Het laatste der dagen

In mijn jeugd werd Albert Schweitzer mateloos vereerd. Dat was pas een Christen! Die bracht, onder volledige zelfopoffering, het gebod van de naastenliefde in praktijk te Lambarene.

Die had zich, zo leerde het religie-boek Spoorzoeken van B. van Gelder dat wij op de middelbare school gebruikten, 'in dienst gesteld van de lijdende mensheid.' Van Gelder noemt hem: 'Evangelist met de daad, een levend appèl op de christelijke wereld.' Viel bij ons thuis de naam Albert Schweitzer dan raakte mijn vader meteen aangedaan. In zijn ooghoeken verschenen waterlanders en hij drong er bij mij op aan dat ook ik medicijnen zou gaan studeren 'om in het oerwoud zwartjes te bekeren en te genezen,' zoals hij zei. 'Het is daar altijd bloedheet,' zei ik benauwd, waarop hij zei dat eskimo's ongetwijfeld ook snakten naar een Christelijke dokter.

Vanwege die alomtegenwoordige bewondering voor Schweitzer verdiepte ik mij, ofschoon merkwaardigerwijs niemand anders in mijn omgeving dat deed, in zijn omvangrijke werken. Ik las Geschichte der Leben-Jesu-Forschung. Het was een openbaring. En wel vooral omdat Schweitzer mij attent maakte op één bijbeltekst waar ik tot dan toe altijd overheen had gelezen: Mattheus 16 vers 28: 'Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninklijke waardigheid.'

Uiteraard bracht ik, onder verwijzing naar Schweitzer, deze tekst bij de eerstvolgende catechisatie ter sprake. Hoe zat dat? Jezus voorspelt zijn wederkomst en zegt erbij dat sommige van de omstanders die nog zullen meemaken. Een vergissing? De dominee trok onmiddellijk een geweldig rookgordijn op, en begon vreselijk te draaien en te foezelen. Wat hij zei overtuigde mij totaal niet. Het was duidelijk dat Jezus er in Mattheus 16 (en in de vergelijkbare parallel-teksten: Marcus 8 vers 39 en Lucas 9 vers 27) volledig naast had gekleund. Zelfs Romano Guardini geeft in zijn boek De Heer toe dat Jezus zich hier spijtig genoeg grondig vergiste.

Onlangs kwam ik in Ooggetuige van Jezus van de hand van C.P. Thiede en M. d'Ancona een vermakelijke redenering tegen om die tekst uit Mattheüs 16 vers 28 te redden. Met de komst van de Zoon des Mensen in zijn koninklijke waardigheid zou Jezus niet zijn wederkomst, maar de verheerlijking op de berg (Mattheüs 17) hebben voorspeld. Als dat waar zou zijn, moet die voorspelling een belachelijke dooddoener genoemd worden. Dan voorzegde Jezus iets wat binnen een paar dagen zou gebeuren en kon hij uiteraard risicoloos meedelen dat sommigen van degenen die daar stonden dan nog in leven zouden zijn.

Los hiervan kan nog een ander argument gegeven worden om de veronderstelling van Thiede en D'Ancona te ontkrachten. Nadat de verheerlijking op de berg reeds lang verleden tijd is, voorspelt Jezus nogmaals, in de befaamde Rede over de laatste dingen, dat zijn wederkomst binnenkort te verwachten is. In Mattheüs 24 vers 34 lezen wij: 'Voorwaar ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt.' Een vergelijkbaar geluid klinkt op in Marcus 13 vers 30 en in Lucas 21 vers 32.

Overigens vind je zelfs in Mattheüs 10 vers 23 al een uitspraak die op deze merkwaardige, en dus totaal niet uitgekomen voorspellingen lijkt te preluderen: 'Voorwaar, ik zeg u, gij zult niet in alle steden van Israël zijn rondgekomen, voordat de Zoon des Mensen komt.'

In het Evangelie van Johannes ontbreken dergelijke foute voorspellingen volledig. Als een vergeestelijke, ongevaarlijke, want niet falsificeerbare echo van Mattheüs 16 vers 28 klinkt in Johannes 8 vers 51 het volgende geluid op: 'Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, indien iemand mijn woord bewaard heeft, hij zal den dood in eeuwigheid niet aanschouwen.' Uiteraard is ook dit een vreemde uitspraak, want we weten maar al te goed dat ook degenen die de woorden van Jezus bewaren, desondanks het hoekje omgaan, maar hier kun je nog exegeren dat 'de dood in eeuwigheid niet aanschouwen' slaat op het leven na dit leven, ' 't prachtig sterrendak, in het heerlijk oord, waar zaal'gen in een blank gewaad, God prijzen ongestoord,' zoals wij vroeger altijd zongen.

Ik houd het erop dat de foute voorspellingen in het evangelie van Johannes ontbreken omdat dat veel later geschreven werd dan de drie synoptische evangeliën. Toen was het geslacht allang voorbijgegaan en was er van de 'sommigen die hier staan' geen sterveling meer in leven, dus was inmiddels maar al te duidelijk gebleken dat Jezus had gedwaald toen hij zijn voorspelling deed. Vandaar dat Johannes, inmiddels beter wetend, maar liever verdoezelde dat Jezus zulke foute voorspellingen had gedaan.

Paulus, die veel eerder schreef dan Johannes, ging er nog voetstoots vanuit dat hij de wederkomst binnenkort zou meemaken om dan op de wolken in een oogwenk weggevoerd te worden, 'de Here tegemoet in de lucht.' (1 Thessalonicenzen 4 vers 17). Tegenwoordig hoor je, van verlichte Christenen van het type Nico ter Linden of Huub Oosterhuis, nog maar bitter weinig over de wederkomst van Christus. Fundamentalistische Christenen daarentegen zijn er nog altijd, en dat overigens al tweeduizend jaar lang, vast van overtuigd dat wij in 'het laatste der dagen' leven. Met een zekere regelmaat ontvang ik brieven van hen waarin zij mij schrijven dat uit de publikatie van mijn bijbelcolumns kan worden opgemaakt dat de grote en doorluchtige dag nakende is. In de indrukwekkendste brief stond: “Overigens, dat openlijke spotters zich thans, 'in het laatste der dagen' zo nadrukkelijk manifesteren, hoeft de godvrezende christen niet werkelijk te verontrusten, want deze dingen zijn alle voorzegd en de verschijning van columns als de uwe onderstreept dan ook nog eens de betrouwbaarheid van de geïnspireerde bijbelse profetieën (vgl: 2 Petr.3: 3-7).”

't Kan zijn, maar die ene van Jezus over de sommigen van hen die hier staan die de dood niet zullen smaken voor ze de Zoon des Mensen hebben zien komen in zijn koninklijke waardigheid, was blijkbaar noch betrouwbaar, noch geïnspireerd. Die zat er domweg helemaal naast.