De reiskoorts van een antikoloniaal; Jacob Haafner in de Oost

J.A. de Moor en P.G.E.I.J. van der Velde (red.): De werken van Jacob Haafner, deel III. Linschoten-Vereeniging/Walburg Pers, 479 blz. ƒ 89,50

Reisverhalen en scheepsjournalen waren lange tijd bijzonder populair in de lage landen bij de zee, voordat aan het eind van de vorige eeuw de moderne roman opkwam. Voor bloedstollende avonturen en wonderlijke geschiedenissen kon de lezer terecht van Bontekoe tot Potgieter. Temidden van deze verslagen nemen de werken van de wereldburger Jacob Haafner (1754-1809) een bijzondere positie in. Haafner, zoon van een uit Frankrijk afkomstige scheepschirurgijn en een Duitse moeder, bracht zijn jeugdjaren door in Amsterdam, toen een kosmopolitisch handelscentrum en een van de thuishavens van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie. Op elfjarige leeftijd vertrok Haafner met zijn vader naar de Oost. Pas 25 jaar later keerde hij definitief terug naar Amsterdam om te leven van zijn bij de VOC verdiende kapitaal. Tijdens de Franse Revolutie raakte hij echter in een klap zijn geld kwijt, omdat hij dit had belegd in Franse waardepapieren. Haafner werd pijpverkoper en broodschrijver met als voornaamste onderwerp zijn reizen naar de Indische archipel, de Kaap, India en Ceylon.

De Leidse historici J.A. de Moor en P.G.E.I.J. van der Velde hebben zich ten doel gesteld de werken van Haafner opnieuw uit te geven. Onlangs lieten zij het derde en laatste deel van Haafners reisverhalen het licht zien - in de reeks Werken van de Linschoten Vereeniging -, die bij elkaar een verkapte autobiografie opleveren van het leven van deze originele achttiende-eeuwse reiziger.

Haafner blijkt een scherp criticus van het koloniale systeem. Daarnaast is hij bovenal een plezierig verteller, een levensgenieter met niet in de laatste plaats de bedoeling de lezer te informeren over de natuur, over leven en gebruiken van de mensen in exotische streken. Dat alles dist hij, naar het toenmalige literaire gebruik, op in smakelijke verhalen vol spanning, sensatie en wetenswaardigheden.

Als schrijver op het kruispunt van Verlichting en Romantiek komt hij op voor het individu en verzet hij zich tegen de wijze waarop Europeanen omspringen met de autochtone bewoners van de streken die hij heeft bezocht. Zo klinkt de volgende passage als een soort beginselverklaring: 'Ik ben altijd een doodvijand van dwingelandij en dwingelanden geweest; ik verfoei en verafschuw alle onrechtvaardigheid en wreedheid; ik acht alle menschen, van wat verwe, natie en godsdient zij ook mogen zijn, als mijne medemenschen en broeders; wie hierin even als ik denkt, die zal zich niet aan stooten, maar integendeel met genoegen zien, dat ik de onschuldige en onderdrukte Indiaanen verdeedig en voorspreek, en hunne tijrannen met schande zoek te overlaaden.'

Vooral de Britse kolonialen zijn het mikpunt van Haafners kritiek: 'Hoe schandelijk, hoe afschuwelijk handelen toch de Engelschen in die landen! Als vrienden zijn zij valsch, verraderlijk en trouweloos; als vijanden zijn zij erger dan barbaren.'

Maar de verhalen van Haafner, waarin hijzelf altijd de hoofdpersoon is, zijn verder het tegendeel van politieke tractaten. Hij doet verslag van zijn avonturen waarin woeste baren en wilde dieren hem bedreigen: meermalen staat hij aan de rand van de dood door ziekte, menselijk geweld, verdwaling, schipbreuk of zelfs liefsdesverdiet. Maar tussendoor blijft hij in boeiende uitweidingen informatie geven over onderwerpen als het leven in de tropen, het wel en wee van de dienaren van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie, het maatschappelijk leven in Batavia, de Hindoestaanse cultuur in Bengalen en Ceylon of de afkeer die 'Indianen', zoals Haafner inwoners van India noemt, vaak hebben van blanken. Ook praktische zaken passeren uitvoerig de revu. Bijvoorbeeld het genot om te baden in de tropen of welke gerechten men het beste kan eten en of je dat nu wel of niet met de handen moet doen: 'De Indianen weten van geene lepels, vorken noch messen en zelfs de mestiezen en andere inboorlingen maken er nooit gebruik van; elk eet daar met de vingers. Men zal deze manier van eten zeer morsig vinden, en voor iemand die dezelve niet gewoon is, schijnt het ook zo; doch men moet tevens in aanmerking nemen, dat men daar altoos voor en na den maaltijd zijne handen wascht, hetgeen wij wederom niet doen. De lezer mag dus zelf beslissen wie de zindelijkste is. Hoe het ook zij, ik voor mij vind, dat de rijst op de Indiaansche wijze, dat is te zeggen droog gekookt met kerry, sambal, atchar of dergelijke, beter met de vingers, dan met eenen lepel smaakt.'

Het onlangs opnieuw verschenen verhaal Reize in eene Palanquin, dat gaat over een duizend kilometer lange tocht langs de kust van Bengalen, maakt de lezer warm voor de draagstoel (palankijn) als vervoermiddel: 'Er is toch in de geheele wereld geen gemakkelijker, geen zekerder en aangenamer reizen dan in eenen palanquin. Verbeeld u, waarde lezer, eene machine als een sofa, kanape of rustbank, omtrent 3 voeten breed en 7 lang, waarin men op een zacht matrasje en kussens onder het hoofd even als in een bed uitgestrekt liggen kan. [...] Men kan er in slapen, zitten, lezen, zelfs schrijven. [...] De dragers of koelies zijn alle eerlijke, vriendelijke en gewillige menschen. [...] Als zij dragen, maken zij beurt om beurt een zacht steunend geluid, dat niet onaangenaam is; dit doen ze om de maat in hunnen tred te houden, opdat de palanquin niet waggele of scheef hangende.'

Haafner spreekt de lezer in zijn verhalen regelmatig aan en legt af en toe uit waarom hij zo veel vertelt over een speciaal onderwerp. Daarmee krijgen zijn verhalen voor de tegenwoordige lezer een expliciet ouderwets accent. Toch zijn Haafners verhalen door zijn snelle verteltrant en vaak ironische blik op de omstandigheden niet verouderd en nog steeds goed leesbaar.

Tussen alle capriolen en uitweidingen door ontstaat een portret van de persoon Haafner, zoals hij zich in zijn geschriften manifesteert. Hoewel hij gedurende zijn reizen allerlei verschillende betrekkingen had, van kajuitjongen, tot privé-leraar en boekhouder, voelt hij zich voornamelijk een gedreven reiziger. 'Eene reize zonder moeielijkheden en gevaren had bij mij geene de minste aantrekkelijkheid of bekoring. Alles wat vreeselijk, schoon, wat groot, wat wonderlijk in de natuur is, kon mij behagen; - een orkaan, eene onstuimige zee, het geraas der donders, de bliksems, die door het uitspansel schieten, - konde ik met vermaak beschouwen; het gezicht van afgronden, steilten, met wolken omgeven gebergten [...] en bovenal duister digte en uitgestrekte wouden vol zware grijze boomen, en wemelende van dieren van allerlei aard, waren zoo vele geneugten voor mijnen rusteloozen geest.'

Zijn vele gevoelsuitstortingen, zijn sterk wisselende stemmingen, tonen Haafner als een gepassioneerd mens. En indirect laat hij merken dat hij het met zichzelf soms ook bijzonder getroffen heeft. Wanneer hij na een bijna-schipbreuk te gast is bij een scheepskapitein in Kaapstad, noteert Haafner, ditmaal zonder een greintje ironie: 'Doch de kapitein die aan de Kaap bleef, en benevens zijne echtgenote bijzonder, veel van mij hield, had de goedheid mij eenige dagen vóór het vertrek van zijn vaartuig te zeggen, dat ik (..) bij hem in huis konde blijven.'

In de reisverhalen figureert een aantal vrouwspersonen, die hem het leven veraangenamen, maar uiteindelijk is er een Bengaalse danseres die alle eerdere vriendinnen in de schaduw stelt. Eerst beschrijft Haafner dat hij tijdens een intermezzo in Amsterdam in de liefde wordt ingewijd door een 'nette' Amsterdamse, die, zoals hij het later zelf ziet, een jongmens in zijn wilde jaren op het juiste pad houdt en ervoor zorgt dat hij zich niet overgeeft aan drank en (nog meer) vrouwen. Daarna duikt Anna op met wie hij lange tijd goed bevriend is. Haar verlaat Haafner tijdelijk, omdat hij weer eens besprongen wordt door een sterke reiskoorts. Wanneer hij na een jaar terugkeert, blijkt Anna ervandoor met een welgesteld man. Haafners wereld stort in: 'Alles mishaagde mij, en het denkbeeld aan den dood, als den eenigen grenspaal van mijn gedurig lijden, was mij eindelijk alleen nog aangenaam.'

Maar op een volgende reis vergeet hij zijn liefdesverdriet als hij de beeldschone Bengaalse Mamia ontmoet, die een hoofdrol speelt in het verhaal Reize in eene Palanquin, dat is opgenomen in het recent verschenen derde deel van Haafners werken. Hierin beschrijft Haafner de diepgravende liefde tussen hemzelf en Mamia. Volgens de tekstbezorgers het topstuk van Haafner en een liefdesgeschiedenis van het niveau van Paul et Virginie, waarin ook een interraciale liefde centraal staat. Mamia's liefde voor Jacob is zo groot, dat ze uiteindelijk haar leven geeft om hem te redden.

De werken van Haafner zijn nu heruitgegeven in een goedverzorgde driedelige editie in de reeks van de Linschoten Vereeniging. De delen zijn elk voorzien van een inleiding waarin telkens een verschillend aspect van Haafner aan bod komt: zijn biografie (deel 1), de receptie van zijn werk (deel 2) en zijn opvattingen (deel 3), waarin Haafner zowel als man van de Verlichting als romanticus wordt geportretteerd.

Met deze editie is de vergeten schrijver Haafner terecht opnieuw onder de aandacht van het lezend publiek gebracht. In zijn eigen tijd was hij geliefd. Reize in eene Palanquin (1808) werd bijvoorbeeld na een aantal jaren herdrukt. N.G. van Kampen nam in zijn bloemlezing uit 1835 een uitgebreid fragment van Haafners werk op en de dichter Hofker wijdde zelfs een loflied aan de trouw van Mamia.

Met de opkomst van de moderne roman raakte de belangstelling voor reisverhalen wat op de achtergrond. En hoewel Multatuli nog lovende woorden wijdde aan Haafners levendige en ironische stijl, lijkt hij aan het eind van de negentiende eeuw vrijwel vergeten te zijn.

Dat het eerste deel van de heruitgegeven Werken uit 1992 inmiddels al in herdruk is verschenen, betekent dat er op dit moment opnieuw belangstelling bestaat voor een figuur als Haafner. Verwonderlijk is dat niet. De kritische toon die hij vaak aanslaat en de ironie waarmee hij bepaalde figuren beschrijft, is verfrissend tussen de vele soms al te wonderbaarlijke avonturen. Maar bovenal is het uiteindelijk misschien ook de sympathieke figuur van Haafner - een kruising tussen de kritische toerist en de wereldreiziger met een iets te groot ego - die de lezer inneemt voor zijn verhalen.