anekdotiek. 'Je snoof coke en spoot heroïne', zegt Carlos Santana over de nadagen van de flower power cultuur. 'Of je vouwde je handen om God te bedanken.' Beneath the Diamond Sky is bovendien fraai vormgegeven in de 'mind blowing' stijl van die tijd en rijk geïllustreerd met memorabilia en foto's van hip uitgedoste 'beautiful people'. Soms lijken de jaren zestig vooral een verkleedpartijtje voor verwende kinderen.

Met zijn Europese architectuur en atmosfeer was San Francisco al in de jaren vijftig een natuurlijke haven voor intellectuele bohémiens als Allen Ginsberg en Jack Kerouac. Maar op muzikaal gebied had de stad geen noemenswaardige reputatie, totdat de voorhoede van de hippies er in 1965 neerstreek en de wijk Haight-Ashbury transformeerde tot een enclave vol stoned gelukzoekers. San Francisco werd het eerste 'magies centrum' van de westerse wereld, bakermat van een alternatieve jeugdstijl in kleding en muziek die door het vrijetijds-kapitalisme nog steeds wereldwijd wordt rondgepompt, van de Amsterdamse Damstraat tot Camden in Londen, The East Village in New York en Thamel in Kathmandu. Dit alles begeleid door achtergrondmuziek van The Grateful Dead, The Jefferson Airplane en andere psychedelische rockbands uit 'Frisco'.

Maar hoe kort de hoogtijdagen van de originele hippiecultuur in San Francisco eigenlijk waren, blijkt uit dit goed gedocumenteerde boek. Al in 1966 werd 'The Death of Hippie' gevierd, toen na pioniers als Ken Kesey en zijn 'Merry Pranksters' ook het grote publiek het haar liet groeien. 'Het zijn vooral de jongere hippies die zichzelf als een nieuw slag mensen zien', schreef de journalist Hunter Thompson in 1967 mismoedig in The New York Times. 'De ouderen zien de hippies eerder als tweede-generatie-beatniks. Volgens hen staat alles wat authentiek is in de wijk op het punt te worden verzwolgen door een golf van publiciteit en commercie.'

Drop outs

Het waren profetische woorden. De toestroom van verwarde drop outs begon apocalyptische vormen aan te nemen. Toeristen konden een busrit door de wijk maken om te gluren naar de rondhangende hippies, die gewapend met spiegeltjes met de toerbussen meerenden. Terwijl Scott McKenzie in de 'Liefdeszomer' van 1967 de hitlijsten aanvoerde met de maffe hippie-meezinger '(If you're going to) San Francisco', waarin hij de Amerikaanse jeugd opriep bloemen in hun haar te steken en naar San Francisco te gaan, verloederde The Haight tot een no-go area vol zwervers, junkies en gekken. De beroepscrimineel Charles Manson had er nog een leuke tijd, toen hij vrijkwam uit de gevangenis. Maar zelfs hem werd het in 1968 te gortig. Met zijn aanhang van doorgedraaide pubermeisjes verlegde hij de koers zuidwaarts naar Los Angeles, waar zijn 'familie' de filmster Sharon Tate en ten minste zes anderen vermoordde.

Ook op muzikaal gebied werden de bakens verzet. Los Angeles streefde San Francisco voorbij als broedplaats van nieuw talent. Door de massificatie van het hippiedom kwam een einde aan de intieme feestjes in concertzalen waar de afstand tussen publiek en artiesten letterlijk en figuurlijk nog minimaal was. De tijd van mega-sterren brak aan: Eric Clapton was niet zomaar een volksjongen die toevallig beter gitaar kon spelen, Eric Clapton was 'God'.

Het rampzalige Altamont-festival, waar een ordedienst van Hell's Angels tijdens het optreden van de Rolling Stones een zwarte concertganger doodstak, bezegelde het lot van de Californische hippie-cultuur. Talloze apologeten van de tegencultuur hebben de 'doodsdrift' die Altamont beheerste, afgezet tegen de hoop en levenslust van het Woodstock-festival. Maar Hoskyns citeert instemmend de schrijver Rock Scully, die nuchter opmerkte dat beide festivals 'het resultaat waren van dezelfde ziekte: de uit zijn krachten gegroeide massa-bohemie van de late jaren zestig'. Mick Jagger die in een wit jurkje met de duivel wil sympathiseren - het was naïeve roekeloosheid, of zoals Hoskyns het noemt 'decadentie verpakt als progressieve chic'.

Als muziekstad was San Francisco daarna zo dood als een pier. De legendarische concertzaal Fillmore West sloot zijn deuren in 1971, een paar jaar later pakte het tijdschrift Rolling Stone zijn boeltje in en vertrok naar New York. Alleen de onvermoeibare middelmaten van The Grateful Dead bleven maar voortploegen met hun langdradige gitaarrock. Zonder één hit of zelfs maar een memorabele melodielijn te hebben geschreven, werden ze 'de populairste onbekende popgroep uit de geschiedenis'. Toen voorman Jerry Garcia in 1995 overleed, werd hij ten grave gedragen als de ikoon van een tijdperk.

Hoskyns beschrijft het allemaal in geuren en kleuren. Zwak aan het boek is hooguit dat zijn perspectief wel vaak scherp is, maar zelden breed. Waar Hoskyns de hippie-cultuur in een historische context plaatst, doet hij dat bij voorkeur kort door de bocht; in één alinea scheert hij via het bruisende Parijs in 1890 naar Berlijn in 1920 en weer terug, op zoek naar de wortels van de bohémien-cultuur. Die historische lijn zou een nader onderzoek waard zijn, maar de auteur waagt zich er niet aan. Ook hij beperkt zich het liefst tot de gemakzuchtige en tot op de draad versleten tegenstelling tussen de comateuze jaren vijftig en de springlevende 'sixties'.

Hoskyns contrasteert de jaren zestig zoals vele anderen vóór hem met de 'verstikkende, gesteriliseerde dufheid van het Amerikaanse leven in de jaren vijftig'. De jaren dus van een ongekende sociale mobiliteit, de groei van de suburbs, de uitvinding van de supermarkt, het einde van de rassensegregatie, de Koreaanse oorlog, ruimtevaart en Elvis Presley. Duffe jaren? Misschien voor intellectuelen die liever oud waren dan jong, liever over de Amazone peddelden dan in een Buick over snelwegen gleden, en liever naar Mexicaanse volksmuziek luisterden dan naar rock & roll. Dat waren dan ook precies de types die met de beatnik-cultuur de kiem legden voor de latere Woodstock Nation. Dissident in het gezelschap was Jack Kerouac, die de jaren zestig goeddeels razend en tierend op de hippies doorbracht; met hun onpatriottische gedrag hadden ze de liefde voor Amerika te grabbel gegooid die hij naar eigen zeggen in On the Road had willen uitdragen.

Achteraf bezien is de polarisatie tussen de jaren vijftig en zestig, zoals ook Hoskyns die onderschrijft, vooral een marketing-cliché, in stand gehouden door de generatie die in laatstgenoemd decennium triomfen vierde. Terwijl de continuïteit tussen beide periodes interessanter is dan eindeloos staren in de kloof die hen zogenaamd scheidt. De cultus van het jonge levensgevoel, het geloof in de maakbaarheid van de samenleving, het consumentisme, de hang naar persoonlijke groei en zelfontplooiing - al deze ideeën, van cruciaal belang voor het zelfbewustzijn van de jaren zestig en door de spreekbuizen van dat decennium intellectueel geannexeerd, komen uit de jaren vijftig. In de jaren zestig werden oude ideeën uitgeleefd. En hoe.

Terecht wijst Hoskyns op de herleving van allerlei modes uit de jaren zestig in de house-cultuur, van drugs tot psychedelische vormgeving en de hang naar collectieve roes. Aan de verschillen maakt hij weinig woorden vuil. Wie weet zijn die nog eens onderwerp voor een volgend boek, over de rol van romantisch primitivisme als bijverschijnsel (en bliksemafleider) van een technologische cultuur. Zowel de hippies van de jaren zestig als de cyber-trippers van nu zijn exponenten van zulk primitivisme, de wens om af en toe, met hulp van de techniek, met de snuit in de modder te duiken. Tekenend voor het hedonisme van de 'nineties' is wel de verzakelijking en disciplinering van die hang naar roes; niet alleen de dope, ook de jeugdcultuur zelf wordt lager gedoseerd. Niemand wil nog drie weken in een boom zitten door een LSD-trip. Hoewel je altijd tragische dromers houdt die de belofte van jong en intens leven te serieus nemen, zoals destijds Janis Joplin, en carrièristen die er goede zaken mee doen, zoals Jann Wenner, uitgever van het tegenculturele glansblad Rolling Stone en nu multi-miljonair.