God komt binnen - leuk! Gesprek met acteur en schrijver Peter De Graef

“Om goed te kunnen spelen moet je het echte leven kennen. Anders ga je spelen over toneel. En daar gaat geen enkel stuk over.” Acteur en auteur Peter De Graef schrijft en speelt het liefst in stukken over relaties met ouders, kinderen, of geliefden. “Ik kom uit een raar nest.”

De Wereldverbeteraar is t/m 21 februari op diverse plaatsen in Nederland en Vlaanderen te zien; inl 030-2711414. Tekstboekjes (à ƒ 10,00) zijn verkrijgbaar in de theaters of bij International Film & Theatre Books in Amsterdam. Daar kan men ook De Graefs gebundelde stukken 'Et voilà' en 'Ombat' kopen; prijs: ƒ 22,00.

Ik vertel u heel mijn leven

Peter De Graef is geen schoonheid maar wel een man naar wie je ademloos luistert en kijkt. Zijn lippen lijken op slangen die vergeten zijn hoe ze recht moeten liggen. En uit deze constant bewegende mond komt gesis en geslis, geknars en gekras en gekraak, gestamel, gefluister, geschreeuw.

Zo is Peter De Graef wanneer hij, voorzien van honkbalpet, zoiets als vrije tijd probeert te beleven, en zo is hij ook op de bühne. Zijn snijdende stem en expressieve mimiek hebben zeker bijgedragen tot zijn populariteit bij de liefhebbers, maar opvallender nog is zijn totale gebrek aan oppervlakkigheid. Als een mijnwerker daalt hij af tot in de diepste krochten van de tekst. Heeft hij eenmaal een klompje zilver of goud gevonden, dan doet hij alsof dat puur toeval is en niet te danken aan eigen inspanningen. IJdel vertoon is hem vreemd en de woorden lijken direct op te borrelen uit de inborst van het gedrochtelijke mannetje dat hij op het toneel meestal neerzet.

En het knappe is dat hij met die gedrochtjes weet te ontroeren. In Thomas Bernhards De Wereldverbeteraar, een voorstelling die eind november bij De Paardenkathedraal in première ging onder regie van Dirk Tanghe, zit Peter De Graef met opgetrokken schouders invalide te wezen. Erger nog: de invalide oogt als een spook. Op het gele achterdoek dansen zwarte schaduwen die nog onrustiger worden wanneer de man met rukkerige armgebaren bevelen uitdeelt aan zijn in de coulissen verborgen vrouw. Deze man slaat zich tiranniek scheldend en ziekelijk achterdochtig een weg door het leven; zijn enige bijdrage aan de vrede is een traktaat waarin hij voorstelt de wereld te verbeteren door haar af te schaffen. Maar achter de boosaardige façade zit een hulpeloze man die naar zijn vrouw verlangt en haar dat niet kan zeggen.

Ook de mannetjes in de solovoorstellingen van de Vlaming Peter De Graef zijn vreemde en toch aandoenlijke snuiters. De verteller in Ombat (1994) draagt een steil de lucht in priemend kapsel - en hemelwaarts wees eveneens zijn leven. Heilige had hij willen worden, maar nu vreest hij die titel te hebben verspeeld: met een schaapachtig lachje diept deze voormalige priester de gruwelen op die hij voor zijn neus heeft zien gebeuren. Onder het mom van goedheid deed de priester wat er van hem werd verwacht, maar eigenlijk was hij een lafaard. En nu zit hij met de gebakken peren. Dat krijg je ervan, zo luidt de moraal van het verhaal, wanneer je je ogen sluit voor het kwaad in jezelf.

Peter De Graef, acteur, regisseur en auteur van zijn eigen stukken, maakt zijn moralisme verteerbaar met behulp van een weelderige fantasie, een verwonderde presentatie en een eigenaardig gevoel voor humor. Goed en kwaad vinden bij hem een pendant in charmante engelen en eigenwijze monstertjes en vooral die engelen neemt hij heel serieus. De echt ter zake doende dingen zijn voor De Graef steeds die dingen waar de wetenschap geen verklaring voor heeft. Dat kun je zweverig noemen maar evengoed moedig, want niet iedereen durft uitgerekend dat aan te roeren waarover je volgens toonaangevende filosofen dient te zwijgen.

Engelengeduld

Aan hardhorende journalisten legt Peter De Graef zijn opvattingen uit met waarlijk engelengeduld - en van de interviewer vraagt hij hetzelfde waar het op luisteren aankomt. We moeten goed weten, vindt hij, hoe hij tot zijn wereldbeeld kwam: “Ik vertel u heel mijn leven.” In het gebouw van de Utrechtse Paardenkathedraal ontmoeten wij elkaar; daar heeft hij zojuist overnacht. Hij doet dat wel vaker tijdens de Wereldverbeteraar-tournee, die hem naar Groningen brengt en Hoorn en Amstelveen en naar nog veel meer plaatsen van waaruit je niet in een kwartiertje terug naar Antwerpen rijdt. Her en der stuit je in de Utrechtse burelen op een doorwoeld bed; ook Dirk Tanghe uit Gent heeft er een slaapplaats en het wc-blok hangt vol wasgoed. De Graef, net wakker, zoekt een kaal en koud zaaltje uit waar hij monter op zijn praatstoel gaat zitten, of liever: hij springt er bovenop. Waarna hij als een aap ineenduikt, de dunne armen om de magere benen geslagen, de ogen groot en soepgroenglanzend onder het sleetse petje.

“Mijn avontuur bij het theater is begonnen toen ik een jaar of twaalf was. Op de lokale muziekacademie nam ik na schooltijd lessen in toneel en voordracht. Later, op het Antwerps Conservatorium van Dora van der Groen, heb ik het precies anderhalf jaar volgehouden. Ik ben er weggegaan op aanraden van Van der Groen zelf. Bij bewegingsleer en dictie gedroeg ik me namelijk een beetje zakkerig omdat ik het stomme vakken vond. Ik kon niet meer normaal opkomen; als ik een deur binnenging dacht ik dwangmatig: 'Eén stap naarvoren, een halve naar achter'; ik voelde me op het toneel hoe langer hoe meer voor gek staan. Dora zei: 'Ze moeten jou er niet bewust van maken hoe jij beweegt. Als jij nog wat wilt leren, dan moet je spelen, spelen, spelen!'

“Via een auditie ben ik, ik was toen rond de twintig, bij het gezelschap van Ivonne Lex terechtgekomen. We waren met een mannetje of twaalf en we draaiden haast driehonderd voorstellingen per seizoen: belachelijke Franse boulevardkomedies voor een dom publiek. 't Enige wat ik kon doen was proberen de boel te entertainen, want als je eenmaal in een slecht stuk staat moet je de hap wel verdedigen. Maar na vier jaar was ik helemaal leeg. Ik dacht: 'Peter, jij kent alleen dat verdomde toneelwereldje: wat hebben de mènsen daaraan?'

“Om goed te kunnen spelen moet je het echte leven kennen, je moet een gezin hebben en in contact staan met andere groepen uit de samenleving. Want als je alleen de emoties van toneelspelers kent ga je toneelspelen over toneel. En daar gaat geen enkel stuk over. Stukken gaan over relaties: met ouders, met kinderen, met geliefden.

“Dus na die jaren bij Ivonne Lex zat ik helemaal in de foute hoek. M'n huwelijk was kapot en ik was aan de drank. Ik was een beest geworden: thuiskomen, je vuile kleren in de wasmand smijten, de ijskast leegvreten en wèg ben je weer. Dat alles onder het mom van: 'Ik ben de kostwinner'. Ik was het zó zat, dat theater. Dan liever werkeloos. Met een uitkering en een bibliotheek in de buurt waar je alle boeken gratis kon raadplegen. Als een bezetene ben ik gaan lezen: eerst over alcoholisme, toen over psychologie en relaties, en uiteindelijk kwam ik bij Rudolf Steiner terecht, bij spiritualiteit en boeddhisme.

Clean

“Van de jezuïeten op het internaat had ik geleerd dat ik niet deugde. Want op m'n rapporten stonden altijd zinnetjes als: 'Peter is lui en heeft geen karakter.' Of: 'Peter kan wel maar wil niet.' Bij Steiner kwam ik erachter dat ik wèl deugde en dat ik best iets wilde. Je wil kun je op je eigen manier krachtig maken zoals je ook je spierstelsel kunt versterken. Ik ben dat inzicht op mezelf gaan toepassen en sindsdien ben ik zo clean en zo correct als wat: geen deadline die ik overschrijd.

“Nog steeds maak ik me soms geweldig kwaad om die jezuïeten. Om mijn vader trouwens ook. Je moet weten: ik kom uit een raar nest. Mijn moeder, die stierf een paar weken na mijn geboorte, aan een verschrikkelijk agressieve vorm van leukemie. D'r rooie bloedlichaampjes aten de witte op of net andersom, heel fascinerend op zich. M'n vader was een polio-patiëntje, een slachtoffer van de epidemie van de jaren dertig. En m'n oudste broer was een slachtoffer van de rooie hond; die had mijn moeder tijdens d'r zwangerschap opgelopen. Mijn broer kwam blind en geestelijk zwaar gehandicapt ter wereld.

“Stel je mijn vader van toen ik klein was eens voor: een gehandicapte man van in de dertig met een gehandicapte zoon van vijf, een jochie van twee-en-een-half, m'n tweede broer, en ik, een baby van nul. M'n vader heeft me eens verteld: 'Je moeder was een goed mens, dus is ze waarschijnlijk in de hemel. Als ze daar inderdaad zit, dan is ze gelukkig. Maar ze kan niet gelukkig zijn als ze ziet hoe ik hier zit te knoeien.' Wat een logica, hè? Maar het leven bestaat niet uit logica. Mijn vader vond dat hij niet mocht rouwen; hij stopte zijn verdriet diep weg. En daarmee zijn vermogen tot het geven van warmte. Als kind ben je naar die warmte voortdurend op zoek, en het komt maar niet, en je blijft maar zoeken - tot op de dag van vandaag. En in je relaties kwel je de ander met dat enorme verlangen van jou. Die kent het niet en kan er geen moer mee beginnen.

“In veel van mijn stukken - voortgekomen overigens uit een ongepubliceerde roman van duizend bladzijden - heb ik het over zulke verlangens en over zulke frustraties en over het feit dat die van de ene generatie op de andere overgaan. Neem mij nu: ik zit opgescheept met de vuiligheid van mijn vader, en terwijl er alweer een nieuwe generatie opgroeit, hoor ik mezelf krampachtig denken: 'Die vuiligheid moet je bij je houden, want je mag de kinderen er niet mee belasten.' 't Is dan net alsof ik dat angstig-starre van mijn papa imiteer. En net als bij mijn vader spuit het vuil toch tussen mijn vingers door.

“Die donkertes van het bestaan toon ik in het theater - maar ik wil het daar niet bij laten. Je kunt je in het donker installeren en roepen: 'De wereld is rot rot rot', maar dan knijp je 'm nog! Dan zit je de boel maar weg te zuipen en stoer te doen met je gevloek! Dan ben je nog niet diep genoeg gegaan! Alleen wie naar de díepste dieptes gaat bereikt de grootste hoogtes. Dus ook in het duisterste stuk laat ik altijd een klein kiertje open zodat er een lichtglansje op de voorstelling valt. En dan maakt het niet uit of ik het over eigen werk als Et voilà en Ombat en Henry heb of over repertoirestukken als Who's afraid of Virginia Woolf en De Wereldverbeteraar.

“Natuurlijk is de Wereldverbeteraar een karikatuur. Die man relativeert zichzelf compléét niet en schuift alle schuld op de buitenwereld. En toch blitst er soms iets van zelfinzicht op. Zoals in deze zin: 'We zijn te grote fanatici.' En dan heeft die man het gewoon over ons perfectionisme, waardoor we alles versjteren maar waar we niet omheen kunnen omdat onze maatschappij ons tot perfectionisme dwíngt. Met alle frustraties vandien, die we op hun beurt wegwerken met nòg meer fanatisme.

“Het licht bij Thomas Bernhard zit in zijn humor. Eerst laat hij de Wereldverbeteraar mopperen: 'Wij veroorzaken voortdurend zelf de drukte waar we gek van worden.' Direct daarna laat hij hem overstuur iets onbenulligs tegen zijn vrouwtje roepen: 'En de schoenschraper niet vergeten!'; zoiets. Die grootheid eerst en dan die al te herkenbare kleinzieligheid: wat een prachtige tragikomedie! En wat een spiritualiteit!”

Omwegen

“In de kindervoorstelling Itak die ik onlangs bij De Paardenkathedraal heb gemaakt, kon ik het zonder omwegen hebben over spirituele zaken als God. 'God komt op, leuk!' Zo reageren kinderen, of ze nu geloven of niet. Bij volwassenen moet je dat anders inkleden. In Henry verscheen ik als engel omdat ik daardoor zoveel gezag kreeg dat ik rustig tegen een volle zaal kon zeggen: 'Jullie zien mekaar niet. Jullie zien alleen mekaars atomen.' En de zaal maar denken: 'Aaahhh, die engel is zo wijs, hij vertelt nog niet de helft van wat-ie weet.' Zodra je het publiek ziet denken: 'Die engel heeft het tegen mij', dan is het cynisme eruit.

“De schepping is in zoverre geëvolueerd dat wij dingen die puur geestelijk zijn door een onpakbaar iets als klank, muziek, kunnen overbrengen. Want het WEZEN van muziek, van drama is niet te pakken. Een voorstelling moet een mythische kracht bezitten. Maar wat is een m-y-t-h-e? Een m-y-t-h-e is een weergave van de emotionele wereld. In de wetenschap proberen we via metingen en wiskundige modellen iets over de fysieke wereld te vertellen; in de kunst proberen we via kunstwerken iets over de emotionele wereld te vertellen. En voor mij is een JUIST kunstwerk even bewijskrachtig als een wiskundig model.

“De heer Van Raefelghem in Henry krijgt op het laatst ook mythische proporties. Hij slaat zijn vrouw net zo lang de kop in tot al zijn monsterlijkheid bij háár zit. Maar dan komt het lichte moment. Want na die moord begint hij te beseffen: 'Ze heeft van mij gehouden, dat heb ik vroeger nooit gezien.' Het is de engel die hem heeft aangeraakt. Onder een JUIST kunstwerk versta ik het streven van de maker naar oprechtheid. Natuurlijk doe ik op de scène alsòf. Iedereen weet dat, dus kan ik weer oprecht zijn: ' 't Is maar toneel en toch vertel ik iets over mezelf.'

“Op het toneel probeer ik altijd te zeggen: 'Sjjtt, luister: 't komt wel goed!' Ter illustratie even een verhaal. Bij de vinkenpopulatie deed men eens een gekke vaststelling: in een klein Engels dorpje had een vinkenfamilie opeens geleerd om de voor de deuren gezette flessen melk om te gooien en open te pikken. Die vinken waren melk gaan drinken. Alleen maar in dat ene dorpje. Een jaar later begonnen alle vinken in de hele streek melkflessen open te breken. En de mensen maar roepen: 'Melkboer, ik haal de fles binnen, hoor!'

“Dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Hongersnood, geen melkboer meer, geen flessen. Een vinkenleven duurt gemiddeld twee jaar, dus geen enkele vink van voor de oorlog is er nog over, de hele populatie is nieuw. Die nieuwe vinken hebben niet gezien hoe de oude flessen kraakten en melk dronken. Na de oorlog komt het dagelijks leven weer op gang, de melkboeren zetten weer flessen op de stoep, en dan, zzhhoeff!, stuiven al die nieuwe vinken er op af. Ik bedoel maar: soms kunnen we op een geheimzinnige manier waardevolle informatie aan elkaar doorgeven. Ouderen aan jongeren en tijdgenoten aan elkaar: net als in het theater.

Zoenen

“Mijn vader zit regelmatig in mijn rollen en ook mijn oudste broer. Mijn oudste broer, die zit dus in een inrichting. Vroeger waren die instellingen achterlijk, hoor. Dan zat-ie tussen veel te zware gevallen, allemaal bij elkaar gepropt in een vies gebouw met één Broeder van Liefde d'r bij. En bij de ingang stond een heel grote vent met 'n wortel in z'n mondhoek die 'Boeboeboeboeboe' tegen je zei en je met veel slijm wilde zoenen; ik was een jaar of tien. Een ander liep gillend over de speelplaats, die broeder van liefde d'r op af en hùp!, een spuit dwars door z'n kleren in z'n bil.

“Ik vond het vervelend van mezelf dat ik de brug naar die gekken niet kon maken. Dat is me pas gelukt toen ik ver in de twintig was. Ik was werkloos en ging als vrijwilliger mee op vakantie naar Frankrijk. In een smal busje met mijn broer en zeven andere grommende, boerende en constant ruftende kerels. Maar na twee, drie dagen verdween mijn weerzin ineens. Ik zag: achter al die gedrochtjes zit een wezen dat ontroert, dat humor heeft. Zonder toekomst, zonder verleden, en jou sleurt dat gedrochtje méé het heden in. Dat soort dingen vind ik op het toneel belangrijker dan mijn soms wat spastische motoriek die ik automatisch van mijn broer en mijn polio-papa heb overgenomen.

“En nu ben ik bekend. Tenminste, ik heb al heel wat theaterprijzen gekregen. Er is een afsplitsing ontstaan tussen wie ik publiek ben en wie ik in wezen ben. Misschien is het een opdrachtje van boven om dwars door die publieke figuur heen dicht bij mezelf te blijven. Dat laatste is voor Dirk Tanghe ook een soort heilige wet. We hebben veel gemeen. Zo vinden we allebei dat de tekst op het toneel moet jànken. In wezen hebben we gelijkaardige dingen te vertellen, alleen werkt Dirk Tanghe van buiten naar binnen terwijl ik van binnen naar buiten werk. Ik hou van Dirk z'n stilering. Op een Dick-Bruna-achtige manier gooit hij al het overbodige weg tot je als speler in een eenvoudig en helder beeld komt te staan. Met mooi licht en mooie muziek.

“Volgend jaar doe ik het wat kalmer aan. Dan kom ik hier bij De Paardenkathedraal zo'n beetje meelopen in Brechts Burgermansbruiloft. Een paar verhalen van mij liggen klaar, maar ik weet nog niet of ik er een stuk van zal maken of eens heel iets anders. Jarenlang heb ik stukjes gemaakt en overal in Nederland en Vlaanderen gespeeld, en nu ben ik vooral moe. De zalen in Vlaanderen zitten goed vol, maar in Nederland bereik ik nog geen fractie van mijn potentiële doelgroep. Gewone mensen bedoel ik, en niet die incrowd van theatermakers die naar mekaar komen kijken.

“In de meeste schouwburgen en kleine zalen in Nederland draaien ze er de ene voorstelling na de andere doorheen, als in een worstfabriek. En net als in worst zitten er te veel te matige stukken tussen, frutselvoorstellingen die niet kunnen concurreren met wat er verder nog aan de hand is in een stad. Film, ballet enzo. Na een paar van die slappe happen te hebben geconsumeerd vertrouwt het publiek het product 'theater' niet meer; de zalen blijven leeg.

“Toch hou ik van Nederland. Als ik drie weken in België ben geweest krijg ik heimwee naar Nederland en als ik drie weken in Nederland ben geweest wil ik terug naar België. Ik woon in een Antwerps achterbuurtje, ingeklemd tussen spoor en snelweg. Het huis naast de kerk dat vroeger van de pastoor was is nu van mij. De gevel is roze, heel mooi. Als het in dat buurtje regent is het er zó triest. Die natte duiven en die oude mensen: ook daar houd ik van. In mijn huis is het helder. Ik heb de vloeren afgeschuurd, de muren flink gewit. Het zijn allemaal heel rustige, serene ruimtes.”