Een operatie in grote stijl; De Dada-veldtocht in Nederland

Morgen is het 75 jaar geleden dat de Dada-veldtocht van Theo van Doesburg en Kurt Schwitters in Nederland begon. De tournee duurde meer dan een maand en leidde tot veel tumult in het land. “Een heele politiemacht kwam er aan te pas, en moest van acht tot half negen de ongelooflijke bende op straat in toom trachten te houden.”

Vijfenzeventig jaar geleden woei er even een vleugje Dada door Nederland. Op 10 januari 1923 startte in de Haagsche Kunstkring de Dada-veldtocht van Theo van Doesburg en Kurt Schwitters. De Haagse kunstenaar Vilmos Huszár nam aan de veldtocht deel met een mechanische, dansende figuur en Van Doesburgs gezellin Nelly van Moorsel speelde piano onder het pseudoniem Pétro van Doesburg. Het karakter van de soirées was heel gevarieerd. Schwitters bijvoorbeeld, droeg behalve zijn eigen poëzie ook Heine's 'Es fiel ein Reif in der Frühlingsnacht' voor. En Van Doesburg zelf las niet alleen zijn essay 'Wat is Dada?' voor, maar ook gedichten en als er een balkon in de zaal was, wilde hij vandaaraf zijn publiek wel geselen met zijn 'Chronique scandaleuse des Pays-Plats'. Het zwaartepunt van de veldtocht ligt in de periode tot half februari. Daarna waren er enkele verspreide optredens.

Schwitters en Van Doesburg beweerden later dat hun optreden destijds een novum was in Nederland. Dat was grootspraak. In februari 1920 was al in Amsterdam een soirée gehouden van het avant-gardistische tijdschrift La Revue du Feu. Op die avond liep de schrijver en schilder Loe Saalborn zwart gerokt en wit gedast als een pauw door de zaal en introduceerde het dadaïsme, waarbij vooral zijn voordracht van het gedicht Anna Blume van Schwitters veel succes oogstte bij het publiek.

Van Doesburg was er eigenlijk te laat bij. Hij reageerde pas instemmend op de dadaïstische beweging toen die in het buitenland al dood was verklaard. Maar als een gewiekst impresario zag hij toch mogelijkheden voor Dada in Nederland, al was het vooral om zijn aanzien binnen de internationale avant-garde te vergroten.

Hij was zelfs niet de initiatiefnemer voor de veldtocht, dat was Huszár, die al voortvarend was begonnen met de organisatie van een dada-tournee door Nederland. Van Doesburg schreef op 8 september 1922 aan Tristan Tzara dat Huszár al contact had opgenomen met een Haagse impresario, die 'veut faire cette opération en grand stile' met sandwichmannen en veel reclame. Voor deelname aan de veldtocht nodigde Huszár ook Tzara en Hans Arp uit. Schwitters en Raoul Hausmann hadden toen al toegezegd. De laatste twee hadden in 1921 een tournee in Praag gehouden en het hele gezelschap zou eind september 1922 een drietal dadaïstische optredens in Duitsland verzorgen als repetitie voor de Hollandse tournee.

Ruzie

Er is een brief van Schwitters aan Van Doesburg waarin hij inging op het voorstel voor een dada-tournee door Holland. Als iedereen mee zou doen, zo rekende Schwitters uit, had ieder een kwartier. Wanneer we de duur van het programma op anderhalf uur schatten, zouden er behalve Van Doesburg en Schwitters zelf dus nog vier heren aanwezig moeten zijn. Maar Tzara en Arp lieten het om financiële redenen afweten en met Hausmann hadden de Van Doesburgs inmiddels ruzie gekregen.

Misschien was Schwitters evenmin komen opdagen als niet eind december in Rotterdam een aantal van zijn collages te zien waren op een tentoonstelling van de kunstenaarsvereniging De Branding. Deze expositie ging vervolgens in januari naar de Haagsche Kunstkring en ten slotte naar Amsterdam.

Ondanks het feit dat Van Doesburg en Schwitters in grote stijl in zee gingen met het Haagse impresariaat De Haan, werden veel avonden in samenwerking met plaatselijke kunstkringen georganiseerd. Die wilden dat het publiek kennismaakte met een nieuwe kunststroming. Het publiek wilde echter sensatie en werd op zijn wenken bediend.

Het Algemeen Handelsblad deed minutieus verslag van zo'n Dada-soirée. In het Amsterdamse Bellevue werd Van Doesburg al vanaf het begin, toen hij op een stoel achter een tafeltje met een schemerlamp zijn 'Wat is Dada?' voorlas, onderbroken door 'donderend gelach in de kokende zaal'. Het verslag gaat verder: 'Gejoel wordt sterker, aandacht verslapt al; lange Duitsche citaten worden door niemand gevolgd; de heer Theo leest voor zonder acht te slaan op de uitwerking'. Als Schwitters vanuit de coulissen kreten slaakt als 'Roe... oe... oe... miauw... auw!' en tevoorschijn gekomen het publiek instrueert “Als ik een hand opsteek... Lärm!... Zwei Hände... grosser Lärm... Hände nieder - alles still...!” breekt een waar pandemonium los: “Van je hela, hola, houdt er de moed maar in”. Daarna vervalt het publiek volgens de krant in 'een paroxysme van goedaardige waanzin': 'Menschen springen op, een razend gefluit overstemt alles'. Na de pauze was het niet veel anders. Volgens het verslag had een enorm publiek 'om dezen volslagen waanzin bij te wonen (-) vóór Bellevue op de Leidschekade geduwd en gedrongen. Neen, niet gedrongen, gevochten. Een heele politiemacht kwam er aan te pas, en moest van acht tot half negen de ongelooflijke bende op straat in toom trachten te houden.' Behalve 'hup Ajax', riep het publiek ook 'Me cinte terug!', want het vond dat met de toegangsprijs van ƒ 1,50 'een arm Duitsch of Oostenrijksch kind een weldaad kan worden bewezen'.

Amsterdam was de derde halte in de tournee. Al de dag na het optreden in Den Haag gaven Schwitters, de Van Doesburgs en Huszár acte de présence in Haarlem. Na Amsterdam kwam er een reprise in Den Haag en vonden er optredens plaats in Utrecht, Rotterdam, Leiden. Verder werden er lezingen gehouden in Delft en Den Haag en was er een optreden zonder Van Doesburg en Huszár in Den Bosch. Op de terugweg naar Hannover deed Schwitters bovendien in zijn eentje Drachten aan.

Reprises

Vooral de Nieuwe Rotterdamsche Courant berichtte over de serie optredens alsof het om een echte veldtocht ging. Het lijkt erop dat de tournee gaandeweg werd ingevuld, zonder een gedetailleerd scenario vooraf. Sommige aangekondigde optredens gingen niet door, zoals dat in het Amsterdamse Parkzicht op 16 januari, in Bussum en een tweede avond in Utrecht. De reprises in Den Haag en Rotterdam lijken niet ingecalculeerd.

Door alle krantenberichten stelde het publiek zich bij voorbaat in op een chaotische avond. In Utrecht probeerde een aantal studenten het optreden over te nemen, tot groot enthousiasme van Schwitters. Zelf werd hij als de grote attractie tijdens de optredens beschouwd, Van Doesburg als het meest controversieel, voor Pétro van Doesburg was er meestal zelfs lof en de dansende pop van Huszár vond men ook niet onaardig. Werkelijk geschokt was vrijwel niemand.

De reacties in de provincie waren vaker negatief. Een voorbeeld hiervan vormt de soirée in Den Bosch. 'De Profeet van Dada komt', berichtte het plaatselijke dagblad, dat zijn lezers waarschuwde: 'Men wordt dringend verzocht zich ordelijk te gedragen vooral wanneer vreemde voorstellingen en geluiden tijdens het eventueel duister worden van de zaal, worden gezien of vernomen.' Het publiek hield zich ferm: 'Hoe verder de avond vorderde, hoe meer Kurt Schwitters de quantité négligeable werd, wier men op echt Bossche gulle wijze toezong'. De directeur van het theater verontschuldigde zich na de voorstelling, omdat hij ervan overtuigd was dat hij het publiek niet de echte Schwitters had geboden, maar een simulant'.

Hebben die geruchtmakende optredens nu Van Doesburgs roem als dadaïst gevestigd, zoals zijn bedoeling was? In elk geval niet in Nederland. De veldtocht was snel uit de belangstelling verdwenen. Onder het pseudoniem I.K. Bonset, dat hij voor zijn dadaïstische publicaties in zijn tijdschriften De Stijl en Mécano gebruikte, schreef hij na afloop van de veldtocht vanuit Parijs aan een Nederlandse uitgever: 'gezien de vele aanvragen, die uit Holland tot ons komen voor dadaïstische litératuur, neem ik als eenigster hollandsche dadaïst de vrijheid U eenige mijner werkjes ter uitgave aan te bieden'. De uitgever verwaardigde zich niet eens te antwoorden, maar legde de brief af met de aantekening 'niet geantw. onzin'.