Een intellectuele voorsprong van Raymond Brulez; De glimlach van België

In Nederland is Raymond Brulez nogal onbekend. Onze smaak wordt eerder bevredigd door betonnen zakelijkheid dan door rococo. In België is Brulez (1895-1972) van groot belang geweest. Benno Barnard over de zelfbewuste Nederlandstalige Belg en auteur van 'Mijn woningen'.

Raymond Brulez: Mijn woningen. Meulenhoff, 765 blz. ƒ 100,-

Dertig jaar nadat hij in januari 1921 als literair bevlogen jeune premier in het spoorwegstation van Brugge op zijn latere verloofde had zitten wachten, typeerde de Vlaamse schrijver Raymond Brulez de 'wachtzaal tweede klasse' van dat neogotische bouwwerk als een gewijde ruimte, de logische stenen metafoor van zijn enigszins geëxalteerde gemoedstoestand:

'Op de roodgepolsterde rustbanken, waardig van hoge prelaten, zaten enkele schaarse geduldigen, als wachtten zij minder op een afreis dan op de aanvang van een officie. In een glazen nis, gehurkt op een kruk, de oude kaartjesknipper. De langgebaarde kin rustte tussen duim en wijsvinger van de rechterarm, die met de elleboog steun vond op de hooggestutte knie, terwijl de linkerhand de kniptang losjes omkneld hield, als was deze minder een alaam dan wel een ritueel rekwisiet. (...) Een machtig gedommel en de knarsing van remmen weerklonk vanonder de spoorhal. De profeet wipte van zijn kruk en - als gold het een opwekking om het Heilig Land te bevrijden - riep met luide, martiale stem: 'Brussel, Wenen, Sofia, Constantinopel! Orient express.' Niemand gaf gevolg op deze exhortatie, niet eens de jonge vrouw die, diep geduffeld in grijze astrakanmantel en muts, gevoeglijk naar de Kaukasus had kunnen afreizen...'

De lezer neme mij dit lange citaat niet kwalijk (het zal dadelijk zijn nut bewijzen). Overigens zijn in het teken (...) haast vier pagina's gecomprimeerd: een zekere wijdlopigheid valt de schepper van deze barokke, Vlaams-Nederlandsgallicistisch-latinistische prozastijl wel aan te wrijven.

Barok? Kom ik straks op terug. Dol op de functionele bouwkunst van de Nieuwe Zakelijkheid was hij in elk geval niet, Brulez: het 'rembrandtduister' was deze discipel van de Verlichting liever. 'Laat de dingen schijnen wat ze níet zijn', luidde een artistiek geloofsartikel van die vooruitstrevende reactionair... Geen wonder dat het modernisme in de letteren hem ook al mishaagde. (Inzake de architectuur geef ik hem trouwens zonder meer gelijk. Kom ik niet op terug.)

De beschrijving van die wachtkamer, intussen, is afkomstig uit De haven, het derde deel van zijn tetralogie Mijn woningen. Deze geromantiseerde memoires, waarvan de afzonderlijke delen tussen 1950 en 1955 zijn verschenen, vormen thans één gebonden boekwerk van 765 pagina's, uitgegeven door Meulenhoff. Het magnum opus is zelfs van een leeslint voorzien, ter bevrediging van die onschuldige seksuele aberratie die bibliofilie heet... dus waarom zou ik nostalgisch doen over mijn vier onooglijke Vlaamse pockets, op 15 februari 1974 in Antwerpen gekocht? (Ik zat toen nog op school. Spijbelde ik soms? Was ik komen liften? De rembrandteske schemering van dat antiquariaat herinner ik me nog!)

Belle epoque

Wie was Brulez, o lettré die dit leest?

Euh...

Men zou zijn leven en literatuur als volgt kunnen samenvatten: Raymond Brulez, geboren in de belle époque (1895) en overleden tijdens de Koude Oorlog (1972), praktiseerde in het onzalige Europa van zijn dagen een eigensoortig stoïcisme. 'Betrokken' zonder zich te engageren. Koel-moralistisch, gevoelig-rationalistisch, zintuiglijk-intellectualistisch... dit alles in de beste traditie der Gallische cultuur. Een equilibrist, die zich op het slappe koord van de Vlaamse emancipatiestrijd in evenwicht hield met behulp van Voltaire en Stendhal.

Natuurlijk valt er meer te vertellen. Zo groeide hij in een hotel op, een kolossaal classicistisch pand, met vlaggenstok, luifels en gietijzeren krullen, gelegen aan een zeedijk vol vissersvrouwen en flanerende heren-met-strohoed... een kiekje uit 1905, lang voor een bende krankzinnigen de Belgische kust in een commerciële Atlantikwall herschiep. Dit hotel, eigendom van zijn ouders en bevolkt door een kleurrijk gezelschap uit alle windstreken, staat centraal in Het huis te Borgen, het eerste deel van de cyclus - 'Borgen' is het bruleziaanse Blankenberge (zoals 'Claven' in De haven, een bruleziaans Brugge is: in die stad vestigde hij zich na zijn huwelijk met de 'Kaukasische' uit de wachtkamer).

Vlaanderen moge tussen 1895 en 1972 dan een paaps bolwerk zijn geweest, Brulez père was een liberale vrijmetselaar, die zijn kinderen naar 'scholen zonder God' stuurde: Brulez fils hoefde dus niet antiklerikaal te worden en zijn boeken niet vol te stoppen met het soort oudbakken pastoorsmoppen en nonnenkarikaturen waar de Vlaamse literatuur nu nog steeds onder lijdt. Hij zou zijn geschriften integendeel larderen met Franse kwinkslagen, Frans esprit en Franse citaten, hem ingefluisterd door het Belgische onderwijssysteem, dat als een reusachtige Franse gouvernante over de kinderen van de Vlaamse bourgeois waakte... Diderot, Voltaire, Stendhal en Anatole France disciplineerden zijn geest; Maurice Barrès en Jules Laforgue waren zijn helden. Niet verbazingwekkend dus, dat deze auteur er op alle naoorlogse portretfoto's uitziet als een homme de lettres die door generaal De Gaulle tot minister is gepromoveerd... Maar hij kende ook de Engelsen, bewonderde ook Goethe en Multatuli: dit burgermanskind las niet om tot de hoogste kringen door te stoten, tot le monde où l'on s'ennuie - hij hield gewoon van lezen. Bovendien was hij 'Vlaamsvoelend', maar ook dat op bruleziaanse wijze: zonder tijdens de wereldoorlogen in een of ander zompig mythisch Vlaanderen weg te zinken.

Alles bij elkaar was Europa bijna te klein voor Brulez, zoals iemand opmerkte, en Vlaanderen haast te groot.

Alles bij elkaar was Brulez, niet gekweld door kleinburgerlijk katholicisme of rancuneus flamingantisme, de ideale 'zelfbewuste Nederlandstalige Belg' een type dat mij lief is, maar dat zich helaas het beste laat vergelijken met een bedreigde diersoort in een corrupt land rond de evenaar.

'Belge d'expression néerlandaise...'

Toen hij achttien was, in het Frans germanistiek studeerde in Brussel en besloot schrijver te worden, maakte hij een 'taalcrisis' door. Frans? Nederlands? Hij 'voelde' weliswaar Vlaams, maar het zuiden zoog aan zijn ziel, daar bloeiden de citroenen... Ik probeer me voor te stellen: 1913, Du côté de chez Swann verschijnt, en in de hoofdstad van België opteert een jonge intellectueel, die de Franse grammatica tot in haar uithoeken kent, voor een schor patois zonder enig literair aanzien. Ook generatiegenoten als Karel van de Woestijne en Herman Teirlinck gaven gevolg op de exhortatie hunner Vlaamsvoelendheid... Il faut le faire! Ik betwijfel of ik, met mijn opportunistische karakter, mijn moeder niet verraden zou hebben...

En wat schreef Brulez vóór Mijn woningen?

Weinig dat niet door de tand des tijds vermalen is. Toneel. Novellen. Verhalen, waaronder het curiosum De projectielantaarn 'Aladin' (opgenomen in de bundel Scheherazade of Literatuur als losprijs), dat langs telepathische weg Woody Allen moet hebben geïnspireerd tot The purple Rose of Cairo: een filmsterretje stapt uit haar film, maar blijft in de stoffelijke wereld beperkt tot de handelingen die ze in de rolprent verricht - zo kan ze wel '10 seconden lang zoenen', maar van de 'finale grove wellust' kan geen sprake zijn... 1932! Hé, cinefielen.

Zijn debuut, de roman André Terval of Inleiding tot een leven van gelijkmoedigheid, lag toen twee jaar achter hem. Ik beken dat ik dat boek niet heb gelezen, maar er hoort een interessante literair-historische anekdote bij: Marnix Gijzen en Gerard Walschap, omstreeks 1930 geconstipeerde katholieken die nog geconstipeerde antikatholieken moesten worden, oordeelden dat het werkstuk te 'libertijns' was... Tiens! Ik vraag me af welk ruw zingenot op die pagina's wel niet beschreven mag staan?... Eddy du Perron daarentegen, die nadere atavistische Fransman, ontdekte een geestverwant in Brulez, wiens culte du moi (afgekeken van Barrès) hem geweldig beviel - een vent kortom, misschien met iets te veel tafelmanieren, maar zeker een kameraad in het Vlaanderen van Timmermans, Claes en die beide hardlijvige inquisiteurs!

Proust

Ik noemde Mijn woningen hiervoor 'geromantiseerde memoires', maar in de flaptekst van deze nieuwe uitgave wordt van een 'autobiografisch romanvierluik' gesproken. Die laatste kwalificatie plaatst het boek ergens in de buurt van Proust, maakt van Brulez de zoveelste maan van deze Jupiter - terwijl mijn (weer van anderen geërfde) omschrijving hem in de omgeving van Stendhal-Brulard situeert, à la Du Perron, wiens Het land van herkomst hij erg bewonderde.

Wat is het nu - behalve ingewikkeld?

Ik zou zeggen: een mengeling van die twee. Stendhaliaans-Perronesk is het concept van een autobiografie in verhaalvorm, maar ook 'de bewuste verheerlijking van de morele energie' waar het Brulez in laatste instantie om te doen was. Aan die idiosyncratische fat, die sublieme zieke in zijn kurken cel, herinnert dan weer de precieuze stijl, dat proza van onbreekbaar porselein... (maar daar kom ik dus nog op terug).

Welke consequenties heeft dit nu voor de historische werkelijkheid die Brulez beschrijft?

'Ik zou mijn vierdelig fresco schilderen gewetensvol en natuurgetrouw; echt en waar voor zover mijn geheugen en observatievermogen mij geen parten speelden; natuurgetrouw voor zover de natuur geen correctief behoefde, die de Fantasie gerechtigd is bij haar aan te brengen, zo dit de economie van het verhaal ten goede komt', zo luidt zijn beginselverklaring in het vierde deel, Het mirakel der rozen.

Dat impliceert dat Brulez zelf 'Raymond' heet, maar zijn jeugdvriend, de dichter Urbain van de Voorde 'Bertrand' of 'Julien' (ik bezit de sleutelbos niet). A krijgt de weelderige haardos van B en het ouderlijk huis van C (ook deze techniek is proustiaans); de papieren held André Terval doet doodgemoedereerd zijn intrede, alsof hij óók van vlees en bloed is, een 'historisch personage'... En hotelkamer 35 heeft zicht op zee, hoewel men daar in werkelijkheid op een zijstraat uitkeek - zoals een tot het notariaat geneigde ex-gast de schrijver voorhield.

En Claven! Dat is dus het privé-Brugge van Brulez, maar desondanks kan men er nog altijd het schemerige stationsgebouw met zijn flamboyante zuilen en gebrandschilderde ogivale ramen bezoeken, een schepping van de architect Jozef Schadde - ik kwam daar voor het eerst in de zomer van 1974, kort na mijn eindexamen, een literair angehauchte snotneus, gewapend met een smoezelige Vlaamse Pocket, met de Dichtung in de hand ronddwalend onder de booggewelven van de Wahrheit...

Maar. Ondanks al het bovenstaande, ondanks die bruleziaans-barrèske 'cultus van het ik', de stoïcijnse afstandelijkheid, de titel... is Mijn woningen meer dan wat ook het belangrijkste, betrouwbaarste en ontroerendste ooggetuigeverslag van de eerste helft van de twintigste eeuw in Vlaanderen dat nog bestaat. Voltaire, met zijn philosophie de l'histoire, heeft op dit boek geademd, naast Stendhal en Proust aan de wieg ervan gestaan (al die namen! Ik lijk wel een geleerde!). Ja, dit boek gaat ergens over, het gaat niet ergens over - en de lezer die zich eraan overlevert, kan maar beter zorgen dat hij een historisch onderlegde Belg is, wil hij alle namen thuisbrengen, alle politieke en sociale verwikkelingen doorgronden. Maar ook als hij die hogere zijnstoestand niet bereikt heeft, zal hij de stemmen van de Brusselse burgers, Russische edellieden en Franse variété-artiesten horen gonzen in dat Borgense hotel, die grote kinkhoorn, waar citaten in vijf talen uit de diepte van de draaiingen tevoorschijn komen... hij zal in deel twee, de ulanen en dragonders van de Pruisische, Beierse en Mecklenburgse divisies zich im Westen zien ingraven: 'Ah que c'est gentil de se battre, que c'est amusant le danger!...'

en als hij, de lezer, een arme romanticus is, comme bibi, zal hij hoogst vermoedelijk in de kalme trance van de fijnproever raken, met een kwart glimlachje haast constant om de mondhoeken - want Mijn woningen is van een uiterst subtiel soort humor, een esprit die de tekst overal licht doet mousseren, de werking van koolzuur in champagne.

Ook dat is een Franse kwaliteit van Brulez, het spijt me. Zo zwaartillend en humorloos als het Vlaamse voelen de Vlaamse intellectuelen vaak gemaakt heeft, zo superieur geestig is Brulez altijd onder zijn Vlaamse sympathieën gebleven. 'De glimlach van België' zo placht zijn dochter de memoires van haar verwekker te noemen.

Brulez en Frankrijk, de Franse belles lettres, de Franse zwier, de Franse clichés.

In De Vlaamse Voltaire, een kleine obelisk die Jeroen Brouwers in 1995 'bij de honderdste geboortedag van Raymond Brulez' in het dagblad De Morgen voor hem oprichtte, bezoekt Brouwers (29) de bejaarde meester (74) in diens Brusselse woning, waar een Vlaamse huishoudster een maaltijd opdient:

'Onder meer vertelde hij hoe hij ooit de grote Vlaamse dichter Karel van de Woestijne, neergezegen op een caféterras in Gent, een versnapering had horen bestellen... in het Frans! Het moest een anekdote van ten minste een halve eeuw tevoren zijn geweest, maar hij was er nog altijd beduusd van. Hierop kwam de huishoudster de borden en schalen afruimen en onderhield de heer Brulez zich opnieuw met haar in de andere dan de Nederlandse taal die in Brussel wordt gesproken'.

Brulez beduusd? Eerder geamuseerd, dunkt me... Hoe dat ook zij, Brouwers heeft wel meer oude Vlaamse schrijvers Frans horen spreken:

'Al zetten ze zich allemaal in, ieder naar hun aard, voor de officiële aanvaarding van het recht om in eigen land de eigen taal, het Nederlands dus, te mogen spreken, in hun manier van denken bleef het Frans levendig aanwezig als een geheime grote liefde. Het gaf cachet en rijkdom aan het Vlaamse intellectuele leven en het is te betreuren dat dit gracieuze aspect met de dood van Brulez en zijn generatie uit de dagelijkse omgang is verdwenen.'

Ik breng mijn handen op elkaar voor die laatste zin. Maar ook de iets oudere intelligentsia van tegenwoordig bezit nog altijd de sleutel die de poort van de Latijnse wereld voor haar opent - al sinds de dag dat ik me in België vestigde, benijd ik haar daarom met overgave. Nu de Vlaamse emancipatiestrijd gestreden is, nu de Vlamingen hebben gezegevierd, nu gooien de leiders in het noorden, enthousiast van pure stompzinnigheid, precies datgene weg wat hun volk een intellectuele voorsprong op de Hollanders geeft. Ja, de Vlaming heeft zich als een uitgehongerde leeuw op het Engels gestort en verscheurt zijn grammatica levend!

'La patrie n'est pas une idée mais alle est une idée petite et qui doit rester petite.'

Dit laat Brulez een van zijn vrienden-triumviren zeggen, maar wat moet er van dit soort citaten worden als niemand meer Frans kent? Of hoe zou iemand als Brulez in 1938 Ecrivains flamands d'aujourd'hui hebben kunnen schrijven, dat bruggetje naar de overkant van Brussel hebben kunnen slaan, zonder zijn benijdenswaardige tweetaligheid?

Ben ik nu een snob? Vast wel - maar ik dweep tenminste niet met chansons waar ik geen woord van versta, noch doe ik mee met die zomerse groepsverkrachting van de oudste dochter van de kerk.

Hollandse smaak

En die barokke stijl van Brulez?

Och, waarde landgenoten! Is dat in Holland soms geen negatieve onschrijving, synoniem met het door sommige critici zo graag gebruikte 'ronken'? Beton! Nieuwe Zakelijkheid! Elsschot! Dat is de Hollandse smaak. De weelde van Teirlinck vermoeit, Van de Woestijne is onbegrijpelijk; en Brulez was ook nog eens blind voor het modernisme en meende dat Urbain van de Voorde een groter dichter was dan Van Ostaijen...

Wacht! Om te beginnen is 'barok' een onzuivere omschrijving van het bruleziaans: barok impliceert immers dat de inhoud lijdt onder de vorm. Rococo lijkt me een betere term: poeder, pruiken, de fiorituren van Mozart, alle vrolijke krullen en versiersels die de diepe melancholie van de late achttiende eeuw verbergen, maskeren, luchtig doen lijken.

Literair rococo: ik besef dat het een vreemd, onmodieus, onwelkom iets is op die gezellige Rive Gauche van ons, die narcistische slootkant. Zeker, zeker, soms woekert het adjectief in dat proza - dan verandert Brulez in de albatros van Baudelaire, 'avec ses ailes de géant, qui l'empêchent de marcher'... Maar meestal maken die bijvoeglijke naamwoorden, samen met de vele metaforen, dat de bruleziaanse beschrijving erg visueel wordt, tastbaar ook, sensueel zelfs - zodat ik als adolescent die wachtkamer in Brugge haast lichamelijk ervoer: voor mij heeft dat die scène onvergetelijk gemaakt.

De welwillende lezer, die mij tot dusverre gevolgd heeft, zou nog eens een blik op dat lange citaat moeten werpen. Natuurlijk, 'waardig van' is een afschuwelijk gallicisme. Natuurlijk, 'alaam' is dialect, hoewel het door zijn vreemdheid misschien juist bijdraagt tot die religieuze ambiance - en dat laatste geldt ook voor dat rare, katholieke 'exhortatie' (beide woorden staan overigens in Van Dale). Maar welk adjectief is nu echt overbodig?

Euh...

'Langgebaarde' soms? Die lange baard lijkt me anders een onmisbaar attribuut om van een verveelde kaartjesknipper een hiëratische... enfin, een priesterlijke gestalte te maken.

Nu, laat ik zeggen dat ik niet spuug op een volzin - en ook niet op een beetje romantiseren: vandaag ontdek ik dat het neogotische spoorwegstation van Brugge (waar ik gisteren over schreef) in 1974 allang was afgebroken.