Een verzwegen vermogen; Hein Wertheimer en zijn legaat voor een fotomuseum

Hein Wertheimer gold als een vriendelijke, wat teruggetrokken man, met fotografie als hobby. Zijn rolletjes liet hij ontwikkelen bij de Hema, maar toen hij in augustus overleed, bleek Wertheimer 22 miljoen gulden te hebben nagelaten voor de oprichting van een fotomuseum. Wie was Wertheimer en wat gebeurt er met het geld?

In de kluizen van het Nederlands Fotoarchief (NFa) in Rotterdam staan sinds december vorig jaar 86 plastic opbergmappen, zeven lijsten, een krat en een plastic tas met foto's. Het is de nalatenschap van de op 30 augustus op 84-jarige leeftijd overleden Heinz Walter ('Hein') Wertheimer, bij leven - onder veel meer - een enthousiast amateurfotograaf.

Tussen de 2.500 en de 3.000 foto's zijn het; landschappen, portretten en faits divers. Ze wachten bij het NFA op hun definitieve bestemming. Die zal gevonden zijn wanneer er beslist is over dat andere deel van Wertheimers erfenis: de 22 miljoen gulden die hij schonk aan het Prins Bernhard Fonds voor de oprichting van een fotomuseum.

Over dat museum en vooral de vraag waar het moet komen, wordt onder de Nederlandse foto-instellingen nu druk gespeculeerd. Om de besluitvorming te bespoedigen heeft het Prins Bernhard Fonds het Instituut Collectie Nederland gevraagd een blauwdruk van het museum te maken.

De bekendmaking van het het Wertheimer-legaat op 29 oktober vorig jaar kwam voor de Nederlandse fotowereld als een complete verrassing. De verbazing gold niet alleen het doel van de schenking en de hoogte van het bedrag - de grootste particuliere kunstschenking sinds de oorlog - maar ook de identiteit van de schenker.

Wertheimer, op 18 mei 1913 in Amsterdam geboren als enig kind van joodse en uit Duitsland afkomstige ouders, bleek een succesvolle maatschappelijke carrière te hebben gehad: hij was onderdirecteur van Philips (van 1961 tot 1973; hij werkte er al als secretaris vanaf 1949), hoogleraar rechtswetenschappen aan de Erasmus Universiteit (1973 tot 1983). Hij vervulde talloze nevenfuncties, bij de SER, de Europese Commissie, UNCTAD en de internationale Kamer van Koophandel in Parijs. Maar buiten de kring van Foto Kring Eindhoven en Lichtstad 51, de twee amateurfotografenclubs waarvan hij jarenlang lid was, was hij onder de begunstigden alleen bekend bij Prins Bernhard Fonds-directeur J.H.L. Meerdink.

Tweeëntwintig miljoen gulden voor een fotomuseum; het is een prachtig gebaar, daarover is de fotowereld het volledig eens. Maar het is ook een enigszins zonderling gebaar, vindt men. Tenslotte is in Rotterdam het Nederlands Foto Instituut gevestigd, een instelling die na lang delibereren op het laatste moment geen museum mocht worden. En in Sittard is een Fotomuseum opgericht en weer gesloten. In beide gevallen speelde gebrek aan geld een cruciale rol. Waarom had Wertheimer nooit contact gezocht met een van deze instellingen?

Achteraf blijkt hij zelfs tegenover zijn naaste omgeving altijd te hebben gezwegen over zijn vermogen en intenties.

Karel Stomph, met Wertheimer bevriend sinds ze kort na de oorlog hetzelfde Eindhovense pension, dezelfde werkgever en hun belangstelling voor de fotografie bleken te delen: “Ik wist dat Hein niet onbemiddeld was, maar zóveel - ik had werkelijk geen idee. Laat staan van de bestemming ervan.” Samen waren ze lid van Foto Kring Eindhoven; ze spraken elkaar minstens een keer in de veertien dagen en meestal vaker.

Ook Mariëtte Fontijn, Wertheimers vriendin gedurende de laatste vier jaar van zijn leven, had geen enkele voorstelling van zijn vermogen. Ze wist dat zijn in 1993 overleden vrouw een schenking had gedaan aan het PBF en dat ook zijn erfenis die weg zou gaan. “Hein wilde iets schenken aan de fotografie, liet hij zich ooit ontvallen. Ik vond het een geweldig idee.” Maar hoeveel en waartoe wist ze niet.

Al voegen ze er beide aan toe ook weer een beetje niet verrast te zijn geweest toen ze het nieuws uit de krant vernamen. “Zoiets was tenslotte typisch Hein”, zegt Fontijn. “Hein kon nu eenmaal geheimen bewaren omdat je niet wist dat ze er waren”, zegt Stomph.

Alpenjagers

'Geluk heb ik altijd gehad, niet éénmaal maar minstens 20x', schreef Hein Wertheimer op 13 juni 1945 aan zijn ouders die na vijf jaar onderduik de oorlog hadden overleefd. Drie weken eerder was Wertheimer vanuit Dachau met een Rode Kruistransport naar Eindhoven gebracht, en 'naar de zusters zeggen meer dood dan levend' in het R.K. Binnenziekenhuis afgeleverd. Hij had vlektyfus, een zware middenoorontsteking, schurft, doorligwonden, dysenterie, tuberculose. Kleding had hij nauwelijks: 'Ik heb nog een Duits alpenjagersuniform (groene skibroek en groen vestjasje) weten mee te pikken alsmede een jekker en een deken.' Hij bezat 10 gulden, bij aankomst gekregen van de Joodse Coördinatie Commissie.

Verder laat hij op de vier getypte velletjes tellende brief niet veel los over zijn precieze ervaringen. Wel schrijft hij dat zijn slechte gezondheid (de vlektyfus liep hij op in Dachau) hem in de laatste oorlogsdagen waarschijnlijk het leven heeft gered: omdat hij in de ziekenboeg lag ontsnapte hij aan het ontruimingstransport op bevel van Himmler, dat 8.000 joden en Russen het leven zou kosten.

Ook later heeft hij niemand in vertrouwen durven nemen. Zijn naaste omgeving wist - al was het soms niet meer dan een vermoeden - dat hij in 'het kamp' had gezeten, maar welk en hoelang, daarover liet hij geen woord los.

In de archieven van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie liggen twee briefkaartjes die Wertheimer in juli 1945 vanaf zijn ziekbed schreef aan het Afwikkelingsbureau Concentratiekampen te Vught, en waarin hij vraagt om toewijzing van extra levensmiddelen. Daaruit blijkt dat hij niet één maar drie concentratiekampen overleefde. Op het eerste kaartje, gedateerd 16 juli 1945, schrijft hij: 'Gearresteerd 13 April 1944 te Rotterdam door leden van de SD uit Haarlem. De reden der arrestatie was gelegen deels in mijn Joodsche afkomst deels in het feit dat ik samenwerkte met organisaties om onderduikers adressen te verschaffen. Ik heb gezeten in de concentratiekampen Auschwitz, Gross-Rosen (bij Breslau) en Dachau, en repatrieerde op den 26 Mei 1945 in Eindhoven met een Rode Kruis-transport. Werd op dien dag dadelijk i/h ziekenhuis opgenomen.' Op een tweede kaartje, gedateerd 22 augustus, herhaalt hij zijn verzoek om extra levensmiddelen. De vakjes van het ambtelijk stempel op deze herinnering bleven leeg, op dat voor de datum van ontvangst na. Kennelijk werd zijn verzoek niet gehonoreerd.

De oorlog heeft Hein Wertheimer zwijgzaam gemaakt, daarover is iedereen die hem heeft gekend het eens - al weet niemand er het fijne van. Hij was een gesloten en teruggetrokken man, vriendelijk en informeel weliswaar, maar altijd en overal op zichzelf.

Martien Haanepen, voorzitter van de Foto Kring Eindhoven die hem in het begin van de jaren tachtig leerde kennen: “Hij liet zich door iedereen bij zijn voornaam noemen maar echt dichterbij komen liet hij je nooit.” Karel Stomph: “Hein was erg ontwijkend. Zodra hij maar iets over zichzelf moest prijsgeven liet hij blijken het gesprek niet langer op prijs te stellen. Doorvragen had, zo leerde je, geen enkele zin.”

“Alles wat zweemde naar het persoonlijke werd door hem resoluut terzijde geschoven”, zegt ook PBF-directeur Meerdink, die Wertheimer op grond van de drie gesprekken die ze voerden over het legaat “buitengewoon terughoudend” noemt. En Mariët Fontijn: “Zodra er mensen over de vloer kwamen trok hij zich terug, om zich pas aan te sluiten als hij de indruk had dat het veilig was.” Ze heeft hem wel eens gevraagd naar zijn ervaringen in de oorlog. “'Het was geen pretje', zei hij. Dat was alles. Er zat een deksel op die tijd, en dat wilde hij daar laten.”

Cynisch keerde hij zich van de wereld af, schreef een voormalige Philips-collega na Wertheimers dood aan haar. Maar dat beeld vindt ze wat te scherp: “Hein was iemand met een muur om zich heen. Een Einzelgänger, die tot bloei kwam als je hem met rust liet.”

Habbekrats

De inhoud van de mappen bij het NFA, de grootste 60 bij 80 centimeter, de meeste 50 bij 60 en alle van het soort dat voor een habbekrats te koop is bij elke grossier in kunstbenodigdheden, is veelzeggend. De foto's, vrijwel zonder uitzondering in kleur en technisch onmiskenbaar onderlegd, zijn gemaakt in Tibet, China, Japan, Afrika, Ethiopië, Jemen, Rusland, Amerika: handgeschreven stickertjes op de bovenzijde van ieder map. Twee mappen bevatten foto's van Sicilië, over de Zijderoute zijn er vier, over de Galapagos een handvol.

Maar waar fotograaf Wertheimer ook was, hij zag hetzelfde. Telkens weer zijn er landschappen en portretten; vrolijke kindjes, vriendelijke moeders, verweerde grootmoeders. En telkens zijn er foto's van kleine opmerkelijke zaken: een torentje van zwembanden, die ene gele isolator hoog aan een telegraafpaal, een roestige ketting tegen een kademuur, het onverwachte geel van een brandkraan.

Maar over zichzelf: niets. Terloopse of meer persoonlijke getinte foto's: geen. Zijn eigen wereld, werk, vrouw, huis: het blijft allemaal onzichtbaar. Het merendeel van de foto's is gemaakt met een telelens: Hein Wertheimer keek het liefst van een afstandje toe.

Hein Wertheimer leidde een bescheiden leven. Op luxe viel hij niet te betrappen, of het zouden de buitenlandse vakantiereizen moeten zijn die hij veelvuldig ondernam. Een kunstboeken- of fotocollectie bezat hij niet; zijn eigen filmpjes liet hij ontwikkelen bij de Hema.

De basis van zijn vermogen werd gelegd door zijn ouders. Vader Julius (1879-1954) was tot zijn dood directeur van de aan de Amsterdamse Cruquiusweg gevestigde NV Fabrieken van Spoorwegmateriaal Orenstein & Koppel. Het vermoeden bestaat dat het bedrijf werd opgericht (in 1907) met kapitaal uit de familie van zijn latere vrouw Elsa Ornstein (1893-1979; het huwelijk vond in 1912 plaats).

Het bedrijf bestaat nog steeds, maar het historische archief is enkele jaren geleden opgeruimd. Een oudere werknemer herinnert zich dat het bedrijf bij oprichting een volle dochter was van een in Duisburg gevestigde Orenstein en Koppel; wanneer die banden zijn doorgesneden is onduidelijk. In de oorlog werd een Duitse Verwalter bij het bedrijf aangesteld. In 1945 zou het bedrijf als vijandelijk bezit genaast zijn door de overheid; in de nagelaten correspondentie van Hein Wertheimer is hierover echter niets terug te vinden.

Uit notariële akten blijkt dat Hein Wertheimer bij de dood van zijn vader een kindsdeel kreeg uit aandelenbezit van ruim 800.000 gulden. Hij heeft dit kapitaal - later aangevuld met de erfenis van zijn moeder - ondergebracht in een beleggingsmaatschappij die het gestaag deed groeien. De grootste aanwas vond de laatste vier jaar plaats. Ten tijde van het eerste contact tussen Wertheimer en het Prins Bernhard Fonds in het najaar van 1993 (kort na het overlijden van Wertheimers vrouw; het huwelijk bleef kinderloos), was nog sprake van tien miljoen gulden. 'Zinvol beleggen is een kunst en een wetenschap', schreef Wertheimer rond die tijd in een brief aan zijn notaris. Ook laat hij daarin blijken zo zijn twijfels te hebben over het Prins Bernhard Fonds: het jaarverslag van het PBF bijvoorbeeld is hem veel te luxueus.

Wertheimer heeft steeds weer laten blijken die gesprekken over de bestemming van zijn vermogen een noodzakelijk kwaad te vinden, aldus directeur Meerdink. “Hij werd bijna panisch bij de gedachte dat zijn voornemen zou uitlekken. Ik heb nog nooit iemand meegemaakt die zo volstrekt anoniem wilde blijven.”

Achteraf is het ook hem duidelijk: voortijdige bekendmaking van het legaat zou onvermijdelijk hebben geleid tot vragen die het deksel dat Wertheimer op zijn verleden had geschroefd aan het wankelen zouden hebben gebracht.

Meerdink: “Het is op de keper beschouwd een trieste geschiedenis. Hij had er zoveel plezier aan kunnen beleven het geld ook daadwerkelijk ingezet te zien.”

Exploitatie

De fotowereld beraadt zich nu onder regie van het Prins Bernhard Fonds over de inzet van het legaat. Het mag gebruikt worden voor eenmalige investeringen of voor exploitatie; onverdeeld is de jaarlijkse renteopbrengst circa 1,5 miljoen gulden. Er is een werkgroep samengesteld met vertegenwoordigers van het Nederlands Foto Instituut, het Nederlands Fotoarchief en het Nederlands Fotogenootschap, het Leidse Prentenkabinet, het Spaarnestad Fotoarchief, de Bond van Nederlandse Amateurfotografen Verenigingen en de Stichting Beeldende Amateurkunst. De laatste twee zijn aanwezig vanwege Wertheimers nadrukkelijke eis het museum zowel voor professionale als amateurfotografen te bestemmen.

De werkgroep is inmiddels twee keer bij elkaar geweest om, zoals PBF-directeur Meerdink het uitdrukt, 'van gedachten te wisselen.' Hij schetst de sfeer als constructief: 'er wordt niet gegraaid naar de geldbuidel en iedereen wil het legaat goed en structureel besteed zien.' Maar daarvoor is de legaatstekst ook te dwingend, voegt hij eraan toe: het geld moet op één plaats terecht komen, bij een nieuwe of een reeds bestaande instelling.

Ondanks de hoogte van het bedrag - ter vergelijking: in de Nederlandse fotografie gaat van overheidswege jaarlijks naar schatting zo'n twaalf miljoen gulden om - zal aanvullende financiering noodzakelijk zijn, vooral gezien Wertheimers wens dat het museum zal beschikken over een eigen collectie. Het bijeenbrengen daarvan is een kostbare aangelegenheid; overname van bestaande collecties als die van het Stedelijk Museum, het Rijksmuseum of het Prentenkabinet van de Rijksuniversiteit Leiden - de laatste stond enige tijd op de nominatie om te worden afgestoten - is ondenkbaar. De in de werkgroep geopperde mogelijkheid bestaande collecties te verbinden tot een 'virtueel museum' lijkt gezien de tekst van het legaat eveneens uitgesloten.

Dus worden links en rechts voorstellen gedaan voor verregaande samenwerking en fusies tussen instellingen, zoals het in Amsterdam gevestigde Maria Austria Instituut en het Rotterdamse Foto Instituut, Fotoarchief en (eventueel) het Nationaal Fotorestauratieatelier. Met name NFI-directeur Loek van der Molen is hiervan voorstander; zijn bestuur heeft de mogelijkheid al gefiatteerd.Van der Molen: “Voorwaarde is wel dat wij onze taken naar behoren kunnen uitvoeren en dat de geldstromen naar de deelnemende instellingen zoveel mogelijk blijven bestaan.”

In alle gevallen is de hamvraag: waar wordt het 'Wertheimermuseum' gevestigd? Het Prins Bernhard Fonds heeft geen voorkeur. Directeur Meerdink: “Wij zijn slechts de uitvoerders van Wertheimers wil en hij noemt nergens een vestigingsplaats.”

Alle betrokkenen bij het overleg zijn het erover eens dat de vestigingsvraag de minst belangrijke is. Maar al snel ontstond het bekende stedenkrakeel, na de gretigheid waarmee de Amsterdamse (inmiddels ex-) cultuurwethouder Bakker daags na de bekendmaking van het legaat liet weten dat hij het museum graag in zijn stad zag en de daaropvolgende motie van de Rotterdamse gemeenteraad die het in Rotterdam wil zien.

Volgens Bool, directeur van het Fotoarchief, is iedereen nu 'buitengewoon zenuwachtig'. Loek van der Molen begint zich na zijn aanvankelijk enthousiasme toch zorgen te maken: “Het is ineens allemaal zo bekrompen. Niet wat en hoe is uitgangspunt geworden, maar waar.” Mattie Boom, voorzitter van het Nederlands Fotogenootschap en curator fotografie van het Rijksmuseum: “Het legaat is een vette worst. Iedereen begint plots opzetjes te maken.” Met argusogen volgt een ieder de activiteiten van de Amsterdamse stichting Photo Plaza, die de laatste maanden onder aanvoering van fotograaf Paul Huf pogingen onderneemt om in die stad een fotografisch centrum te vestigen. De schenking betekende een onverwachte impuls voor de activiteiten van Huf, die Amsterdam 'de best denkbare plek' voor een fotomuseum vindt; over de inhoud van zijn plannen wil hij echter vooralsnog niets kwijt.

Het Prins Bernhard Fonds heeft kort voor Kerstmis op voorstel van de werkgroep het Instituut Collectie Nederland gevraagd een blauwdruk te maken voor de besteding van het Wertheimer-legaat. De vorm, de financiering én de vestigingsplaats moeten erin zijn uitgewerkt. Eind maart moet het plan klaar zijn en in een symposium zal de fotowereld zich er dan over uitlaten. Directeur Meerdink: “Het leek iedereen de beste manier om eindeloos gekibbel te voorkomen.”